Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN8914

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-11-2003
Datum publicatie
25-11-2003
Zaaknummer
KG 03/1069
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rb. 's-Gravenhage: ....Dekker de licentieovereenkomst met Sunfield naar letter en geest stipt na te komen, in dier voege dat de beperkingen ten aanzien van de identiteit van een teler aan wie Sunfield het teeltmateriaal van chrysantrassen van Dekker mag leveren en de beperking ten aanzien van de hoeveelheid teeltmateriaal dat Sunfield mag leveren komen te vervallen als zijnde verboden en van rechtswege nietige mededingingsbeperkingen in de zin van artikel 6 lid 1 Mededingingswet......

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 13 november 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/1069 van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Sunfield Holland B.V.,

gevestigd te Valkenburg (ZH),

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

procureur mr. A.J. Braakman,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Dekker Breeding B.V.,

gevestigd te Hensbroek, gemeente Obdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

procureur mr. W. Taekema,

advocaat mr. P.E. Mazel te Groningen.

Partijen worden hierna ook aangeduid respectievelijk als "Sunfield" en "Dekker".

In conventie en in reconventie

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 17 oktober 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Sunfield houdt zich uitsluitend bezig met de vegetatieve vermeerdering van chrysantenrassen ten behoeve van de verkoop van teeltmateriaal ("stekken").

1.2. Dekker houdt zich bezig met de veredeling van chrysantenrassen, dat wil zeggen met de ontwikkeling van nieuwe chrysantenrassen. Zij stelt Sunfield sedert begin van de jaren ’90 in staat haar, Dekkers, chrysantenrassen te vermeerderen.

1.3. Aan Dekker is op 26 juli 2000 voor het ras Euro communautair kwekersrecht verleend.

1.4. Dekker sluit door middel van haar agent Royalty Administration International ("RAI") met Sunfield jaarlijks een licentieovereenkomst terzake van "de vermeerdering/verhandeling van chrysantenstekken en eindproducten" van rassen ten aanzien waarvan Dekker houdster is van een kwekersrecht.

In de licentieovereenkomst is steeds opgenomen een artikel, inhoudende dat beide partijen zonder opgaaf van redenen de overeenkomst schriftelijk met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden kunnen beëindigen. Daarnaast is in een ander artikel de opzegging geregeld met inachtneming van een termijn van dertig dagen, indien de licentienemer en verplichting uit de overeenkomst niet stipt nakomt.

Dekker heeft ieder jaar gebruik gemaakt van de opzegging zonder opgaaf van redenen en vervolgens weer een nieuwe overeenkomst met Sunfield gesloten.

1.5. Dekker sluit sinds 2001 een zogenaamde tripartite overeenkomst met Sunfield (en andere vermeerderaars). Sunfield krijgt als vermeerderaar op grond van de licentieovereenkomst toestemming Dekkerrassen tot een bepaald maximum te vermeerderen, terwijl de klanten van Sunfield, de telers, in een teeltovereenkomst met Dekker en het daarvan deel uitmakende plantprogramma toestemming krijgen tot eveneens een bepaald maximum. Het is Sunfield contractueel niet toegestaan telers te beleveren, met wie Dekker geen teeltovereenkomst heeft gesloten.

1.6. Dekker heeft bij brief van 12 oktober 2001 de licentieovereenkomst opgezegd, onder meer daar Dekkers meermalen in strijd met de licentieovereenkomst plantmateriaal (Euro’s) aan telers had geleverd, met wie door Dekker geen plantprogramma overeen gekomen was.

1.7. De opzegging van 12 oktober 2001 is eind oktober 2001 ingetrokken, nadat met Sunfield bepaalde concrete afspraken over de plantprogramma’s waren gemaakt.

1.8. Bij brief van 24 juni 2003 heeft RAI in opdracht van Dekker de licentieovereenkomst (2003) opgezegd tegen 1 januari 2004 conform de gebruikelijke jaarlijkse opzegging (zes maanden).

1.9. Daarnaast heeft Dekker zelf in een brief van 24 juni 2003 de opzegging door RAI bevestigd en een aantal gronden genoemd voor de opzegging en aangegeven geen nieuwe licentieovereenkomst voor 2004 te zullen sluiten. De brief behelst onder meer:

Hierbij laten wij u weten, dat wij onze agent(…) verzocht hebben om de licentieovereenkomst die namens ons met u is aangegaan per 1 januari 2003, voor zover nodig op te zeggen vóór 1 juli 2003, conform artikel 14; wij doen dat bij deze. De overeenkomst zal daarmee per 1 januari 2004 zijn ontbonden.

(…)

Wij doen dit niet alleen vanwege de inbreuken zoals hieronder vermeld, maar ook omdat van de intentie, die blijkt uit uw brief d.d. 30 oktober 2001 aan de heer Maarten Leune van RAI, niets is bewaarheid.

Reeds in 2000 hebben wij uitgebreid met u overleg gevoerd en gecorrespondeerd over overtredingen, die werden vastgelegd door vertegenwoordigers van Dekkers en die alle betrekking hadden op leveringen van stekken van onze chrysantenrassen aan klanten van u. Soms was er helemaal geen teeltovereenkomst, soms werden de aantallen in de vastgestelde plantprogramma’s eigenmachtig grootschalig overschreden.

Pas nadat per brief van 12 oktober 2001 door RAI onze licentieovereenkomst met u was opgezegd, werd door u beterschap beloofd (…).

Gedurende 2002 hebben wij diverse gesprekken met u gevoerd betreffende de door u toegepaste werkwijze rond onze DCP-contracten. Wij hebben u daarbij steeds nadrukkelijk gewezen op het belang van het respecteren van de plantprogramma’s die integraal deel uitmaken van elke teeltovereenkomst. Onze verbazing was dan ook groot, toen wij van u vernamen per brief van 28 mei 2003, dat u een aantal teeltovereenkomsten, waaraan tekstueel en inhoudelijk na 2001 niets was gewijzigd, weigerde te ondertekenen. Onze verbazing nam slechts toe, toen wij per brief van 11 juni 2003, die tevens per fax van die datum aan werd verzonden, vernamen dat u had besloten diezelfde teeltovereenkomsten wel te ondertekenen, zij het onder protest (...).

Gegeven de vastgestelde inbreuken op voornoemde licentieovereenkomst, genoemd in onze brief aan u van 24 juni 2003, zouden wij gebruik hebben kunnen maken van ons recht tot onmiddellijke opzegging. Daarmee zouden wij echter de belangen van die klanten van u, waarvan wij recent volledig ondertekende teeltovereenkomsten aan u retourneerden c.q. die klanten van u waarvan de volledig ondertekende teeltovereenkomsten u hierbij toegaan, ernstig geschaad kunnen worden. Uitsluitend om die redenen maken wij van dat recht nu nog geen gebruik.

(…)

Wij geven hieronder het totaaloverzicht van de tot dusverre in 2203 vastgestelde overtredingen weer:

Kwekerij Sporenburcht (vermeld worden: negen overtredingen)

Kwekerij Satter (vermeld worden: zes overtredingen)

Kwekerij Jan van der Voort (vermeld wordt: 1 overtreding)

Kwekerij TME-Made (vermeld wordt :1 overtreding)

Kwekerij Mack Flowers (vermeld worden: 2 overtredingen)

Kwekerij van Wingerden (vermeld wordt: 1 overtreding)

Uitgaande van een contractuele boete van € 50.000,-- per overtreding vordert Dekker vervolgens in die brief € 1 miljoen.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Sunfield vordert in conventie –zakelijk weergegeven– Dekker te gebieden

1. de opzegging van de licentieovereenkomst met Sunfield d.d. 24 juni 2003 met onmiddellijke ingang in te trekken en aan RAI de daartoe strekkende opdracht te geven;

2. de licentieovereenkomst met Sunfield naar letter en geest stipt na te komen, in dier voege dat de beperkingen ten aanzien van de identiteit van een teler aan wie Sunfield het teeltmateriaal van chrysantrassen van Dekker mag leveren, de beperking ten aanzien van de hoeveelheid teeltmateriaal dat Sunfield mag leveren, alsook het verbod om teeltmateriaal te betrekken van in Nederland dan wel in andere EU-lidstaten gevestigde vermeerderaars die dit materiaal met toestemming van Dekker in het vrije verkeer brengen, komen te vervallen als zijnde verboden en van rechtsweg nietige mededingingsbeperking in de zin van artikel 6 lid 1 Mededingingswet;

3. het dictum van dit vonnis bekend te maken binnen twee dagen na betekening van dit vonnis middels een advertentie in de vakbladen "Vakblad voor de Bloemisterij" en "Oogst Tuinbouw".

Daartoe voert Sunfield, kort weergegeven, het volgende aan.

a. De gronden, die Dekker noemt voor opzegging van de licentieovereenkomst, zijn onjuist. Het door Dekker gehanteerde contractsysteem is moeilijk hanteerbaar en legt grote beperkingen op aan de commerciële vrijheid van vermeerderaars en telers. Het komt in de praktijk vaak voor dat de hoeveelheden die in het plantprogramma zijn opgenomen om in een bepaalde week of bepaalde weken te worden geplant, niet worden gehaald. De teler heeft in die week of die weken meer of minder stekken nodig, afhankelijk van de weersomstandigheden.

b. Sunfield heeft zich gehouden en houdt zich nog steeds aan de afspraken die zij op 19 oktober 2001 met Dekker heeft gemaakt. De overtredingen met betrekking tot Sporenburcht en Satter, een totaal hoeveelheid van 1.130.600 stekken, 81.3 % van het totaal van de beweerde inbreuken, zijn met uitdrukkelijke mondelinge toestemming van Dekker geleverd. Dit geldt ook voor de levering door Sunfield aan TME Made. De –niet reguliere –- leveringen aan Mack Flowers, Van der Voort en Van Wingerden worden erkend, althans niet betwist. Vanaf week 24 worden door Dekker geen overtredingen meer gesteld. De beëindiging van de overeenkomst is kennelijk onredelijk en onrechtmatig.

c. Voorts gaat het hier om een duurovereenkomst. Bij de opzegging is Dekker verplicht de belangen van Sunfield in aanmerking te nemen (NJ 1991,742). De opzegtermijn moet voldoende lang zijn om Sunfield in staat te stellen passende maatregelen te treffen, de vrijkomende areaalruimte anders te benutten en de reeds gemaakte kosten terug te verdienen. Sunfield acht een opzegtermijn van 5 jaar redelijk.

d. De beperkingen die Dekker Sunfield oplegt door middel van de licentieovereenkomst zijn in strijd met het mededingingsrecht nu Dekker beschikt over een machtspositie op de relevante markt en daarvan misbruik maakt. Door het contractsysteem beperkt Dekker Sunfield ernstig in haar mogelijkheden een normale omzet te genereren met name doordat beperkingen worden opgelegd in de aantallen te leveren stekken en het plantprogramma niet realistisch is, terwijl Dekker die beperkingen niet oplegt aan telers die rechtstreeks van haar of haar dochters afnemen.

Daarnaast maakt Dekker zich schuldig aan koppelverkoop doordat Dekker slechts bereid is een teler het gewenste ras te (doen) leveren indien de teler ook teeltmateriaal van andere door Dekker ontwikkelde rassen afneemt. Nu de in het contractsysteem neergelegde beperkingen in strijd zijn met het mededingingsrecht, dient Dekker met Sunfield een nieuwe overeenkomst aan te gaan die deze beperking niet meer bevat. Dekker heeft middels publicaties en anderszins Nederlandse telers, meer in het bijzonder klanten van Sunfield geïnformeerd dat zij de licentieovereenkomst met Sunfield heeft opgezegd en heeft hen voorts benaderd met aanbiedingen. Sunfield heeft een spoedeisend belang bij haar vordering nu de telers dreigen over te stappen naar andere vermeerderaars (waaronder Dekker).

Dekker vordert in reconventie –zakelijk weergegeven–

Sunfield te veroordelen tot betaling van € 250.000,– als voorschot op het totaal der verbeurde boetes.

Daartoe voert Dekker, kort weergegeven, het volgende aan.

Dekker heeft ettelijke miljoenen geïnvesteerd in kassen met het oogmerk de vermeerdering van Euro zelf ter hand te nemen. Haar kasruimte bleek echter onvoldoende. Zij wilde haar areaal vergroten, hetgeen met het oog op de toename van royalty’s aantrekkelijk was. Bij een ongeclausuleerde licentieovereenkomst zou zij de controle op de uitoefening van haar kwekersrechten geheel en al kwijtraken. Daarom heeft zij gekozen voor de tripartite overeenkomst. Zij betwist aan koppelverkoop te doen. Zij verbiedt verder niet dat telers rassen van andere vermeerderaars telen.

In het onderhavige geval bestond er gelet op het gedrag van Sunfield een zwaarwegende reden om op te zeggen. Sunfield heeft in 2003 (een aantal van) haar contractuele verplichtingen jegens Dekker geschonden, zoals zij dat ook in 2001 heeft gedaan: zij leverde teeltmateriaal (waaronder stekken van de Euro’s) zonder toestemming van Dekker aan derden (telers met wie Dekker niet heeft gecontracteerd, opmerking rechtbank). De licentieovereenkomst bevat een boetebeding. Inmiddels heeft Sunfield een bedrag van € 1.500.000,– aan (direct opeisbare) boetes verbeurd, waarbij Dekker er van af ziet om nog in te gaan op het aantal dagen dat de overtredingen hebben voortgeduurd.

3. De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

Bevoegdheid

3.1. De relatieve bevoegdheid van de voorzieningenrechter is gebaseerd op artikel 18

van de licentieovereenkomst 2003 en overigens in dit geding niet bestreden.

De opzegging

3.2. Dekker heeft sinds 1991 in het kader van een licentieovereenkomst plantmateriaal

van haar rassen ter vermeerdering aan Sunfield geleverd. Vanaf 2001 worden aan Sunfield beperkingen opgelegd ten aanzien van de aantallen stekken van rassen van Dekker, die Sunfield aan telers mag leveren en ten aanzien van de telers aan wie Sunfield mag leveren. Vast staat dat Sunfield zich in 2001 en 2003 niet strikt heeft gehouden aan de haar opgelegde beperkingen.

3.3. Hoewel de licentieovereenkomst tussen partijen ieder jaar is opgezegd is deze, soms met wijzigingen in de contractuele bepalingen, ieder jaar voortgezet. Deze relatie kan, in elk geval ten aanzien van de opzegging, gelijkgesteld worden aan een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In het algemeen geldt dat opzegging van een dergelijke duurovereenkomst geoorloofd is, tenzij deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, of anders gezegd misbruik van recht oplevert. In dat geval zou de opzegging als wanprestatie of een onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt. De licentiegever dient in ieder geval een redelijke opzegtermijn in acht te nemen.

3.4. Sunfield voert onder meer aan dat de beperkingen, die Dekker sinds 2001 aan haar oplegt ten aanzien van de levering van stekken van Dekkerrassen aan telers in strijd met het mededingingsrecht zijn. Indien dit standpunt juist zou zijn, zou dit kunnen meebrengen dat de door Dekker gedane opzegging misbruik van recht oplevert.

Beperkingen in strijd met het mededingingsrecht?

3.5. Sunfield stelt dat de licentieovereenkomst een verbod tot dwarslevering (het leveren aan, of het afnemen van, andere vermeerderaars/licentienemers van Dekker) binnen de EU zou inhouden. Hiervoor biedt de tekst van de licentieovereenkomst 2003 geen aanknopingspunt. Volgens artikel 3 aanhef en onder a) en d) en artikel 4 van die overeenkomst mag binnen de EU plantmateriaal van rassen van Dekker aan andere vermeerderingsbedrijven worden verkocht, of daarvan worden gekocht, indien deze een licentieovereenkomst hebben afgesloten met Dekker. Verder heeft Sunfield gesteld dat Dekker zich aan koppelverkoop zou schuldig maken, hetgeen door Dekker gemotiveerd is betwist en in dit geding niet voldoende aannemelijk is gemaakt.

3.6. Onderzocht moet vervolgens worden of Dekker op de relevante productmarkt, de markt van teeltmateriaal bestemd voor het telen van chrysanten, voorwaarden kan stellen aan het verkopen door Sunfield van de op basis van het door Dekker aan Sunfield geleverde plantmateriaal voortgebrachte stekken. Het gaat met name om de voorwaarden, dat uitsluitend verkocht mag worden aan telers met wie Dekker een plantprogramma overeenkomt/overeen gekomen is en dat het te verhandelen aantal stekken aan een maximum wordt gebonden, waarvan de overschrijding slechts is toegestaan met toestemming van Dekker.

3.7. Dekker betoogt dat zij deze voorwaarden stelt teneinde de controle op de uitoefening van haar kwekersrechten niet kwijt te raken. De vraag is nu of Dekker deze bevoegdheid vanuit mededingingsrecht bezien kan uitoefenen.

3.8. Inbreuken op het beginsel van het vrij verkeer van goederen wordt volgens vaste rechtspraak van het EU Hof slechts gedoogd voor zover die een rechtvaardiging kunnen vinden in de waarborging van de rechten die het specifieke voorwerp van het industriële eigendomsrecht vormen. Aanwijzingen wat tot het specifieke voorwerp van het kwekersrecht behoort zijn te vinden in de hieronder in 3.9. vermelde jurisprudentie en de onder 3.10. vermelde EU Verordening, zoals in 3.11. verder zal worden uitgewerkt.

3.9. Het EU Hof heeft in de zaak Nungesser van 8 juni 1982 (NJ 1984,606) overwogen dat het kwekersrecht niet anders moet worden behandeld dan de andere rechten van industriële en commerciële eigendom, zij het met de nuancering dat bij toepassing van de mededingingsregels rekening moet worden gehouden met de specifieke aard van de producten waarvoor het kwekersrecht geldt.

Een bepaalde vorm van samenwerking, de zogenaamde open uitsluitende licentie, een licentie waarbij het exclusieve karakter uitsluitend betrekking heeft op de relatie tussen de licentiegever en de licentienemer, werd toelaatbaar geacht.

In zaak Erauw/La Hesbigonne (BIE 1989, nr. 85) besliste het EU Hof op 19 april 1988 dat de kweker het recht moet hebben de vermeerdering van het basiszaad voor te behouden aan handelaars/telers die hij als licentiehouders heeft geselecteerd en dat “in zoverre” het contractuele uitvoerverbod (voor het basiszaad) niet onder het verbod van artikel 85 lid 1 (oud) van het EG verdrag valt. De kweker moet zich kunnen beschermen tegen elke onjuiste behandeling van de zaadrassen. De kweker, Erauw, had daarnaast een minimumprijs vastgesteld voor de verkoop van het uit het basiszaad gewonnen vermeerderingszaad. Deze minimumprijs, die in heel wat licentieovereenkomsten van Erauw was opgenomen, had het karakter van een “horizontale kartel” en was daarom strijdig met artikel 85 lid 1 (oud) EG Verdrag.

3.10. De EG Verordening 240/96 van 31 januari 1996, dus van ver na de hiervoor genoemde jurisprudentie, is hier ook van belang, daar deze volgens artikel 8 lid 1 aanhef en onder h) ook van toepassing is op kwekerscertificaten . Volgens artikel 1 lid 1 van die verordening wordt artikel 85 lid 1 (oud) EG Verdrag in beginsel buiten toepassing verklaard voor overeenkomsten, waarbij een licentie wordt verleend met het oog op de exploitatie van een bepaalde technologie. Exploitatie ziet in elk geval op de vervaardiging door de licentiehouder zelf. De groepsvrijstelling is echter niet van toepassing indien de licentiegever, zonder objectief gerechtvaardigde reden, beperkingen oplegt ten aanzien van gebruikers of wederverkopers of inzake de hoeveelheid onder licentie vervaardigde of verkochte producten (artikel 3 leden 4 en 5 en artikel 7 sub 3 b).

3.11. De onder 3.9. vermelde jurisprudentie ten aanzien van artikel 85 lid 1 EG Verdrag en de bepalingen van de onder 3.10. vermelde EG Verordening zijn gelet op artikel 1 van de Mededingingswet van betekenis voor de uitleg van artikel 6 lid 1 van die wet. Gelet op die jurisprudentie en die Verordening acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat de Dekker als licentiegever aan Sunfield als licentienemer basismateriaal ter beschikking kan stellen met het oog op (vegetatieve) vermeerdering onder de voorwaarde dat dit basismateriaal niet verhandeld mag worden (arrest Erauw/La Hesbignonne). Geeft Dekker echter toestemming tot de verhandeling van het vermeerderde plantmateriaal, dan mag zij die aan die verhandeling geen beperkingen stellen, bij voorbeeld ten aanzien van de identiteit van de afnemers en de hoeveelheden te vervaardigen producten, in dit geval stekken.

Met verlenen van toestemming tot verhandelen is naar voorlopig oordeel haar kwekersrecht uitgeput. Dit zou anders zijn, indien Dekker voor de door haar opgelegde beperkingen een objectief gerechtvaardigde reden zou hebben. Dekker betoogt dat de maxima die zij in haar licentieovereenkomsten, respectievelijk plantprogramma’s, opneemt uitsluitend dienen ter controle in het kader van de uitoefening van haar kwekersrechten. Er zou geen sprake van regulatie van het aanbod zijn. Sunfield zou geen bewijs kunnen overleggen van een geval waarin zij geweigerd zou hebben de maxima te verhogen.

Dit standpunt overtuigt niet. Dekker geeft met deze opstelling in feite toe dat zij zich het recht voorbehoudt vooraf te bepalen of de licentienemer en/of de teler de overeengekomen hoeveelheden mag verhogen. Voorshands lijkt aannemelijk dat Dekker door gedetailleerd een plantprogramma voor te schrijven wel degelijk het totale aanbod van haar plantenrassen op de markt reguleert en daarmee haar licentienemers in hun productie en hun afzet beperkt.

3.12. Artikel 7 lid Mededingingswet bevat een zogenaamde bagatelvoorziening voor het geval het om mededingingsafspraken gaat, die vanuit een oogpunt van het Nederlandse mededingingsbeleid van duidelijke ondergeschikte betekenis zijn. (Ondergrens: niet meer dan 8 ondernemingen met een gezamenlijke netto omzet van niet meer € 4,54 miljoen). Niet aannemelijk is dat hier van een bagatel sprake is waarvoor artikel 6 lid 1 Mededingingswet niet geldt. Daartoe is het volgende redengevend.

Volgens eigen opgave van Dekker heeft zij naast Sunfield met tenminste 10 andere vermeerderaars licentieovereenkomsten afgesloten, die naar de voorzieningenrechter begrijpt dezelfde inhoud hebben als de met Sunfield gesloten licentieovereenkomst. Deze overeenkomsten moeten volgens artikel 7 lid 1 Mededingingswet voor toepassing van artikel 7 lid 1 als één overeenkomst worden beschouwd. Sunfield alleen al heeft volgens eigen opgave een (bruto, netto?) omzet van € 13 miljoen.

3.13. Het voorgaande brengt mee dat in dit geding moet worden aangenomen dat de in 3.6 bedoelde beperkingen wegens strijd met artikel 6 lid 1 van de Mededingingswet nietig zijn.

3.14. Blijkens haar onder 1.9. geciteerde brief is de omstandigheid dat Sunfield zich niet aan de – thans nietig geoordeelde – beperkingen hield aanleiding geweest de licentieovereenkomst op te zeggen.

3.15. Bij de vaststelling of de opzegging misbruik van recht oplevert dient te worden onderzocht of er een zodanige onevenredigheid bestaat tussen het belang bij de uitoefening van dat recht en het belang dat daardoor wordt geschaad, dat men in redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.

Is dit het geval, dan zal aan de uitoefening van de opzeggingsrecht rechtsgevolg moeten worden ontzegd, hetgeen betekent dat de opzegging als niet gedaan moet worden beschouwd. Deze situatie doet zich hier voor.

Aangzien de relatie tussen partijen sinds 1991 bestaat, kan Dekker niet zonder geldige reden opzeggen tegen een opzegtermijn van 6 maanden. Een geldige reden ontbreekt, nu de door Dekker opgegeven reden strijdt met het Nederlandse mededingingsrecht. Haar beroep op haar kwekersrecht kan haar niet baten. Anderzijds staan voor Sunfield grote belangen op het spel. Sunfield dreigt volgens eigen opgave 20% van haar totale productie kwijt te raken, terwijl ongeveer 115 personeelsleden specifiek bestemd zijn voor de vermeerdering van Dekker-rassen, waaronder in het bijzonder de Euro, die een sterke marktpositie heeft.

De vordering in conventie

3.16. Bij gebreke van een geldige opzegging is Dekker gehouden de licentieovereenkomst met Sunfield voort te zetten. Dit betekent dat voor toewijzing van het eerste onderdeel van het petitum geen aanleiding bestaat. Het tweede onderdeel van het petitum is, afgezien van het gevraagde uitspraak over dwarslevering (zie hiervoor onder 3.5.), als hierna te vermelden grotendeels toewijsbaar. Gelet op de publiciteit die inmiddels rond de opzegging is ontstaan heeft Sunfield eveneens voldoende belang bij onderdeel 3. van het gevorderde.

De vordering in reconventie

3.17. Dekker vordert in reconventie een voorschot op verbeurde boetes. Uit het voorgaande volgt dat Sunfield geen wanprestatie heeft gepleegd op straffe van een boete, zodat het in reconventie gevorderde niet toewijsbaar is.

In conventie en in reconventie

3.18. Dekker zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten worden veroordeeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

In conventie:

GEBIEDT Dekker de licentieovereenkomst met Sunfield naar letter en geest stipt na te komen, in dier voege dat de beperkingen ten aanzien van de identiteit van een teler aan wie Sunfield het teeltmateriaal van chrysantrassen van Dekker mag leveren en de beperking ten aanzien van de hoeveelheid teeltmateriaal dat Sunfield mag leveren komen te vervallen als zijnde verboden en van rechtswege nietige mededingingsbeperkingen in de zin van artikel 6 lid 1 Mededingingswet.

GEBIEDT Dekker het dictum van dit vonnis bekend te maken in de eerstvolgende editie na betekening van dit vonnis door middel van een advertentie in de vakbladen "Vakblad voor de Bloemisterij" en "Oogst Tuinbouw".

VEROORDEELT Dekker in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Sunfield begroot op € 976,20, waarvan € 703,-- aan procureurssalaris, € 205,-- aan griffierecht en € 68,20 aan dagvaardingskosten.

VERKLAART dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

WIJST af het meer of anders gevorderde.

In reconventie:

WIJST het gevorderde af.

VEROORDEELT Dekker in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Sunfield begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. Von Maltzahn en uitgesproken ter openbare zitting van 13 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

esk