Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN8641

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-11-2003
Datum publicatie
21-11-2003
Zaaknummer
KG 03/980
Rechtsgebieden
Civiel recht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Rb. 's-Gravenhage: ...De Vereniging Afghanistan Peace Association vordert – zakelijk weergegeven –:

1) De Staat te verbieden, ..., het ambtsbericht van 29 februari 2000 te (doen) hanteren als bewijsstuk in verblijfsrechtelijke procedures; 2) gedaagde te veroordelen tot rectificatie van het ambtsbericht .....; 3) ...het onderzoek in alle 1F-zaken waarin het ambtsbericht aan de afwijzende beschikkingen ten grondslag is gelegd te heropenen ...; 4) ... de personen waarop de te heropenen dossiers betrekking hebben toe te staan het onderzoek hier te lande af te wachten; 5) ... om de personen waarop de te heropenen dossiers betrekking hebben COA-faciliteiten te bieden gelijkwaardig aan de faciliteiten die bij een eerste asielaanvragen geboden dienen te worden.....

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2004/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 21 november 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 03/980 van:

de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging

De Vereniging Afghanistan Peace Association,

statutair gevestigd te Deurne,

eiseres,

procureur mr. A.J. Sandberg,

advocaat mr. R. Moszkowicz te Nieuwegein,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie (vertegenwoordigd door de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie) en Ministerie van Buitenlandse Zaken),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. A. van Blankenstein.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 november 2003 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiseres stelt zich blijkens haar statuten (zoals laatstelijk bij akte van 25 september 2003 gewijzigd) het volgende ten doel:

- het bevorderen en verbeteren van het cultureel en sociaal en economisch welzijn van de bevolking in Afghanistan;

- het verlenen van financiële ondersteuning aan de bevolking van Afghanistan;

- het bevorderen van de vriendschappelijke betrekkingen tussen de bevolking van Afghanistan en de overige wereldbevolking;

- het voeren van gerechtelijke procedures en het optreden in gerechtelijke procedures als vertegenwoordiger voor Afghaanse asielzoekers.

1.2. Op 29 februari 2000 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken, op verzoek van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie, een algemeen ambtsbericht uitgebracht over de veiligheidsdiensten van Afghanistan ten tijde van het communistisch bewind (1978-1992). In dit ambtsbericht ligt het accent op de Khadimat-e Atal’at-e Dowlate (de KhAD) en de Wazarat-e Amaniat-e Dowlati (de WAD) en staat de vraag centraal of, en zo ja welke, voormalige medewerkers van de Afghaanse veiligheidsdiensten, in het bijzonder die van de KhAD en de WAD, zich schuldig hebben gemaakt aan schendingen van de mensenrechten. Hierbij werd met name aandacht besteed aan officieren en onderofficieren van de KhAD of de WAD.

1.3. Aan de totstandkoming van voormeld ambtsbericht liggen literatuurstudies over de (recente) geschiedenis van Afghanistan, informatie van de Nederlandse ambassade in Islamabad / Pakistan alsmede rapportages van diverse internationale en non-gouvermentele organisaties ten grondslag.

1.4. In de samenvatting van het ambtsbericht wordt – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

“(…) De Afghaanse veiligheidsdiensten ten tijde van het communistisch bewind waren berucht om hun brute methodes. Het is dan ook ondenkbaar dat iemand die werkzaam was binnen deze diensten, ongeacht het niveau waarop hij of zij werkzaam was, niet op de hoogte was van de grove schendingen van de mensenrechten die plaatsvonden – dit was immers zowel binnen als buiten Afghanistan een welbekend feit. Vele medewerkers binnen de KhAD en de WAD hebben deelgenomen aan deze mensenrechtenschendingen. Vanaf de rang van onder-officier heeft zelfs iedereen actief deelgenomen aan de schendingen (…).

(…) Officieren dienden tijdens hun proeftijd (…) een zeer zware loyaliteitsproef af te leggen. Als eerste plaatsing werden onder-officieren en officieren tewerk gesteld op afdelingen binnen de KhAD en de WAD die zich concreet bezig hielden met de opsporing van ‘staatsgevaarlijke elementen’. Het roulatiesysteem zorgde ervoor dat medewerkers dikwijls van afdeling wisselden. Een bevordering of een plaatsing op een afdeling of directie waar de werkzaamheden een meer administratief of technisch karakter hadden lag slechts in het verschiet voor diegenen die zich voldoende hadden bewezen tijdens hun eerste plaatsing of plaatsingen. In de praktijk betekent dit dat alle onder-officieren en officieren van de KhAD en de WAD hebben deelgenomen aan de ondervraging en marteling van al dan niet vermeende tegenstanders van het communistische bewind (…)”

1.5. Voormeld ambtsbericht heeft de basis gevormd voor beschikkingen van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie strekkende tot afwijzing van asielaanvragen van en tot intrekking van reeds verleende verblijfsvergunningen aan Afghaanse asielzoekers (op de grond dat zij een misdrijf tegen de menselijkheid hebben begaan als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a, van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen) en voor op die afwijzingen/intrekkingen volgende gerechtelijke uitspraken en wordt nog steeds als zodanig aangewend.

2. De vordering, de gronden daarvoor en het verweer

Eiseres vordert – zakelijk weergegeven –:

1) gedaagde te verbieden, op straffe van verbeurte van een dwangsom, het ambtsbericht van 29 februari 2000 te (doen) hanteren als bewijsstuk in verblijfsrechtelijke procedures;

2) gedaagde te veroordelen tot rectificatie van het ambtsbericht door middel van een publicatie op de website van het Ministerie van Buitenlandse Zaken met daarin de in dagvaarding opgenomen althans een door de voorzieningenrechter te bepalen tekst;

3) gedaagde te veroordelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, het onderzoek in alle 1F-zaken waarin het ambtsbericht aan de afwijzende beschikkingen ten grondslag is gelegd te heropenen alsmede de in die dossiers reeds genomen beschikkingen in te trekken en na een regulier onderzoek van de zaken nieuwe beschikkingen af te geven;

4) gedaagde te veroordelen om de personen waarop de te heropenen dossiers betrekking hebben toe te staan het onderzoek hier te lande af te wachten;

5) gedaagde te veroordelen, op straffe van verbeurte van een dwangsom, om de personen waarop de te heropenen dossiers betrekking hebben COA-faciliteiten te bieden gelijkwaardig aan de faciliteiten die bij een eerste asielaanvragen geboden dienen te worden.

Daartoe voert eiseres het volgende aan.

De, verstrekkende, conclusie in het ambtsbericht dat tijdens het communistisch bewind in Afghanistan iedere medewerker van de KhAD en de WAD vanaf de rang van onder-officier zich schuldig heeft gemaakt aan mensenrechtenschendingen en de feiten die dienen ter staving van die conclusie zijn niet of nauwelijks van een verwijzing naar (gedegen, betrouwbare, onafhankelijk en relevante) bronnen voorzien en ontberen dus een deugdelijke onderbouwing. Zij worden ook niet onderschreven door kenners van de recente Afghaanse geschiedenis en evenmin door Afghaanse asielzoekers. Dit heeft tot gevolg dat controle van de relevante passages uit het ambtsbericht onmogelijk is. Een aantal in het ambtsbericht vermelde feiten, die dienen ter ondersteuning van de conclusie daarvan, zijn bovendien uitermate suggestief geformuleerd en het uitvloeisel van selectief gebruik van openbare bronnen. Een en ander kan niet worden getolereerd, nu het ambtsbericht wordt gebruikt ter onderbouwing van vele, voor asielzoekers uit Afghanistan negatieve, beschikkingen en rechterlijke uitspraken. Gedaagde handelt aldus onrechtmatig jegens eiseres. Het moet gedaagde dan ook verboden worden het ambtsbericht nog langer te hanteren, reeds afgehandelde zaken dienen te worden heropend en die heropening dient tot gevolg te hebben dat de betrokken Afghaanse asielzoeker (nog) niet uit Nederland wordt verwijderd en hij of zij (wederom) tot de opvang wordt toegelaten. Gedaagde dient het ambtsbericht voorts te rectificeren. Eiseres heeft een spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen, nu vele Afghaanse asielzoekers op basis van het ambtsbericht al asiel en opvang is onthouden en het ambtsbericht voorts een, ongewenst, uitstralingseffect heeft (zo wordt het bijvoorbeeld aangehaald op de website van de Britse immigratiedienst).

Gedaagde voert gemotiveerd verweer dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Bevoegdheid

3.1. Eiseres legt aan haar vorderingen de stelling ten grondslag dat gedaagde onrechtmatig jegens haar handelt en heeft gehandeld. Daarmee is de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval die in kort geding – gegeven.

Ontvankelijkheid

3.2. In haar statuten heeft eiseres – onder meer – opgenomen dat zij zich ten doel stelt om als vertegenwoordiger van Afghaanse asielzoekers gerechtelijke procedures te voeren en in dergelijke procedures namens hen op te treden. Ter zitting heeft eiseres medegedeeld dat haar leden (onder meer) gevonden kunnen worden onder Afghanen die (onder)officier zijn geweest binnen de KhAD en/of de WAD en van wie de asielaanvragen of reeds verleende verblijfsvergunningen, onder verwijzing naar (in belangrijke mate) het bestreden ambtsbericht, definitief zijn afgewezen respectievelijk ingetrokken. Gelet hierop moet aangenomen worden dat eiseres door het hanteren van dat ambtsbericht (in beschikkingen van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie en in rechterlijke uitspraken) in haar belang is getroffen. Nu eiseres voorts voldoende aannemelijk heeft gemaakt een spoedeisend belang te hebben bij de door haar gevraagde voorzieningen, kan zij in haar vordering worden ontvangen.

Materiële beoordeling van het geschil

3.3. In dit kort geding wil eiseres de betrouwbaarheid van de inhoud van het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 29 februari 2000 ter discussie stellen. Op grond van dit ambtsbericht zijn vreemdelingenrechters, in een procedure die moet worden geacht met voldoende waarborgen te zijn omkleed, tot onherroepelijke uitspraken gekomen omtrent de (gehandhaafde) besluiten van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie tot niet-inwilliging van de asielaanvragen of intrekking van de verblijfsvergunningen van Afghanen die door eiseres worden vertegenwoordigd. Onder deze omstandigheden staat het de civiele rechter in beginsel niet vrij, ook niet in kort geding, om heropening van de discussie omtrent de betrouwbaarheid van het ambtsbericht mogelijk te maken en, zoals eiseres voorstaat, te gelasten dat de asielaanvragen van genoemde Afghanen aan een hernieuwde beoordeling worden onderworpen (en daaraan voor wat betreft uitzetting en opvang de nodige gevolgen worden verbonden). Dit zou in strijd komen met de leer van de formele rechtskracht. Deze leer brengt, toegespitst op de onderhavige zaak, mee dat de civiele rechter (al dan niet in kort geding) zich in beginsel dient te richten naar het definitieve oordeel van de betreffende vreemdelingenrechters, welk oordeel inhoudt dat de (gehandhaafde) besluiten van de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie (die in belangrijke mate steunen op het gewraakte ambtsbericht) zowel qua wijze van totstandkoming als qua inhoud in overeenstemming zijn met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen.

3.4. De aan de leer van de formele rechtskracht verbonden bezwaren kunnen door bijkomende omstandigheden evenwel zo klemmend worden dat op die leer een uitzondering moet worden gemaakt (zie onder meer Hoge Raad 31 mei 1991, NJ 1993/1112). Eiseres heeft betoogd dat, nu het gewraakte ambtsbericht evidente onjuistheden bevat, het maken van een dergelijke uitzondering in de onderhavige zaak geïndiceerd is. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

3.5. Het is vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie dient te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen, waaraan deze informatie is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan, aldus de Afdeling, mag de Minister van Vreemdelingenzaken en Integratie bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of de volledigheid ervan. Voor een omkering van de bewijslast zoals door eiseres bepleit (gedaagde dient aan te tonen dat de inhoud van het ambtsbericht juist is) is, gelet op deze bestendige jurisprudentie, geen plaats.

3.6. Eiseres heeft gewezen op het ontbreken van specifieke bronvermelding bij de conclusies van het ambtsbericht alsmede op de omstandigheid dat die conclusies niet worden onderschreven door gerenommeerde kenners van de recente Afghaanse geschiedenis en door Afghaanse asielzoekers en deze ook overigens onwaarschijnlijk voorkomen. Een en ander is echter onvoldoende om het bestaan van aanknopingspunten als hiervoor bedoeld aan te nemen. Daarvoor is meer objectieve onderbouwing vereist dan door eiseres is aangedragen. Bovendien ligt de bewijslast bij eiseres en zal zij aannemelijk moeten maken dat het ambtsbericht op essentiële onderdelen fout is. Zij kan niet volstaan met het uitspreken van twijfel over (het waarheidsgehalte van) het ambtsbericht en de gebezigde bronnen. In dit verband is voorts nog van belang dat eiseres het betoog van gedaagde dat de onderdelen van het ambtsbericht waarin eiseres zich niet kan vinden voornamelijk zijn gebaseerd op niet-openbare informatie van de Nederlandse ambassade in Islamabad en het (uit veiligheidsoverwegingen) noodzakelijk is de bronnen van deze informatie te beschermen, onvoldoende heeft weersproken.

3.7. De stelling van eiseres dat reeds de omstandigheid dat tegen de Afghaanse asielzoekers die zij vertegenwoordigt geen strafvervolging is ingesteld maakt dat aan de deugdelijkheid van de in het ambtsbericht neergelegde conclusies moet worden getwijfeld, kan evenmin worden gevolgd. Het vreemdelingenrechtelijk toetsingskader is immers van een geheel andere orde dan het toetsingskader in een strafrechtelijke procedure.

3.8. Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat ook niet geheel uitgesloten moet worden geacht dat de Afghaanse asielzoekers waarop de onderhavige procedure betrekking heeft nog bestuursrechtelijke wegen kunnen bewandelen om de inhoud van het gewraakte ambtsbericht aan te vechten. Zo zouden zij hernieuwde asielaanvragen kunnen indienen (op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemene wet bestuursrecht) of om herziening van de onherroepelijk geworden beslissingen van de vreemdelingenrechters kunnen verzoeken (op grond van artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht). Een dergelijke handelwijze zou ook meer recht doen aan de leer van de formele rechtskracht, nu eiseres vragen opwerpt die typisch tot het werkterrein van de bestuursrechter behoren.

Conclusie

3.9. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering van eiseres, waarvan alle onderdelen tot uitgangspunt nemen dat de inhoud van het ambtsbericht niet betrouwbaar is te achten, moet worden afgewezen.

3.10. Eiseres zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiseres in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 908,--, waarvan € 205,-- aan griffierecht en € 703,-- aan procureurssalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 21 november 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

JB