Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN8607

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-07-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/5390
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Iran / Jehova’s getuige / traumatabeleid.

Eiser is afkomstig uit Iran en heeft zich bekeerd tot de Jehova’s getuigen. De geloofwaardigheid van het asielrelaas is niet in geding. Uitgaande van het ambtsbericht van februari 2003 is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet zonder nader onderzoek en motivering kon stellen dat eiser niet heeft te vrezen voor een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Voorts is niet bestreden dat de geestestoestand van eiser een direct gevolg is van ondergane martelingen. Verweerder heeft geen kanttekeningen geplaatst bij eisers verklaringen. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat geen causaal verband bestaat tussen de traumatische gebeurtenissen en het vertrek van eiser uit Iran. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de rechtbank.

Proc.nr. : AWB 02/5390

Inzake : A eiser,

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te ’s-Gravenhage, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 22 juli 2002 is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

Bij fax van 11 januari 2002 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 januari 2002. Bij dat besluit heeft verweerder eisers aanvraag om toelating als vluchteling afgewezen. Het beroep is bij schrijven van 8 april 2002 nader gemotiveerd.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 juli 2003, alwaar eiser in persoon is verschenen in aanwezigheid van zijn broer en bijgestaan door zijn gemachtigde mr. W. de Vilder. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Post. Verder was ter zitting aanwezig dhr. H. Shabani als tolk.

II. OVERWEGINGEN

Eiser van Iraanse nationaliteit, heeft op 12 januari 2001 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft eiser het volgende aangevoerd. Eiser, ten tijde van zijn vlucht woonachtig in Teheran, en bekeerd tot het christendom (Jehova-getuige), heeft Iran verlaten, omdat er een inval van de Iraanse autoriteiten plaatsvond in de woning waar eiser een bijeenkomst van Jehova getuigen bijwoonde. Voorts heeft eiser, blijkens het nader gehoor, aangegeven herhaaldelijk te zijn opgepakt en gemarteld door de Iraanse inlichtingendiensten, vanwege de vlucht van zijn beide broers. Eiser vreest te zullen worden beschouwd als afvallige van de islam door de Iraanse autoriteiten.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen vanwege het bepaalde in artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

De aanvraag om toelating als vluchteling is op grond van artikel 117 van de Vreemdelingenwet 2000 aangemerkt als een aanvraag tot verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van de Vw 2000.

De rechtbank concludeert op grond van de door eiser aangevoerde gronden en hetgeen door zijn gemachtigde ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk is verklaard, dat het beroep zich enkel richt tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vw 2000.

Aan de orde is de vraag of het besluit van 10 januari 2002 in rechte stand kan houden. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Voor zover hier van belang luidt artikel 29 van de Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;”

Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(..)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb.1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;”

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de asielzoeker om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

De algehele situatie in Iran is niet zodanig dat vreemdelingen die afkomstig zijn uit dat land, zonder meer als vluchteling zijn aan te merken. Derhalve dient eiser aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder geen twijfels heeft geplaatst bij het asielrelaas van eiser. Aldus is door de gemachtigde van verweerder ter zitting desgevraagd uitdrukkelijk bevestigd.

Uitgaande van eisers asielrelaas, heeft verweerder zich naar dezerzijds oordeel op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de Iraanse autoriteiten vanwege zijn geloofsovertuiging. Uit de verklaringen van eiser kan niet blijken dat de autoriteiten op de hoogte waren van de aard van de bijeenkomst, die eiser ten tijde van de inval bijwoonde. Zo heeft eiser op pagina 20 van het nader gehoor verklaard dat hij geen idee had van de reden waarom de autoriteiten deze woning binnenvielen. Eiser heeft weliswaar het vermoeden geuit dat een vriend van hem, die normaliter ook de bijeenkomsten bijwoonde en nu niet bij de bijeenkomst aanwezig was, de personen aanwezig bij de bijeenkomst mogelijk verraden zou kunnen hebben, maar heeft dit vermoeden niet nader kunnen onderbouwen. Voorts valt niet uit de verklaringen van eiser op te maken dat er sprake was van een specifiek op de persoon van eiser gerichte aandacht van de zijde van de overheid. Zo heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte waren geraakt van zijn bijwonen van christelijke bijeenkomsten. Daarbij heeft eiser verklaard dat toen de autoriteiten, de woning waar de bijeenkomsten plaatsvonden, waren binnengetreden, eiser direct is ontsnapt door over de daken van woningen weg te rennen. Gezien zijn vlucht is het niet aannemelijk dat de autoriteiten eiser hebben kunnen identificeren. Dat eiser door de autoriteiten tijdens zijn vlucht is beschoten, leidt niet tot het oordeel dat er wel sprake was van negatieve aandacht van de Iraanse overheid voor eisers persoon. Verweerder heeft in redelijkheid aannemelijk kunnen achten, dat deze beschieting plaats heeft gevonden vanwege eisers vlucht en niet vanwege eisers persoon.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft besloten om eiser niet aan te merken als vluchteling in de zin van het Verdrag. Verweerder heeft derhalve terecht bepaald dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000.

Blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1998-1999, 26 732, nr.3 p.37-38) wordt een verblijfsvergunning verleend op de in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 genoemde grond ingeval de terugkeer van de vreemdeling in strijd zou komen met verplichtingen uit internationale verdragen op het gebied van de rechten van de mens waaronder artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), artikel 3 van het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (Anti-Folterverdrag) en artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

Ingevolge de genoemde artikelen dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene bij uitzetting een reëel risico loopt te worden onderworpen aan foltering dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Eiser heeft gesteld dat hij bij gedwongen terugkeer vreest te worden beschouwd als een afvallige van de Islam en dat dit voor hem reëel risico in voornoemde zin oplevert, daar hier krachtens de Shari’a de doodstraf op staat.

Voorop wordt gesteld dat, gezien de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas, niet in geding is, dat eiser in Iran reeds in de negatieve belangstelling van de autoriteiten heeft gestaan, zulks in verband met de (republiek)vlucht van zijn broers. Tevens is niet in geding dat eiser zich heeft bekeerd tot Jehova's getuige.

Ter zitting is voorts van de zijde van eiser onbestreden gebleven aangevoerd dat uit zijn geloofsovertuiging een zendingsverplichting voortvloeit op grond waarvan hij naar buiten dient te treden als Jehovagetuige en dient te trachten anderen tot het geloof te bekeren. Verder acht de rechtbank in dit verband nog het volgende van belang.

In het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, inzake Iran, van februari 2003, staat – voor zover ten dezen relevant – op pagina’s 31 en 32 over bekeringen het volgende vermeld:

“Bekeringen (…)

Complicaties als gevolg van zendingsdrang, kunnen zich voordoen bij “moderne” kerken, zoals de Pinkstergemeente (Assemblies of God) en evangelische kerken.

Deels zijn zij actief onder de traditionele christelijke kerken, maar zij zien er om principiële redenen niet van af eventuele moslim belangstellenden in hun midden welkom te heten. Hoewel op apostasie (Mortad) – ofwel afvalligheid van de islam –

volgens de Shari’a de doodstraf staat, zijn op dit moment geen signalen van vervolging van bekeerders en bekeerlingen in Iran waarneembaar. Zij die bekeren blijven tot een kwetsbare groep behoren. Moslims kunnen interessen tonen in het christendom, christelijke kerken bezoeken en bijbelonderricht volgen zonder dat dit hen op vervolging door de autoriteiten komt te staan. Hoewel de kerken zeer voorzichtig zijn met dopen van moslims, gebeurt dit toch op enige schaal. De kerken realiseren zich dat deze relatieve tolerantie van korte duur kan zijn. Er lijkt weinig voor nodig te zijn om de houding van de autoriteiten te doen omslaan.”

Bekeerde moslims

Tot het christendom bekeerde moslims kunnen maatschappelijk in principe probleemloos functioneren. De marges hierbij worden goeddeels bepaald door de mate waarin de betrokkenen met hun bekering in de openbaarheid treden. Of de

autoriteiten al dan niet op de hoogte zijn van de bekering van betrokkene, is in principe slechts van belang wanneer de bekeerling reeds om andere redenen dan zijn geloofsovergang in de negatieve belangstelling staat of komt te staan van de Iraanse autoriteiten. In dat geval kan de bekering als een verzwarende factor meewegen. Het enkele feit dat iemand zich heeft bekeerd leidt momenteel echter niet tot vervolging of anderszins negatieve aandacht van de zijde van de Iraanse autoriteiten.”

[onderstrepingen rechtbank]

Het bovenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder nader onderzoek en motivering op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet te vrezen heeft voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Immers bij terugkeer naar Iran zal eiser, gevolg gevend aan zijn geloofsverplichtingen, actief en wervend naar buiten treden, waardoor er, gezien de negatieve belangstelling die de autoriteiten in het verleden reeds voor hem koesterden in verband met de vlucht van zijn broers, genoegzame aanknopingspunten zijn om aannemelijk te achten dat eiser een reëel risico zal lopen om (opnieuw) onderworpen te worden aan foltering of een andere onmenselijke of vernederende behandeling. De rechtbank acht hierbij dan ook minder relevant verweerders stelling dat uit de informatie uit het Ambtsbericht blijkt dat afvalligheid (thans) niet wordt vervolgd en derhalve ook de doodstraf (thans) niet wordt opgelegd of uitgevoerd. Immers uit het Ambtsbericht blijkt ook dat 'het niet ondenkbaar is dat een bekeerde moslim, die om wat voor reden dan ook in aanraking komt met de politie, zich tevens voor zijn geloofsafvalligheid zal moeten verantwoorden.'. Voorts meldt het ambtsbericht dat het voor bekeerde moslims vaak moeilijk is om zich tot hogere autoriteiten te wenden voor rechtsbescherming of beroepsmogelijkheden.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder de weigering om aan eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te onthouden, ondeugdelijk en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

Ten aanzien van de vraag of verweerder aan eiser in redelijkheid een verblijfsvergunning op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, heeft kunnen onthouden, overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

De wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik pleegt te maken, is uiteengezet in hoofdstuk C1/4.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

Het zogenoemde traumatabeleid ziet op gevallen waarin de persoonlijke beleving van bepaalde gebeurtenissen voor een asielzoeker zodanig traumatiserend zijn geweest, dat van hem niet gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst.

Blijkens paragraaf C1/4.4.2.1 van dat hoofdstuk ziet het traumatabeleid, voorzover thans van belang, op traumatische ervaringen die zijn veroorzaakt van overheidswege, door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan, of door groeperingen waartegen de overheid niet in staat of niet willens is bescherming te bieden. Voorts moeten de gestelde traumatiserende gebeurtenissen aanleiding zijn geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. In beginsel wordt dit causale verband slechts aangenomen indien betrokkene het land binnen zes maanden na die gebeurtenissen heeft verlaten. Hieraan ligt de veronderstelling ten grondslag dat bij een later vertrek de betrokken asielzoeker zich blijkbaar heeft kunnen handhaven in het land van herkomst en daarom van hem of haar gevergd kan worden terug te keren naar het land van herkomst. Verweerder heeft eiser tegengeworpen dat de voor eiser traumatiserende gebeurtenissen voor het laatst hebben plaatsgevonden negen à tien maanden voor zijn vertrek uit Iran. Voorts stelt verweerder in het bestreden besluit dat uit eisers relaas niet gebleken is van feiten en omstandigheden waardoor hij niet binnen een termijn van zes maanden Iran heeft kunnen verlaten. Bovendien heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat voornoemde traumatische gebeurtenissen niet de aanleiding zijn geweest voor zijn vertrek. Van de zijde van verweerder is bij het bestreden besluit nog aangevoerd dat eiser zich in Teheran in relatieve rust heeft kunnen handhaven.

De rechtbank stelt voorop dat onbestreden gebleven vast staat dat de deplorabele geestestoestand van eiser een direct gevolg is van de martelingen die eiser in Iran heeft ondergaan. Verder stelt de rechtbank (nogmaals uitdrukkelijk) vast dat verweerder geen enkele kanttekening plaatst of heeft geplaatst bij eisers verklaringen, zodat evenzeer vast staat dat eiser meerdere malen is opgepakt en zwaar mishandeld door de Iraanse autoriteiten. Namens eiser is ter zitting door eisers broer in dit verband nog – onbestreden gebleven – verklaard dat eisers trauma het gevolg is van de martelingen die hij heeft ondergaan ten gevolge van de vlucht van eisers beide broers.

Ook eiser zelf heeft bij het nader gehoor er meerdere keren gewag van gemaakt dat hij getraumatiseerd is geraakt door martelingen en willekeurige detenties. De rechtbank stelt verder vast dat uit het verslag van het nader gehoor blijkt dat eiser (ook toen) in de war was en blijk gaf van psychische getroebleerdheid en achterdocht. Bij aanvang van het vervolg-nader gehoor, heeft eiser aangegeven dat hij zich in het geheel niet kon herinneren dat hij ooit een dergelijk gesprek (zijnde het eerste nader gehoor op 20 februari 2001) had gehad en/of wat daarvan de inhoud was geweest, en dat hij zich evenmin herinnerde eerder in het Centraal Behandelkantoor te 's-Hertogenbosch te zijn geweest. Ook zij er in dit verband op gewezen dat eiser zowel tijdens het eerste nader gehoor als bij het vervolg gehoor verklaard heeft een aantal medicijnen te gebruiken, waarvan naar dezerzijds oordeel gezegd dient te worden dat niet kan worden uitgesloten dat het gebruik van deze medicijnen maakt dat eiser niet in staat kon worden geacht de consequenties van zijn verklaringen te overzien, dan wel zelfs niet in staat was om helder en juist te verklaren. Daar komt nog bij dat uit het nader gehoor blijkt (pagina 21) dat eiser reeds in Mashhad onder behandeling stond van een psycholoog en in Teheran onder behandeling van een psychiater.

Onder deze omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser de termijn van zes maanden in redelijkheid niet heeft kunnen tegenwerpen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder gelet op het bovenstaande niet in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiser zich in Iran heeft kunnen handhaven. De enkele stelling van verweerder dat eiser zich in relatieve rust in Teheran heeft kunnen handhaven, kan de conclusie dat het causale verband tussen eisers vertrek uit Iran en de traumatische ervaringen ontbreekt, niet dragen. Alhoewel uit eisers verklaringen valt op te maken dat er in Teheran geen traumatische gebeurtenissen meer hebben plaatsgevonden, valt niet uit te sluiten dat de traumatische ervaringen die eiser eerder had meegemaakt in Mashhad, een zodanig effect op hem hebben gehad, dat hij zich, na het schietincident en de achtervolging, genoodzaakt zag te vertrekken uit Iran. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dan ook niet in redelijkheid heeft kunnen uitsluiten dat in het onderhavige geval de traumatische gebeurtenissen (mede) aanleiding zijn geweest voor eiser om zijn land te verlaten. Verweerder heeft door aldus te concluderen, onvoldoende acht geslagen op de totale context van het gehele nader gehoor, alsmede op de geestelijk instabiele toestand, waarin eiser ten tijde van het nader gehoor verkeerde.

Dat bij de correcties en aanvullingen de gewraakte passage niet is gecorrigeerd, acht de rechtbank gegeven de bijzondere omstandigheden van het geval niet van doorslaggevende betekenis. Immers wordt niet ontkend dat eiser een dergelijke verklaring heeft afgelegd, doch wordt getornd aan de waarde die aan deze verklaring gehecht zou moeten worden en aan de absoluutheid ervan.

Gezien het voorgaande heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat er geen causaal verband bestaat tussen de door eiser gereleveerde traumatische gebeurtenissen en eisers vertrek uit zijn land van herkomst. Dit maakt dat verweerders weigering om eiser een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 te verlenen, geen stand kan houden.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigd het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank aan de zijde van eiser begroot op € 644,-- zijnde de kosten van rechtsbijstand te vergoeden door de Staat der Nederlanden aan de griffier van de rechtbank Roermond;

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. Dassen in tegenwoordigheid van mr. M.M.G. Crompvoets, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juli 2003

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op: 30 juli 2003

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.