Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7999

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-05-2003
Datum publicatie
12-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/204702, 03/20073
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / beëindiging verstrekkingen / Sudan.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van verzoekers verklaringen met betrekking tot het verkrijgen van een geboorteakte dan wel van een identiteitsdocument. Voorts acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat dergelijke documenten door de Sudanese autoriteiten niet aan derden worden verstrekt. Vaststaat dat verzoeker uit Sudan een doopakte heeft kunnen verkrijgen, waaruit zijn identiteit en nationaliteit blijkt. De bevindingen en conclusie uit het rapport van taalanalyse heeft verzoeker bij zijn bezoeken aan de Sudanese ambassadeur niet kunnen overleggen. Deze feiten en omstandigheden hadden verweerder aanleiding dienen te geven tot twijfel aan de mededeling van de IND dat verzoeker onvoldoende inspanningen heeft gepleegd ter verkrijging van een reisdocument. Dat de Sudanese vertegenwoordiging afgifte van een reisdocument heeft geweigerd, leidt niet tot een ander oordeel. Vooralsnog zijn er voldoende aanknopingspunten aan te nemen dat het niet afgeven van een reisdocument niet aan verzoeker te wijten is. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

artikel 3a Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (Wet COA)

reg.nr: AWB 03/204702 COA H (voorlopige voorziening)

AWB 03 / 20073 COA H (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1973, van Sudanese nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr.I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam,

tegen: het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), gevestigd te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr. E.H.M. Velmans, werkzaam bij het COA.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 6 maart 2003 heeft verweerder de aan verzoeker in het kader van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (Rva 1997) toegekende verstrekkingen onmiddellijk beëindigd. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 1 april 2003 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 1 april 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht verweerder te verbieden de verstrekkingen op grond van het Rva 1997 te beëindigen voordat op het beroep is beslist. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek en ongegrondverklaring van het beroep.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 mei 2003. Ter zitting hebben verzoeker en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek geschorst omdat was gebleken dat verweerder niet beschikte over een volledig dossier. Nadat de voorzieningenrechter de ontbrekende stukken aan verweerder heeft toegezonden, zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader te bepalen. Verzoeker heeft bij schrijven van 2 mei 2003 een nader stuk aan de voorzieningenrechter gezonden. Verweerder heeft vervolgens zijn reactie op 7 mei 2003 aan de voorzieningenrechter doen toekomen. Verzoeker heeft hierop bij brief van 12 mei 2003 gereageerd. Nadien heeft de voorzieningenrechter het onderzoek, met toestemming van partijen zonder het houden van een nadere zitting gesloten.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan -onder meer- indien beroep bij de rechtbank is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Op grond van artikel 12 van de Wet COA kunnen regels gesteld worden met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen in een opvangcentrum. Dergelijke regels zijn neergelegd in de Rva 1997. Ingevolge artikel III van de Wijzigingsregeling Rva 1997 (Stcrt. 29 maart 2001, nr. 63, p.18) eindigen de verstrekkingen, in afwijking van artikel 8 Rva 1997 zoals dat sedert die wijzigingsregeling luidt, indien ten aanzien van de asielzoeker vóór 10 februari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist, een last tot uitzetting is gegeven en door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.

2.3 Op de beëindiging door verweerder van verstrekkingen ingevolge de Rva 1997 aan asielzoekers die op basis van het eerste asielverzoek rechtmatig verwijderbaar zijn en die een negatieve beschikking op het asielverzoek hebben ontvangen vóór 11 februari 2000, waarna geen andere negatieve beschikking op dit asielverzoek meer is gevolgd, is van toepassing de Herziene werkwijze Stappenplan III (Stcrt. 8 juli 2002, nr. 127, pag.7) (hierna te noemen: Herziene werkwijze). Op grond van de Herziene werkwijze wordt aan asielzoekers die tot de doelgroep behoren door de Vreemdelingendienst (VD) een vordering uitgereikt voor een terugkeergesprek bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Tijdens dat gesprek wordt onderzocht of de desbetreffende vreemdeling kan aantonen (mee) te hebben gewerkt c.q. nog steeds mee te werken aan terugkeer naar het land van herkomst conform het op 15 januari 1998 door de commissie Van Dijk uitgebrachte en door de regering overgenomen advies, waarin criteria zijn vervat om vast te stellen in welke gevallen er sprake is van niet-meewerken door afgewezen asielzoekers aan hun terugkeer. Indien de vreemdeling niet kan aantonen mee te werken aan zijn terugkeer of vertrek wordt het niet-meewerken door de IND vastgesteld. Nadat is geconcludeerd tot niet-meewerken zal het COA worden verzocht de voorzieningen te beëindigen. De vreemdeling wordt door COA gehoord om zijn zienswijze hieromtrent kenbaar te maken. Na een toets door de opvangverlenende instantie, die marginaal is voor wat betreft de constatering door de IND dat sprake is van niet-meewerken, wordt vervolgens de beëindigingbeschikking uitgereikt.

2.4 De volgende feiten blijken uit het dossier.

Nadat verzoeker Nederland is ingereisd in 1996, heeft hij op 25 mei 1996 een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij besluit van 31 juli 1997 is in bezwaar afwijzend beslist op deze aanvraag. Bij dat besluit is aan verzoeker medegedeeld dat hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Het beroep tegen laatstgenoemd besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 22 april 1999 gegrond verklaard, voor zover het was gericht tegen de weigering verzoeker in het bezit te stellen van een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv). Voor het overige is het beroep ongegrond verklaard. Bij besluit van 8 november 1999 is het bezwaar wederom ongegrond verklaard, waarbij aan verzoeker opnieuw is medegedeeld dat hij Nederland binnen vier weken moest verlaten. Het beroep tegen dit laatste besluit is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch van 15 december 2000 ongegrond verklaard. Op 29 mei 1997 en 8 november 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie een last tot uitzetting van verzoeker gegeven aan de korpschef te Brabant Zuid-Oost (de korpschef) respectievelijk de VD van het regiopolitiecorps Brabant Zuid-Oost. Voorts heeft de Staatssecretaris van Justitie bij brief van 11 april 2001 aan de korpschef medegedeeld dat er geen beletsel meer bestaat tegen de uitzetting van verzoeker. Op 2 december 2002 heeft de IND met verzoeker het zogeheten terugkeergesprek gevoerd. Vervolgens heeft verweerder verzoeker in een gesprek op 27 februari 2003 medegedeeld dat hij voornemens is de verstrekkingen ingevolge de Rva 1997 binnen korte termijn te beëindigen. In datzelfde gesprek heeft verzoeker zijn zienswijze hieromtrent kenbaar gemaakt. Bij besluit van 6 maart 2003 heeft verweerder tenslotte de aan verzoeker toegekende verstrekkingen ingevolge de Rva 1997 beëindigd.

2.5 In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen niet te twijfelen aan de constatering van de IND dat verzoeker niet, althans niet voldoende, heeft voldaan aan het meewerkcriterium in de zin van de Herziene werkwijze. Daarbij heeft verweerder onder meer het volgende in aanmerking genomen. Blijkens het verslag van het terugkeergesprek d.d. 2 december 2002 heeft verzoeker uitdrukkelijk verklaard niet te zullen terugkeren naar zijn land van herkomst. Weliswaar heeft verzoeker verklaard drie maal bij de Sudanese ambassade te zijn geweest, waarbij hij een aantal documenten heeft overgelegd, echter deze ambassade heeft aan verzoeker geen geldige reisdocumenten verstrekt. Ook heeft verzoeker contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM), echter dit heeft geen resultaat gehad. Voorts is van belang dat verzoeker geen contact heeft opgenomen met familie of kennissen in het land van herkomst ter verkrijging van identiteitsdocumenten. De stelling van verzoeker dat hij een Sudanees uit Venlo heeft benaderd om aan een geboorteakte te komen heeft verzoeker niet nader onderbouwd, hetgeen overigens ook niet heeft geleid tot enig resultaat.

2.6 Hiertegen heeft verzoeker het volgende aangevoerd. Naar aanleiding van een gesprek met de VD heeft verzoeker zich op 30 oktober 2001 gemeld bij de Sudanese autoriteiten. Nadien heeft verzoeker nog twee bezoeken gebracht aan de Sudanese autoriteiten, waaronder zijn vrijwillige presentatie op 30 januari 2002. Na de ontvangst van een doopverklaring van de katholieke kerk te Khartoum heeft verzoeker zich nogmaals gewend tot de Sudanese autoriteiten, echter zonder resultaat. Het laatste gesprek met consul van de Sudanese ambassade verliep niet voorspoedig. Aan verzoeker werd alle medewerking geweigerd wegens zijn christelijke geloofsovertuiging en zijn lidmaatschap van de politieke partij BIJA.

Voorts heeft verzoeker meegewerkt aan een taalanalyse. Uit het rapport van de taalanalyse blijkt dat verzoeker -in tegenstelling tot hetgeen de Sudanese ambassade heeft verklaard- uit Sudan afkomstig is. Bovendien blijkt uit dit rapport dat verzoeker het Arabisch niet alleen spreekt zoals dat in de regio waar verzoeker vandaan komt gebruikelijk is, maar ook dat zijn gedetailleerde weergave van de regio van herkomst correct is. Voorts heeft verzoeker steeds alle verklaringen van meewerken getekend en de stappen ondernomen die hem zijn voorgelegd. Ook is verzoeker op 25 oktober 2001 bij het IOM geweest, waar hij heeft aangegeven niet graag terug te willen keren naar zijn land van herkomst, maar hieraan wel te zullen meewerken. Daarnaast heeft verzoeker het Rode Kruis en Vluchtelingenwerk om hulp gevraagd. Het Rode Kruis heeft hem verwezen naar het Tracing Team, alwaar verzoeker heeft gevraagd te zoeken naar zijn broer, dan wel andere familieleden. Uit de inspanningen die verzoeker heeft verricht blijkt dat hij alles in het werk heeft gesteld om aan een reisdocument te komen.

Onder deze omstandigheden is onbegrijpelijk waarom de IND heeft geconstateerd dat sprake zou zijn van verwijtbaar niet meewerken. Ook is onbegrijpelijk waarom het COA het oordeel van de IND heeft gevolgd.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.7 Ter beantwoording ligt de vraag voor of - naar voorlopig oordeel - verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verstrekkingen ingevolge de Rva 1997 per 6 maart 2003 dienden te worden beëindigd. Bij de beantwoording van die vraag is het volgende van belang.

2.8 Volgens de criteria van het advies van de eerdergenoemde commissie van Dijk (hierna te noemen: het advies) is sprake van meewerken en voldoen aan de inspanningsverplichtingen indien de asielzoeker alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verlangd. In het onderhavige geval spitst de beoordeling, gelet op het bestreden besluit, de toelichting daarop in het verweerschrift, de onderliggende stukken van de IND en het verhandelde ter zitting, zich toe op de vraag of verzoeker alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden om vanuit Sudan aan documenten te komen teneinde van de Sudanese vertegenwoordiging hier te lande een reisdocument te verkrijgen.

2.9 Met betrekking tot de inspanningen van verzoeker komt uit het dossier het volgende naar voren.

a.

Blijkens een verslag van het op 21 januari 2002 gehouden gesprek met verzoeker in het kader van het stappenplan beëindiging ROA/RVA-voorzieningen heeft hij tijdens dit gesprek onder meer aangegeven dat het onmogelijk voor hem is terug te keren naar Sudan omdat hij christen is. Hij heeft echter alles gedaan om aan reisdocumenten te komen. Zo heeft verzoeker meerdere malen de Sudanese ambassade bezocht, waaronder een bezoek op 30 oktober 2001. De Sudanese consul is echter tegen christenen. Tevens is bij de ambassade bekend dat verzoeker lid is van de oppositiepartij BIJA, aldus verzoeker. Ook heeft verzoeker een verklaring overgelegd, gedateerd 30 oktober 2001 en afkomstig van de Sudanese ambassade, waaruit blijkt dat hij niet van Sudanese origine is en niet de Sudanese nationaliteit heeft. Voorts heeft verzoeker in oktober 2001 het IOM bezocht, alwaar hij een aanvraag om terugkeerinformatie heeft gedaan welke gedurende 30 dagen geldig was. Vervolgens is verzoeker niet meer naar het IOM teruggegaan, maar hij heeft ook niets meer van hen vernomen. Ook is verzoeker op 10 januari 2002 bij het Rode Kruis geweest. Tijdens het gesprek op 21 januari 2002 is afgesproken dat verzoeker nogmaals een bezoek zal brengen aan de Sudanese ambassade, ditmaal in gezelschap van de VD. Verder is afgesproken dat wanneer dan blijkt dat verzoeker de Sudanese nationaliteit heeft, een laissez-passer voor hem zal worden aangevraagd. Tenslotte heeft verzoeker tijdens het gesprek aangegeven dat hij zijn medewerking wil verlenen aan een taalanalyse.

b.

Op 30 januari 2002 heeft verzoeker wederom een bezoek aan de Sudanese ambassade gebracht, in gezelschap van een medewerker van de VD. Dit bezoek heeft opnieuw geresulteerd in een door verzoeker overgelegde verklaring, gedateerd 30 januari 2002, van de Sudanese autoriteiten dat verzoeker niet van Sudanese origine en nationaliteit is.

c.

Bij schrijven van 8 februari 2002 aan de VD te Amsterdam heeft de gemachtigde van verzoeker toegelicht dat verzoeker tijdens de presentatie moest tellen van 1 tot 10 en van 1 tot 20 en dat de ambassadeur, gelet op verzoekers uitspraak van de getallen 18 en 19 tot de slotsom kwam dat verzoeker uit Eritrea afkomstig was. Voorts is medegedeeld dat verzoeker doende is via vrienden in Sudan aan documenten over zijn nationaliteit en identiteit te komen, hetgeen erg moeilijk blijkt.

d.

Op 22 april 2002 is van verzoeker een taalanalyse afgenomen. In het daarvan opgemaakte rapport van 1 mei 2002 is vastgesteld dat verzoeker Arabisch spreekt zoals in Kassala (de stad waar verzoeker naar hij heeft gesteld vandaan komt) en omstreken gangbaar is. Enkele woorden spreekt hij uit met de tongval van Eritrea. Ook is er blijkens het rapport geen reden om te betwijfelen dat verzoeker tot één van de Beja-stammen behoort. Geconcludeerd is dat verzoeker eenduidig afkomstig is uit Sudan en dat het aannemelijk is dat hij tijdens de nomadische trektochten met zijn familie langere tijd in Eritrea heeft doorgebracht.

e.

Op 20 augustus 2002 heeft verzoeker opnieuw een bezoek gebracht aan de Sudanese ambassade, met het verzoek hem een reisdocument te verstrekken. Tijdens dit bezoek heeft verzoeker voornoemde doopakte aan de Sudanese autoriteiten overgelegd. Daarop heeft de Sudanese ambassade een door verzoeker overgelegde verklaring afgegeven, gedateerd 20 augustus 2002, inhoudende dat zijn verzoek om afgifte van een reisdocument wordt afgewezen.

f.

Bij brief van 13 november 2002, met diverse bijlagen, heeft verzoeker onder meer een doopakte overgelegd, afkomstig van de "Sts. Peter & Paul Parish" te Khartoum en gedateerd 13 juli 2002. Blijkens deze doopakte is verzoeker op 9 augustus 1973 in die parochie gedoopt.

g.

Op 2 december 2002 heeft het terugkeergesprek in het kader van de Herziene werkwijze plaatsgevonden. Blijkens het verslag van dit gesprek heeft verzoeker medegedeeld welke acties hij heeft ondernomen om een reisdocument te verkrijgen. Onder meer is door hem aangegeven dat hij geen mensen meer kent in Sudan. Zijn ouders zijn overleden en met zijn broer heeft hij geen contact. Via een genaturaliseerde Sudanees in Venlo, die hij uit het opvangcentrum in B kende, heeft hij geprobeerd om aan een geboorteakte te komen. Dit is echter niet gelukt, omdat hij daarvoor persoonlijk naar Sudan moet.

2.10 Ter zitting heeft verzoeker desgevraagd ter toelichting op de gedingstukken het volgende verklaard. Verzoekers vader was reeds bij zijn vertrek uit Sudan overleden, zoals hij ook in het nader gehoor naar aanleiding van zijn asielaanvraag reeds heeft verklaard. Met zijn moeder had hij geen briefcontact. Verzoeker is analfabeet. Via kennissen die naar Sudan gingen hielden zij 1 à 2 keer per jaar contact. Zijn moeder is twee jaar geleden overleden. Via het Rode Kruis heeft hij geprobeerd zijn broer te traceren. Hij heeft daar een gesprek gehad op 10 januari 2002. Hij heeft niets gehoord. Via kennissen is getracht een geboorteakte te verkrijgen. Dat is niet mogelijk, omdat je die persoonlijk moet afhalen. Het is uiteindelijk wel gelukt een doopakte te verkrijgen.

Door de gemachtigde van verzoeker is ter zitting een verklaring overgelegd van het Rode Kruis waarin bevestigd wordt dat verzoeker aldaar op 10 januari 2002 geweest is. Gesteld is dat deze verklaring evenals de verklaring van het IOM dat verzoeker daar op 25 oktober 2001 geweest is voor terugkeerinformatie reeds in een vroeg stadium aan de VD ter hand zijn gesteld en zich in dat dossier moeten bevinden.

2.11 De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van verzoekers verklaringen met betrekking tot het verkrijgen van een geboorteakte dan wel van een identiteitsdocument van de Sudanese autoriteiten in Sudan. Voorts acht de voorzieningenrechter, evenals verweerders gemachtigde ter zitting heeft verklaard, het aannemelijk dat dergelijke documenten door die autoriteiten niet aan derden worden verstrekt. Verzoeker was mitsdien aangewezen op andere gegevens ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit. Vaststaat dat verzoeker uit Sudan een doopakte heeft kunnen verkrijgen, waaruit (een begin van bewijs van) zijn identiteit en nationaliteit blijkt. De bevindingen en conclusie uit het rapport van taalanalyse, eenduidig wijzend op de Sudanese afkomst van verzoeker, heeft verzoeker bij zijn bezoeken aan de Sudanese ambassadeur hier te lande niet kunnen overleggen, aangezien hij daarover, ondanks verzoek aan de VD om een afschrift daarvan, niet tijdig de beschikking had, zoals blijkt uit het hierboven genoemde schrijven van 13 november 2002 van verzoekers gemachtigde. Deze feiten en omstandigheden hadden verweerder aanleiding dienen te geven tot twijfel aan de mededeling van de IND dat verzoeker onvoldoende inspanningen heeft gepleegd ter verkrijging van een reisdocument van de buitenlandse vertegenwoordiging van Sudan in Nederland.

2.12 Dat de Sudanese vertegenwoordiging niettemin afgifte van een reisdocument heeft geweigerd, leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel, naar ook uit het advies van de commissie van Dijk naar voren komt, daaraan in beginsel de conclusie verbonden kan worden dat de vreemdeling niet heeft meegewerkt, kan die conclusie in de onderhavige zaak in redelijkheid niet getrokken worden. Gelet op het bovenstaande zijn er vooralsnog voldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat het niet afgeven van een reisdocument niet aan verzoeker te wijten is. Daar komt nog het volgende bij. Uit een door de gemachtigde van verzoeker overgelegde brief van 2 april 2003 aan mevr. M. Kolenbrander van de VD te Amsterdam blijkt dat laatstgenoemde met verzoeker opnieuw naar de Sudanese vertegenwoordiging hier te lande is geweest. In de brief wordt aangegeven dat mevr. Kolenbrander telefonisch bevestigd heeft dat een medewerker van het consulaat zou hebben gezegd dat verzoeker wellicht uit Kassala afkomstig was en daar altijd had gewoond, maar dat hij afstamde van Ethiopische vluchtelingen, die geen Sudanees zijn en hij daarom geen paspoort krijgt. Hoewel deze informatie dateert van na het terugkeergesprek, zou die informatie steun bieden aan verzoekers eerdere verklaringen over de houding van de Sudanese vertegenwoordiging. De voorzieningenrechter heeft geen aanleiding gezien te voldoen aan het verzoek van de gemachtigde om mevr. Kolenbrander ter zitting als getuige te horen, nu gelet op al hetgeen overigens is overwogen, reeds tot een voorlopig oordeel kan worden gekomen.

2.13 Op grond van al het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de verstrekkingen aan verzoeker ingaande 6 maart 2003 dienen te worden beëindigd. Het belang van verzoeker bij continuering van de verstrekkingen hangende de behandeling van het bij de rechtbank aanhangige beroepschrift dient te prevaleren boven het belang van verweerder bij het beëindigen van de verstrekkingen. Het verzoek komt dan ook voor toewijzing in aanmerking.

2.14 De voorzieningenrechter acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:86 Awb.

2.15 In dit geval ziet de voorzieningenrechter aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe.

3.2 schorst de werking van het besluit van verweerder d.d. 6 maart 2003 totdat op het beroep is beslist;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- en bepaalt dat het COA deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2003, in tegenwoordigheid van mr. H.A. de Graaf als griffier.

afschrift verzonden op: 22 mei 2003

Coll:

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voorzover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, 's-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voorzover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.