Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7883

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-10-2003
Datum publicatie
06-04-2004
Zaaknummer
AWB 03/999 ABW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerster de aanvraag voor een uitkering voor levensonderhoud ingevolge de Algemene bijstandswet afgewezen omdat eiser een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, namelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2004, 83
JABW 2003, 238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ‘s-Gravenhage

sector bestuursrecht

tweede afdeling, meervoudige kamer

Reg. nr. AWB 03/999 ABW

UITSPRAAK

als bedoeld in artikel 8:77

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraak in het geding tussen

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.

Ontstaan en loop van het geding

Op 15 mei 2002 heeft eiser zich bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) gemeld voor een uitkering voor levensonderhoud ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), waarna op 21 mei 2002 een aanvraag is ingediend.

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen omdat eiser een beroep kan doen op een voorliggende voorziening, namelijk een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW).

Bij besluit van 12 juni 2002 heeft het UWV-GAK aan eiser medegedeeld dat op zijn aanvraag om een WW-uitkering van 31 januari 2002 afwijzend is beslist.

Op 1 juli 2002 heeft eiser opnieuw een aanvraag om een uitkering ingevolge de Abw bij verweerster ingediend. Bij besluit van 25 juli 2002 heeft verweerster deze uitkering met ingang van 1 juli 2002 toegekend.

Bij brief van 23 juli 2002, nader aangevuld bij brief van 12 augustus 2002, heeft eiser tegen het besluit van verweerster van 12 juni 2002 bezwaar gemaakt.

Eiser is op 9 oktober 2002 omtrent zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 24 januari 2003, verzonden 28 januari 2003, heeft verweerster de bezwaren van eiser gegrond verklaard en aan eiser alsnog een bijstandsuitkering in aanvulling op zijn inkomsten toegekend over de periode van 15 mei 2002 tot en met 30 juni 2002.

Bij brief van 10 maart 2003, door de rechtbank per fax ontvangen op 10 maart 2003, heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld. Bij brief van 14 maart 2003 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

Verweerster heeft de op het geding betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 1 oktober 2003. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.P. van der Spek. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N. Maas.

Motivering

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 24 januari 2003, in het bijzonder met betrekking tot de ingangsdatum van de toegekende uitkering, in rechte stand kan houden.

Volgens eiser dient de bijstandsuitkering met ingang van 1 februari 2002 te worden toegekend. Hij heeft zich op 7 februari 2002 bij het CWI gemeld en om een WW-uitkering per 1 februari 2002 verzocht, zijnde de ingangsdatum van zijn werkloosheid. Omdat deze WW-aanvraag is afgewezen dient, volgens eiser, zijn melding van 7 februari 2002 thans uitgangspunt te zijn voor zijn Abw-aanvraag. Volgens eiser was het beleid bij het CWI dat er geen bijstand kon worden aangevraagd als er WW-uitkering was aangevraagd. Eiser heeft weliswaar per 8 februari 2002 een deeltijdbaan aanvaard doch verdiende hiermee minder dan de bijstandsnorm. Eiser meldde zich op 15 mei 2002, wegens broodnood, opnieuw bij het CWI om bijstand aan te vragen.

Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

De rechtbank overweegt als volgt.

Met ingang van 1 januari 2002 is de Abw gewijzigd als gevolg van de invoering van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 624 en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, Stb. 2001, 625. Met artikel 76 onder E en Ha van deze Invoeringswet zijn de artikelen 63a en 68a, die betrekking hebben op de indiening van de aanvraag, de melding om bijstand en het moment waarop het recht op bijstand ontstaat, in de Abw ingevoerd.

Ingevolge artikel 63a, eerste lid, van de Abw is de aanvraag gericht tot burgemeester en wethouders en wordt deze ingediend bij het CWI. Na de overdracht van de aanvraag door het CWI aan burgemeester en wethouders wordt de aanvraag verder behandeld door burgemeester en wethouders.

Ingevolge artikel 68a, eerste lid, van de Abw wordt, indien door burgemeester en wethouders is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen.

Ingevolge artikel 68a, tweede lid, van de Abw, voor zover hier van belang, heeft de belanghebbende zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het CWI.

Niet in geschil is dat eiser zich op 7 februari 2002 bij het CWI heeft gemeld en op dezelfde datum een aanvraag om WW-uitkering per 1 februari 2002 heeft ingediend. Voorts is niet in geschil dat eiser zich op 15 mei 2002 opnieuw bij het CWI heeft gemeld en op 21 mei 2002 een aanvraag om bijstand heeft ingediend.

De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat eiser bij zijn melding om WW-uitkering heeft aangegeven niet over de noodzakelijke middelen van bestaan te beschikken. Er was dan ook geen aanleiding om zijn melding eveneens aan te merken als een verzoek om bijstand. De stelling van eiser dat het CWI geen aanvraag Abw inneemt zolang er een aanvraag voor een WW-uitkering loopt, is niet aannemelijk geworden. Immers, in het onderhavige geval is de aanvraag voor een Abw-uitkering wel aangenomen door het CWI en overgedragen aan verweerster, terwijl op dat moment de aanvraag voor een WW-uitkering nog in behandeling was.

Nu niet gebleken is dat eiser zich vóór 15 mei 2002 bij het CWI om bijstand heeft gemeld, staat het bepaalde in artikel 68a, eerste lid, van de Abw bijstandsverlening per eerdere datum in de weg. Verweerster heeft dan ook terecht en op goede gronden de bijstandsuitkering met ingang van 15 mei 2002 toegekend.

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

Verklaart het beroep ongegrond.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Aldus gegeven door mrs. M. Munsterman, C.C. de Rijke-Maas en C.J. Waterbolk en in het openbaar uitgesproken op 10 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,

Verzonden op: