Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7827

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-08-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/42685
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / kennisgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de intrekking van een met een beroep gelijk te stellen kennisgeving van het voortduren van bewaring zich niet met het systeem van de Vw 2000 althans zolang de bewaring niet is opgeheven. Artikel 96 Vw 2000 gaat uit van een beoogde periodieke toetsing van de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van bewaring. Op de minister rust de verplichting binnen vier weken na een uitspraak van de rechtbank kennis te geven van het voortduren van de vrijheidsontneming, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Nu deze verplichting is gekoppeld aan een uitspraak van de rechtbank kan een met een beroep gelijkgestelde kennisgeving van het voortduren van de maatregel van bewaring niet door eiser worden ingetrokken als de bewaring nog niet is opgeheven. Er volgt dus een uitspraak, zodat de termijn waarbinnen verweerder ambtshalve dient kennis te geven gewaarborgd is. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/42685 VRONTN S4

uitspraak: 20 augustus 2003

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren [...] 1983, [...] 1983, [...] 1979 of

[...] 1980,

van Ghanese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0301-05-2002,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Ter Apel,

eiser,

gemachtigde: mr. R.F.M. Hendriks, rechtshulpverlener te Arnhem,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: de heer G. Gersterkamp, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 23 juni 2003 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Naar aanleiding van een eerder ingediende kennisgeving heeft de rechtbank bij uitspraak van 9 juli 2003 het voortduren en de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig beoordeeld.

Namens verweerder is de rechtbank op 5 augustus 2003 op grond van artikel 96, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring, opgelegd bij besluit van 23 juni 2003. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

De rechtbank heeft kennis genomen van de brief van de gemachtigde van eiser d.d. 7 augustus 2003, waarbij het beroep is ingetrokken.

De zaak is behandeld ter zitting van 13 augustus 2003. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere kennisgeving feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die het (voortduren van) de bewaring onrechtmatig maken. Hierbij is mede van belang of nog voldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Namens verweerder is betoogd dat eiser - nu hij het beroep heeft ingetrokken - geen (proces)belang meer heeft bij een beoordeling van het voortduren van de bewaring.

Naar het oordeel van de rechtbank verdraagt de intrekking van een met een beroep gelijk te stellen kennisgeving van het voortduren van bewaring zich niet met het systeem van de Vw 2000 althans zolang de bewaring niet is opgeheven. Artikel 96 Vw 2000 gaat uit van een beoogde periodieke toetsing van de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel van bewaring. Op de Minister berust de verplichting om binnen vier weken na een uitspraak van de rechtbank kennis te geven van het voortduren van de vrijheidsontneming, tenzij de vreemdeling voordien zelf beroep heeft ingesteld. Nu deze verplichting is gekoppeld aan een uitspraak van de rechtbank kan een met een beroep gelijkgestelde kennisgeving van het voortduren van de maatregel van bewaring niet door eiser worden ingetrokken als de bewaring nog niet is opgeheven. Het beroep wordt derhalve niet als ingetrokken beschouwd. Er volgt dus een uitspraak, zodat de termijn waarbinnen verweerder ambtshalve dient kennis te geven als vorenbedoeld gewaarborgd is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder de uitzetting met voldoende voortvarendheid voorbereidt en dat thans nog voldoende zicht op uitzetting van eiser bestaat. Hierbij acht de rechtbank van belang dat er op 17 juli 2003 een aanvraag tot afgifte van een laissez passer is ingediend bij de Ghanese autoriteiten. De presentatie in persoon heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2003. Tijdens de presentatie heeft eiser aangegeven afkomstig te zijn uit Sierra Leone, hetgeen voor de Ghanese vertegenwoordiging aanleiding vormde de LP-aanvraag niet in behandeling te nemen. Om deze reden zal verweerder eiser op 14 augustus 2003 nogmaals horen.

Voldoende is gebleken dat de gronden van de bewaring nog steeds bestaan. Ook overigens zijn de rechtbank geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan de maatregel dan wel de tenuitvoerlegging daarvan onrechtmatig moet worden geacht.

Het bovenstaande brengt mee dat de toepassing en tenuitvoerlegging van de maatregel niet in strijd zijn met de Vreemdelingenwet 2000 noch bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd zijn.

Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

-verklaart het beroep ongegrond.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Boxum, rechter, in tegenwoordigheid van B. de Vogel als griffier en uitgesproken op 20 augustus 2003.

Afschrift verzonden: 21 augustus 2003