Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7669

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-06-2003
Datum publicatie
09-12-2003
Zaaknummer
AWB 03/28946, 03/28949
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas.

Verweerder heeft in het bestreden besluit verzoeker tegenstrijdige verklaringen tegengeworpen. Ter zitting heeft verweerder gesteld dat deze tegenstrijdigheden niet langer worden tegengeworpen. De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de ter zitting niet langer gehandhaafde primaire tegenwerpingen van verweerder, uiteindelijk resulterend in de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, invloed hebben gehad op de verdere beoordeling van de betekenis van dat relaas. Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich, op basis van de huidige stand van zaken, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 28946 BEPTDN H (voorlopige voorziening)

AWB 03 / 28949 BEPTDN H (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1983, staatloos, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoeker,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.B. Klaus, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 16 mei 2003 (IND nr 0305.13.0163) is de door verzoeker op 13 mei 2003 ingediende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker op 16 mei 2003 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 16 mei 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 mei 2003. Ter zitting is verzoeker verschenen, bijgestaan door mr. L.B. Vellenga-van Nieuwkerk, advocaat te Alkmaar. Verweerder is verschenen bij bovengenoemde gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

2.2 Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (verder te noemen ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn asielaanvraag -kort samengevat- het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de Palestijnse bevolkingsgroep en is afkomstig uit Libanon. Hij heeft Libanon verlaten omdat hij bedreigd werd door aanhangers van Abu Mahjal door zijn handel in pornografische video's en cd's.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.6 Ingevolge artikel 29 Vw kan een verblijfsvergunning asiel - onder meer - worden verleend aan de vreemdeling die een verdragsvluchteling is, die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, of voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.7 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitpapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.8 Verzoeker beschikt niet over documenten die zijn identiteit, reisverhaal en asielrelaas kunnen ondersteunen. Hij heeft verklaard dat hij het door hem tijdens zijn reis gebruikte paspoort en zijn vliegtickets na zijn reis heeft verscheurd omdat hij bang was. Verweerder heeft terecht geoordeeld dat dit geen verschoonbare reden is en dat het verzoekers eigen verantwoordelijkheid is om te zorgen dat hij zijn aanvraag met documenten kan ondersteunen. Verweerder mocht derhalve het ontbreken van documenten aan verzoeker toerekenen en mocht hieraan de conclusie verbinden dat een en ander afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.9 Indien zich een van de omstandigheden, zoals opgesomd in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw, voordoet, dan mogen ingevolge artikel 31 van de Vw, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan ook een positieve overtuigingskracht uitgaan (zie uitspraak ABRvS 8 mei 2003, no. 200301405/1).

2.10 Verweerder heeft in het bestreden besluit aan verzoeker tegengeworpen dat hij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de periode dat hij ondergedoken zou hebben gezeten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat dit ten onrechte is geschied en dat deze tegenstrijdigheid niet meer wordt tegengeworpen.

2.11 Verweerder heeft in het bestreden besluit vervolgens gesteld dat het volstrekt onaannemelijk is dat betrokkene, die met de dood zou zijn bedreigd en zich naar zijn eigen zeggen niet meer in het openbaar zou durven hebben ophouden en zou zijn ondergedoken op een lokatie buiten het vluchtelingenkamp, desalniettemin tot aan zijn vertrek zou zijn blijven werken in een schoenenwinkel binnen het kamp. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat dit ten onrechte als zodanig is opgenomen in het bestreden besluit, nu uit nadere lezing van het nader gehoor blijkt dat verzoeker heeft verklaard dat de schoenenwinkel zich buiten het kamp bevond.

2.12 In het bestreden besluit heeft verweerder nog een aantal andere opmerkingen gemaakt over de aannemelijkheid van hetgeen verzoeker heeft verklaard. Deze opmerkingen zijn gemaakt “in het verlengde van het voorgaande ..”, zijnde de tegenwerpingen die hiervoor onder 2.10 en 2.11 zijn omschreven en door verweerder niet zijn gehandhaafd.

2.13 De voorzieningenrechter sluit niet uit dat de – ter zitting niet langer gehandhaafde - primaire tegenwerpingen van verweerder, uiteindelijk resulterend in de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, invloed hebben gehad op de verdere beoordeling van de betekenis van dat relaas (zie bijvoorbeeld uitspraak ABRvS 22 april 2003, no. 200301024/1). Op grond hiervan is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder zich, op basis van de huidige stand van zaken, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas ongeloofwaardig is.

2.14 Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 Awb en heeft verweerder de aanvraag ten onrechte in het kader van de ac-procedure afgewezen. Het beroep tegen het afwijzende besluit op de asielaanvraag van verzoeker zal dan ook gegrond worden verklaard. Hetgeen overigens door partijen is aangevoerd hoeft geen bespreking meer.

2.15 Gegeven deze beslissing bestaat geen aanleiding meer voor toewijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

2.16 De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op € 966,-- (1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2003;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van 13 mei 2003;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 966,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P. Smit, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Lee als griffier.

Afschrift verzonden op: 4 juni 2003

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.