Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7326

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/58714
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Verzet / indienen gronden / verlenging termijn.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk is verklaard. Het CIV heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening abusievelijk zowel aan de rechtbank ’s-Gravenhage als aan de zittingsplaats Rotterdam doorgeleid. Mede gezien de door de rechtbank ’s-Gravenhage toegestane verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden en de datum van de brief van de zittingsplaats Rotterdam, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd en waarin is medegedeeld de gronden van het beroep binnen vier weken in te dienen, heeft gemachtigde van opposant kunnen concluderen dat het beroep niet langer door de rechtbank ’s-Gravenhage zou worden behandeld. Tevens mocht de gemachtigde ervan uitgaan dat de termijn voor het indienen van de gronden de termijn is geworden zoals die is gesteld in de brief van de zittingpltaats Rotterdam. De gemachtigde heeft de gronden van het beroep binnen de door de zittingsplaats Rotterdam gestelde termijn bij de zittingsplaats Rotterdam ingediend. Verzet gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:55 Algemene wet bestuursrecht

__________________________________________________

Reg.nr.: AWB 02/58714 VRWET

Inzake : A, opposant, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam.

I. OVERWEGINGEN

1. Bij uitspraak van deze rechtbank van 27 september 2002 is het beroep van opposant (met bovengenoemd registratienummer) met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard.

Op 11 oktober 2002 heeft opposant verzet gedaan tegen deze uitspraak.

2. In dit geding dient te worden beoordeeld of de rechtbank genoemd beroep van opposant terecht met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3. In verzet heeft opposant, samengevat en voor zover van belang, aangevoerd dat de termijn voor het indienen van de gronden van het beroep door de rechtbank 's-Gravenhage is verlengd tot en met 19 september 2002. Bij brieven van de rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Rotterdam van 17 september 2002 is de ontvangst van het beroepschrift en het verzoekschrift tot het treffen van een voorlopige voorziening bevestigd. In beide brieven is tevens vermeld dat de gronden van het beroep en van het verzoek binnen vier weken na dagtekening van deze brief bij de rechtbank 's-Gravenhage zittingsplaats Rotterdam dienen te worden ingediend. Gemachtigde van opposant heeft uit deze brieven afgeleid dat de behandeling van het beroep en het verzoek door de rechtbank 's-Gravenhage was overgedragen aan de rechtbank te Rotterdam en dat laatstgenoemde rechtbank een nieuwe termijn had gesteld voor het indienen van de gronden van het beroep. Gemachtigde heeft derhalve geen gronden van het beroep ingediend bij de rechtbank 's-Gravenhage.

4. De rechtbank is gelet op de stukken en hetgeen opposant in verzet heeft aangevoerd van oordeel dat het beroep ten onrechte met toepassing van artikel 8:54 Awb niet-ontvankelijk is verklaard. Zij overweegt daartoe dat het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken te Haarlem het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening abusievelijk zowel aan de rechtbank 's-Gravenhage als aan de rechtbank 's-Gravenhage zittinghoudende te Rotterdam heeft doorgeleid. Mede gezien de bij schrijven van 3 september 2002 door de rechtbank 's-Gravenhage toegestane verlenging van de termijn voor het indienen van de gronden tot en met 19 september 2002 en de datum van het schrijven van de rechtbank Rotterdam - 17 september 2002 -, waarin de ontvangst van het beroepschrift is bevestigd en waarin is medegedeeld de gronden van het beroep binnen vier weken in te dienen heeft gemachtigde van opposant kunnen concluderen dat het beroep niet langer door de rechtbank 's-Gravenhage zou worden behandeld. Tevens mocht gemachtigde er vanuit gaan dat de termijn voor het indienen van de gronden de termijn is geworden zoals die is gesteld in het schrijven van de rechtbank Rotterdam van 17 september 2002. Gemachtigde heeft de gronden van het beroep binnen de door de rechtbank Rotterdam gestelde termijn bij de rechtbank Rotterdam ingediend.

5. Het verzet is derhalve gegrond. Dit betekent dat de uitspraak vervalt en dat het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.

II. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het verzet gegrond.

Aldus gedaan door mr. M. van Nooijen en in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M van Fessem, griffier.

afschrift verzonden op: 23 juni 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.