Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AN7307

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/37816
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / zicht op uitzetting.

De vrijheidsontnemende maatregel duurt ten tijde van het onderzoek ter zitting bijna tien maanden. In beginsel geldt dat na zes maanden het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. De rechtbank is van oordeel dat het belang van eiser bij opheffing van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van verweerder. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser wederom gepresenteerd zou worden bij de Ghanese autoriteiten. De consul van Ghana heeft de afspraak echter afgezegd. Uit de aanvullende stukken van verweerder is gebleken dat eiser zeer waarschijnlijk alsnog gepresenteerd zal worden, maar er is nog geen definitieve datum bekend. Nu verweerder geen duidelijkheid kan verschaffen over een definitieve datum van presentatie, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd is. Het zicht op uitzetting is komen te vervallen. Dat eiser onvoldoende medewerking aan het identiteitsonderzoek heeft verleend doet daaraan niet af. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/37816 VRONTN S4

uitspraak: 18 juli 2003

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1980,

van Sierraleoonse nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0109.05.6059,

alias A,

thans verblijvende in het huis van bewaring te Ter Apel,

eiser,

gemachtigde: mr. H. Meijerink, advocaat te Meppel,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: dhr. P. van Dam, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 september 2002 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid aanhef, onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Naar aanleiding van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op 19 september 2002 is de maatregel van bewaring bij besluit van 19 september 2002 voortgezet op de voet van artikel 59, eerste lid aanhef, onder b Vw 2000.

Bij beschikking van 29 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser waaraan hij rechtmatig verblijf ontleende, afgewezen en is de bewaring bij besluit van 30 oktober 2002 voortgezet op de voet van artikel 59, eerste lid aanhef, onder a, Vw 2000.

Naar aanleiding van een eerder ingediende kennisgeving heeft de rechtbank bij uitspraak van laatstelijk 12 juni 2003 het voortduren en de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring niet onrechtmatig beoordeeld.

Namens verweerder is de rechtbank op 9 juli 2003 op grond van artikel 96, vijfde lid, Vw 2000 in kennis gesteld van het voortduren van de maatregel van bewaring, opgelegd bij besluit van 17 september 2002. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring.

Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, op 16 juli 2003 ter zitting gehoord.

Ter zitting was een tolk in de Engelse taal aanwezig.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken over de datum waarop eiser zal worden gepresenteerd bij de Ghanese autoriteiten. Zowel de rechtbank als de gemachtigde van eiser hebben kennis genomen van de op 16 juli 2003 binnengekomen aanvullende stukken van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft op 17 juli 2003 op deze aanvullende stukken gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat de nadere zitting achterwege blijft, nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Thans is aan de orde de vraag of zich sedert de sluiting van het onderzoek ter zake van de eerdere kennisgeving feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die het (voortduren van) de bewaring onrechtmatig maken. Hierbij is mede van belang of nog voldoende zicht bestaat op uitzetting van eiser.

Namens eiser is ter zitting en bij brief van 17 juli 2003 aangevoerd dat er nog steeds geen duidelijkheid bestaat omtrent de datum waarop eiser bij de Ghanese autoriteiten gepresenteerd zal worden. Gezien de lange duur van de bewaring weegt het belang van eiser thans zwaarder dan het belang van verweerder. Gelet op het vorenstaande dient de bewaring opgeheven te worden.

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de Vreemdelingenwet geen maximum stelt aan de duur van de bewaring van vreemdelingen als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef, onder a, Vw 2000. Dit betekent evenwel niet dat de bewaring onbeperkt zou mogen voortduren. Vaststaat dat de vrijheidsontnemende maatregel, die op 17 september 2002 is aangevangen, ten tijde van het onderzoek ter zitting bijna tien maanden duurt. In beginsel geldt dat na zes maanden het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring in het algemeen zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting nog in bewaring te houden. Wanneer het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring aanmerkelijk groter is dan in het algemeen van belang is, kan deze termijn van zes maanden worden overschreden. Blijkens de uitspraak van de Rechtseenheidskamer van deze rechtbank van 21 augustus 1997 (Awb nrs. 97/4847 en 97/4849) is daarvan onder meer sprake wanneer sprake is van ongewenstverklaring of zware criminele antecedenten, of wanneer de vreemdeling het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert, of de vreemdeling één of meer procedures ter verkrijging van een verblijfstitel is gaan voeren met het kennelijke doel om de uitzetting dan wel de verkrijging van een reisdocument te vertragen.

In casu is de rechtbank van oordeel dat het belang van eiser bij opheffing van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van verweerder om eiser ter fine van uitzetting nog in bewaring te houden. In dit verband acht de rechtbank het volgende van belang. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat eiser op 16 juli 2003 wederom gepresenteerd zou worden bij de Ghanese autoriteiten. De consul van Ghana heeft deze afspraak echter afgezegd. Uit de aanvullende stukken van verweerder is gebleken dat eiser zeer waarschijnlijk in week 31 gepresenteerd zal worden, maar dat er nog geen definitieve datum bekend is. Nu verweerder geen duidelijkheid kan verschaffen over er een definitieve datum van presentatie, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring niet langer gerechtvaardigd is, omdat het zicht op uitzetting is komen te vervallen. De omstandigheid dat eiser onvoldoende medewerking aan het identiteitsonderzoek heeft verleend, doet aan het vorenstaande niet af.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat de bewaring thans niet meer gerechtvaardigd is en gelast daarom over te gaan tot opheffing van de bewaring.

Het beroep dient derhalve gegrond te worden verklaard.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A. Hut als griffier en uitgesproken op 18 juli 2003.

w.g. A. Hut w.g. B.I. Klaassens

Afschrift verzonden: 23 juli 2003