Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM7767

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-06-2003
Datum publicatie
13-11-2003
Zaaknummer
AWB 01/1391
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kroatië / minderheid / vvtv.

Verweerder is verzocht informatie over de beschikkingspraktijk ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die of behoren tot etnische minderheidsgroepen, of afstammelingen zijn van ouders van verschillende etnische afkomst, toegespitst op de periode van 8 november 1994 tot 29 oktober 1996. Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat geen sprake is geweest van een bijzondere gedragslijn ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die behoren tot genoemde groepen in die zin dat aan deze vreemdelingen altijd een vvtv werd verleend. Verweerder heeft zijn stelling dat deze groepen aandachtsgroepen waren, waarbij een indicatie gold voor het verlenen van een vtv, voldoende onderbouwd. Eiser heeft het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar een advies van de ACV en de uitspraak AWB 97/3633 d.d. 27 oktober 1997, kan niet slagen nu verweerder ten aanzien van deze zaken gemotiveerd heeft aangegeven dat geen sprake is van gelijke gevallen. Deze motivering kan de rechterlijke toets doorstaan. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 01/1391 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Kroatische nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. J.G. Wiebes, advocaat te Dronten,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.Th. Moerkoert, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 16 februari 1998 heeft eiser bij de korpschef van de regiopolitie Noord-Holland-Noord een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf met als doel „klemmende redenen van humanitaire aard“. Bij besluit van 30 oktober 1998 heeft verweerder deze aanvraag niet ingewilligd. Bij bezwaarschrift van 27 november 1998 heeft eiser tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 21 december 1998. Het bezwaar is bij besluit van 11 februari 1999 ongegrond verklaard. Bij beroepschrift van 11 maart 1999 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is bij uitspraak van 17 april 2000 door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard, waarbij is bepaald dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak. Op 21 september 2000 is eiser gehoord door een ambtelijke commissie. Het bezwaar is bij besluit van 18 december 2000 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 11 januari 2001 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 15 februari 2001. Op 14 februari 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 15 mei 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2002. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A.M.G. van Riel, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

4. De rechtbank heeft bij beslissing van 23 augustus 2002 bepaald dat het onderzoek wordt heropend. Bij brief van 27 september 2002 heeft de rechtbank verweerder verzocht om nadere inlichtingen. Verweerder heeft bij brief van 18 november 2002 inlichtingen verschaft. Eiser heeft daarop gereageerd bij brief van 28 februari 2003.

5. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting op 19 maart 2003 voortgezet. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

6. Bij beslissing van 26 maart 2003 heeft de rechtbank bepaald dat het onderzoek wordt heropend teneinde nadere inlichtingen van verweerder in te winnen. Verweerder heeft bij brief van 7 april 2003 inlichtingen verschaft. Eiser heeft hierop gereageerd bij brief van 10 april 2003. Het onderzoek is, met toestemming van partijen de zaak zonder nadere zitting af te doen, op 23 april 2003 gesloten.

II. FEITEN

1. Op 8 november 1994 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Bij bezwaarschrift van 1 juni 1995 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen. Bij besluit van 11 oktober 1995 zijn de aanvragen niet ingewilligd. Het hiertegen ingediende bezwaarschrift van 8 november 1995 is bij besluit van 9 mei 1996 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 5 november 1996 is het hiertegen ingediende beroepschrift van 6 juni 1996 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 7:2 en 7:3 van de Awb. De rechtbank heeft daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, nu verweerder zich met recht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen vluchteling is en dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat eiser bij terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd zou kunnen opleveren met het bepaalde in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Bovendien is niet gebleken van overige klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan aan eiser verblijf hier te lande zou moeten worden toegestaan.

2. Bij uitspraak van 17 april 2000 heeft de rechtbank geconstateerd dat de aanvraag van 16 februari 1998 deels een verzoek om terug te komen op het besluit van 9 mei 1996 betreft en deels een nieuwe aanvraag om toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard is. Ten aanzien van het verzoek om terug te komen op een eerder besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat een dergelijk verzoek niet kan worden beschouwd als een (nieuwe) aanvraag en dat verweerder eisers verzoek dan ook ten onrechte met toepassing van het bepaalde in artikel 4:6 heeft afgewezen. Met betrekking tot de aanvraag om toelating heeft de rechtbank geoordeeld dat verweerder, gelet op de omstandigheid dat in het besluit in primo is overwogen dat er geen sprake is van andere klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan eiser in aanmerking komt voor een verblijfstitel, kennelijk een deel van eisers aanvraag niet heeft aangemerkt als zijnde een herhaalde aanvraag. Nu eiser in de bezwaarfase in het kader van zijn nieuwe aanvraag een beroep heeft gedaan op zijn inburgering in de Nederlandse samenleving en op de Amnestiewet heeft verweerder ten onrechte nagelaten in het besluit van 11 februari 1999 hierop in te gaan. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw zal dienen te beslissen op het bezwaarschrift.

3. De rechtbank heeft bij uitspraak van 17 april 2000 beslist op het verzoek van eiser van 12 april 1999 om herziening van de uitspraak van 5 november 1996. Daarbij heeft de rechtbank het verzoek om herziening niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank, rekening houdend met alle daarvoor in aanmerking komende omstandigheden, geen bevredigende verklaring heeft gevonden voor het late tijdstip van indiening van het herzieningsverzoek.

4. Eiser is van 21 januari 1996 tot 1 september 2000 in het bezit geweest van een vergunning tot verblijf met als doel „studie“.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een vergunning tot verblijf.

In de uitspraak van de rechtbank van 5 november 1996 is ingegaan op de afstamming van eiser en van zijn ouders. Daarmee is toepassing gegeven aan het toelatingsbeleid zoals uitgewerkt in het werkdocument voor de afdoening van zaken van voormalige Joegoslaven van april 1994 en de werkinstructie 49 van 19 februari 1996. Eiser is derhalve niet in zijn belangen geschaad door het op dat moment niet openbaar zijn van deze documenten. Nu geconcludeerd kan worden dat de documenten wel degelijk zijn betrokken in de asielprocedure komt het besluit van 9 mei 1996 niet in aanmerking voor heroverweging.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de Amnestiewet niet wordt uitgevoerd dan wel op een zodanige wijze wordt uitgevoerd dat hij hierop vanwege zijn Servische afkomst geen effectief beroep zou kunnen doen. Eiser heeft niet aan de zijde van de Kroatische Serviërs gestreden, maar heeft tussen mei 1992 en maart 1993 zijn dienstplicht vervuld in het Kroatische regeringsleger. Eiser is niet uit het Kroatische leger gedeserteerd. Eiser heeft geen oorlogsmisdaden gepleegd en valt derhalve niet onder de uitsluitinggrond van artikel 3 van de Amnestiewet.

De omstandigheid dat eiser meer dan zes jaar in Nederland verblijft, dat hij verregaand is geïntegreerd, de Nederlandse taal beheerst en Nederlandse vrienden heeft, vormt onvoldoende grond om hem verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard toe te staan. De inburgering heeft voorts deels plaats gevonden op basis van een verblijfvergunning met een tijdelijk karakter. Eiser kan bij terugkeer in Kroatië een beroep doen op zijn ouders. De omstandigheid dat eiser het nieuwe land Kroatië geheel niet kent vormt onvoldoende reden om hem hier te lande verblijf toe te staan. Eiser heeft tot zijn achttiende levensjaar in Kroatië gewoond en dit land pas jaren na de onafhankelijkheid verlaten. Gelet op zijn leeftijd kan eiser in staat worden geacht zich in Kroatië staande te houden. Eiser kan in Kroatië zijn voordeel doen met zijn in Nederland gevolgde opleiding. De omstandigheid dat het voor eiser hier te lande makkelijker is om werk te vinden vormt onvoldoende reden om hem verblijf toe te staan.

Voor zover eiser een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel kan dit beroep niet worden gehonoreerd, omdat eiser niet heeft aangegeven in hoeverre sprake is van gelijke gevallen.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte een vergunning tot verblijf heeft geweigerd. Bij zijn aanvraag heeft eiser een beroep gedaan op de werkinstructie nummer 49 en verwezen naar de volgende stukken:

- een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingplaats Zwolle, van 25 juli 1997 AWB 97/1840 Vrwet

- een beschikking van 20 december 1997 waarin overeenkomstig het beleid een vergunning tot verblijf is verleend

- een advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV) waarin melding wordt gemaakt van de door verweerder gevoerd bijzondere gedragslijn

- een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittingplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 oktober 1997, AWB 97/3633 VRWET, en de beschikking waarin aan de vreemdeling op wie deze uitspraak betrekking heeft een vergunning tot verblijf is verleend.

Verweerder had het speciale toelatingsbeleid op grond van het werkdocument voor de afdoening van zaken van voormalige Joegoslaven van april 1994 en de werkinstructie 49 ten tijde van de asielprocedure van eiser niet bekend gemaakt. De rechtbank was ten tijde van de uitspraak van 5 november 1996 niet bekend met de inhoud van de documenten. In de besluitvorming van verweerder in het kader van de asielprocedure van eiser blijkt op geen enkele wijze van een toetsing aan voornoemde documenten. Eiser had op grond van voornoemd beleid in aanmerking dienen te komen voor een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Hierbij wordt verwezen naar een overgelegde uitspraak van deze rechtbank van 23 juni 1999 (AWB 96/13864 VRWET) ten aanzien van het werkdocument van oktober 1993. In het ten tijde van eisers asielaanvraag geldende werkdocument van april 1994 is bepaald dat aan Kroaten die stellen als gevolg van hun Servische afkomst in Kroatië problemen te hebben ondervonden daarom een vergunning tot verblijf kan worden verleend. De werkinstructie 49 gold ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 9 mei 1996. In deze werkinstructie is het volgende bepaald:

„ Indicaties vtv-humanitair“:

Etnische minderheidsgroepen die een verhoogd risico lopen voor meer ernstige vormen van discriminatie, bijvoorbeeld etnische Serviërs uit de Krajina voor wie vestiging elders (bijvoorbeeld in de Federale Republiek Joegoslavië) niet mogelijk is;

Afstammelingen van ouders van verschillende etnische afkomst.

Hieruit blijkt dat voor afstammelingen van ouders van verschillende etnische afkomst een indicatie voor het verlenen van een vergunning tot verblijf geldt en dat daarbij anders dan bij de categorie genoemd onder a. niet blijkt van enige toetsingsruimte. Op grond van eisers problemen en zijn gemengde afkomst had verweerder hem in het bezit dienen te stellen van een vergunning tot verblijf.

Eiser heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer in Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling die strijdig is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft zich wel degelijk ontrokken aan de militaire dienst. Hem wacht een bestraffing wegens dienstweigering. Op basis van de amnestiewetgeving dient een bestraffing in beginsel achterwege te blijven, maar eiser heeft middels de overgelegde rapportages aangetoond dat juist in geval van dienstweigeraars van Servische afkomst niet kan worden uitgesloten dat de amnestiewetgeving niet zal worden toegepast.

Eiser is volledig geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Het is niet relevant dat eiser in het bezit is geweest van een tijdelijke verblijfstitel. Verweerder hanteert een onjuist criterium en dient te onderzoeken of de integratie van eiser in de Nederlandse samenleving om humanitaire redenen aan zijn terugkeer in de weg staat. Eiser heeft een opleiding gevolgd waarmee hij met name in Nederland zijn voordeel kan doen. Hij is de situatie in Kroatië volledig ontwend. Het vooroorlogse Kroatië bestaat niet langer.

Eiser heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel wel degelijk onderbouwd. Hij heeft diverse malen toegelicht dat sprake is van gelijke gevallen. Het betrof zaken van asielzoekers van Kroatische nationaliteit van etnisch gemengde afkomst aan wie op grond van de genoemde werkdocumenten een vergunning tot verblijf is verleend zonder beperkingen. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel tot stand gekomen.

3. In het verweerschrift heeft verweerder in aanvulling op het bestreden besluit nog opgemerkt dat de enkele omstandigheid dat in het besluit in primo van 11 oktober 1995 en het besluit op bezwaar van 9 mei 1996 niet expliciet is verwezen naar het werkdocument van april 1994 of de werkinstructie 49 niet betekent dat hieraan in deze besluiten niet is getoetst. Uit de besluiten blijkt immers dat wel degelijk is ingegaan op de door eiser gestelde problemen ten gevolge van zijn gemengde etnische afkomst. De passage welke eiser aanhaalt uit het werkdocument van april 1994 is op eiser niet van toepassing. Nu eiser zich beroept op zijn gemengde afkomst is op hem de passage van toepassing waarin is bepaald dat van afstammelingen van partners van verschillende etnische afkomst op individuele basis moet worden ingeschat of zij in het land van herkomst vanwege hun gemengde origine gevaar lopen. Een dergelijke afweging heeft in casu plaatsgevonden op grond waarvan is geoordeeld dat eiser niet een dergelijk gevaar loopt. Werkinstructie 49 spreekt van indicaties voor verlening van een vergunning op grond van humanitaire redenen. Derhalve betekent het enkele feit dat een uit Kroatië afkomstige asielzoeker een afstammeling is van ouders van gemengde afkomst (evenals onder het werkdocument van april 1994) niet dat een dergelijke persoon reeds daarom in aanmerking komt voor verlening van een vergunning.

Ten aanzien van het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel wordt opgemerkt dat eiser niet heeft aangegeven in hoeverre het onderhavige geval overeenkomt met de overgelegde uitspraken, beschikkingen en een advies van de Adviescommissie voor vreemdelingenzaken (ACV).

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Het bestreden besluit dateert van 18 december 2000. Het is derhalve genomen vóór inwerkingtreding van de Vw 2000 (Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495, inwtr 1 april 2001) op basis van de Vreemdelingenwet 1965 (Wet van 13 januari 1965, Stb. 40) en aanverwante regelingen. De rechtbank zal zich, ex tunc toetsend, moeten uitlaten over de rechtmatigheid van dit besluit. Derhalve worden bij de toetsing van het bestreden besluit de Vreemdelingenwet 1965 (Vw 1965) en aanverwante regelingen toegepast.

3. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder een bijzondere gedragslijn volgde ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die ofwel behoren tot etnische minderheidsgroepen die een verhoogd risico lopen voor meer ernstige vormen van discriminatie, ofwel afstammelingen zijn van ouders van verschillende etnische afkomst. Hij heeft in dit verband verwezen naar het werkdocument voor de afdoening van zaken van voormalige Joegoslaven van april 1994, de werkinstructie 49 van 19 februari 1996, en de bij de aanvraag overgelegde stukken. Eiser stelt dat er op basis van het werkdocument en de werkinstructie een periode is geweest waarin aan vreemdelingen van Kroatische afkomst die behoren tot een etnische minderheid dan wel afstammen van ouders met gemengde etnische afkomst altijd een vergunning tot verblijf werd verleend.

4. Anders dan verweerder is de rechtbank van oordeel dat uit de uitspraak van de rechtbank van 5 november 1996 niet blijkt van een toetsing aan het toelatingsbeleid zoals uitgewerkt in het werkdocument voor de afdoening van zaken van voormalige Joegoslaven van april 1994 en de werkinstructie 49 van 19 februari 1996. Deze overweging in het bestreden besluit kan dan ook geen stand houden. Voorts is verweerder in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op de stellingen van eiser met betrekking tot het werkdocument en de werkinstructie. Bovendien heeft verweerder het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte verworpen met de overweging dat dit onvoldoende was onderbouwd. Eiser heeft dit beroep immers in de loop van de procedure wel onderbouwd. Het bestreden besluit is gelet hierop niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. De rechtbank ziet, nu verweerder nadien op alle bovenstaande stellingen is ingegaan, echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit, ex artikel 8:72, derde lid, Awb, geheel in stand te laten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

5. De rechtbank heeft verweerder bij brief van 27 september 2002 verzocht om informatie over de beschikkingspraktijk ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die behoren tot voornoemde groepen, toegespitst op de periode vanaf de aanvraag van eiser op 8 november 1994 tot 29 oktober 1996, de datum waarop werkinstructie 49 is vervallen. Verweerder heeft bij brief van 18 november 2002 aangegeven dat navraag bij de afdeling ‘Planning & Control’ van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) heeft opgeleverd dat er volgens het IND-systeem in de periode van 8 november 1994 tot 29 oktober 1996 in totaal 1012 aanvragen zijn geregistreerd van asielzoekers uit Kroatië, waarin een beschikking is genomen. Bij brief van 7 april 2003 heeft verweerder aangegeven dat het hierbij gaat om zowel besluiten in primo, besluiten op bezwaar als besluiten na gegrondverklaring in beroep, maar dat geen sprake is van dubbeltellingen. Slechts in 7% van het aantal besluiten is een vergunning tot verblijf verleend, waaronder blijkens een beperkte steekproef vergunningen tot verblijf die op grond van medische redenen zijn verleend. Daarnaast blijkt uit een beperkte steekproef dat in zaken waarin sprake was van een vreemdeling die behoort tot een etnische minderheidsgroep (de Servische) ofwel die afstammeling is van ouders van verschillende etnische afkomst (met een vader van Servische afkomst) diens aanvragen tot het verlenen van een vluchtelingenstatus dan wel verlening van een vergunning tot verblijf niet zijn ingewilligd dan wel het bezwaar ongegrond is verklaard. Uit de brief van verweerder van 7 april 2003 leidt de rechtbank af dat voornoemde steekproeven elk betrekking hebben op ongeveer twintig zaken.

6. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat er geen sprake is geweest van een bijzondere gedragslijn ten aanzien van vreemdelingen uit Kroatië die ofwel behoren tot etnische minderheidsgroepen die een verhoogd risico lopen voor meer ernstige vormen van discriminatie, ofwel afstammelingen zijn van ouders van verschillende etnische afkomst in die zin dat aan leden van deze groepen altijd een vergunning tot verblijf werd verleend. De stelling van verweerder dat bedoelde groepen aandachtsgroepen waren, waarbij een indicatie gold voor het verlenen van een vergunning tot verblijf is naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Eiser heeft het tegendeel onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bij brief van 28 februari 2003 heeft eiser naar voren gebracht dat hem tenminste het voordeel van de twijfel dient te worden gegund, nu verweerder zelf uitermate onduidelijk is geweest ten aanzien van de werkdocumenten. Nu echter verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat op grond van de werkdocumenten geen bijzondere gedragslijn werd gevoerd, kan de onduidelijkheid met betrekking tot deze documenten eiser niet baten. Eiser geeft in voornoemde brief voorts aan dat in alle door hem in het kader van zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel aangehaalde zaken verblijf is verleend in de periode die valt buiten het onderzoek, omdat de kwestie pas in rechte kon worden betrokken nadat door de ACV op 23 oktober 1996 bekend werd gemaakt dat een bijzondere gedragslijn was gevoerd. De rechtbank merkt in dit verband op dat eiser hiermee impliceert dat geen bijzondere gedragslijn is gevoerd in de onderzoeksperiode en dat dit voorts evenmin een onderbouwing kan zijn voor de stelling dat op basis van het werkdocument en/of de werkinstructie altijd een verblijfsvergunning werd verleend. Het in deze fase van het onderzoek door eiser gedane beroep op de zaak M. Sukara en B. Maljkovic kan evenmin tot een ander oordeel leiden, nu daarmee niet is aangetoond dat verweerder op grond van de onderhavige werkdocumenten een bijzondere gedragslijn voerde. Deze zaken zien immers op het werkdocument van oktober 1993. Overigens heeft eiser ter zitting van 19 maart 2003 zelf ook aangegeven dat het beroep op deze zaak veeleer was gedaan om aan te geven dat ook bij verweerder niet altijd duidelijkheid bestond over het gevoerde beleid. De stelling van eiser in de brief van 10 april 2003 dat het door verweerder verrichte onderzoek onduidelijk is, omdat daaruit blijkt dat in een aantal gevallen een voorwaardelijk vergunning tot verblijf (vvtv) zou zijn verleend, terwijl nimmer een vvtv-beleid ten aanzien van Kroatië van toepassing is geweest, leidt ook niet tot een ander oordeel, nu in het onderhavige geval niet in geschil is of eiser al dan niet in aanmerking komt voor een vvtv. De overige door eiser geuite kritiekpunten doen evenmin af aan het feit dat uit het onderzoek van verweerder blijkt dat op het merendeel van de aanvragen van asielzoekers uit Kroatië afwijzend is beslist, ook indien het vreemdelingen betreft die behoren tot de onderhavige risicogroepen en dat derhalve aannemelijk is dat door verweerder geen bijzondere gedragslijn werd gevoerd.

7. Voorts heeft verweerder in de reactie van 18 november 2002 eveneens gereageerd op eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder heeft ten aanzien van de door eiser genoemde zaken aangegeven dat er geen sprake is van gelijke gevallen. Ten aanzien van het ACV-advies heeft verweerder naar voren gebracht dat uit de bewoordingen van het advies blijkt dat de vreemdeling en zijn echtgenote in dat geval in geen enkel gebied van het voormalige Joegoslavië een redelijk vestigingsalternatief hadden en dat van contra-indicaties niet was gebleken. Voorts was in dat geval sprake van een gemengd huwelijk. De aan de uitspraak van 27 oktober 1997 ten grondslag liggende zaak is volgens verweerder evenmin vergelijkbaar met het onderhavige geval, nu het aspect van de gemengde afkomst van de vreemdeling in dat geval in het geheel niet bij de beoordeling was betrokken en de vreemdeling voorts afkomstig was uit Bosnië-Herzegovina. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze motivering de rechtelijke toets doorstaan.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft kunnen oordelen dat eiser bij terugkeer niet zal worden onderworpen aan een behandeling die strijd zou kunnen opleveren met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM. De stelling van eiser dat hij bij terugkeer in Kroatië een bestraffing kan verwachten wegens dienstweigering, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat personen die dienst hebben geweigerd of zijn gedeserteerd in de periode van 17 augustus 1990 tot 23 augustus 1996 hiervoor op grond van de Algemene Amnestiewet niet worden bestraft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat deze wet niet wordt uitgevoerd, dan wel op zodanige wijze wordt uitgevoerd dat eiser daarop wegens zijn gemengde etnische afkomst geen effectief beroep zou kunnen doen. Met verweerder neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat eiser niet aan de zijde van de Kroatische Serviërs heeft gestreden, maar van 1992 tot 1993 heeft gediend in het Kroatische regeringsleger. Onder deze omstandigheden ligt het op de weg van eiser om feiten of omstandigheden te stellen op grond waarvan hij in zijn geval een reële vrees heeft te worden vervolgd wegens de gestelde dienstweigering in 1994. Dergelijke feiten of omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.

9. De rechtbank is niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan verweerder in redelijkheid niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat er geen aanleiding is om op grond van klemmende redenen van humanitaire aard in het verblijf van eiser te berusten. De door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij langdurig in Nederland verblijft, volledig is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving, een opleiding heeft gevolgd waarmee hij met name in Nederland zijn voordeel kan doen en het naoorlogse Kroatië niet kent, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een combinatie van bijzondere factoren op grond waarvan moet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzondere hardheid.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 805,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb, dient het griffierecht te worden vergoed door de rechtspersoon, aangewezen door de rechtbank.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 805,-- (zegge: achthonderd en vijf euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderd en twee euro en tien cent).

Gewezen door mr. J.C. Boeree, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.M.P. Mulder, griffier en openbaar gemaakt op: 16 juni 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op : 16 juni 2003

Conc.: SM

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.