Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3256

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-06-2003
Datum publicatie
19-11-2003
Zaaknummer
AWB 02/12685
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sudan / geloofwaardigheid asielrelaas.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ten onrechte het argument in de zienswijze gepasseerd dat eiser tijdens het eerste gehoor niet alles heeft kunnen vertellen over zijn arrestaties en detenties. Gezien de zienswijze is het onjuist dat verweerder in de bestreden beschikking stelt dat sprake is van wisselende en tegenstrijdige verklaringen. Verweerder heeft eiser in het nader gehoor niet geconfronteerd met de tegenstrijdige en wisselende verklaringen. Voorts overweegt de rechtbank dat een vreemdeling er blijkens hoofdstuk C3/12.6 Vc 2000 op wordt gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen. Verweerder heeft geconcludeerd tot tegendtrijdige verklaringen door de onvolledige verklaringen van eiser uit het eerste gehoor te vergelijken met de verklaringen in het nader gehoor. Aan eventuele verschillen tussen de in het eerste gehoor en in het nader gehoor afgelegde verklaringen mag voor wat betreft het oordeel over de geloofwaardigheid van het door eiser gedane asielrelaas echter niet zonder meer doorslaggevende betekenis worden toegekend. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.110
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/416
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

_________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr. : AWB 02/12685

Inzake : A, eiser,

gemachtigde, mr. L.J.H. Hoven-Kohl, advocaat te Maastricht,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. E. Bervoets, ambtenaar ten departemente.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1965, stelt de Soedanese nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 16 augustus 2001 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 21 augustus 2001 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Bij schrijven van 25 oktober 2001 heeft eiser van de gelegenheid gebruik gemaakt om schriftelijk wijzigingen en/of aanvullingen op de inhoud van het rapport van nader gehoor aan te leveren. Verweerder heeft eiser op 16 november 2001 schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Namens eiser is op 17 december 2001 zijn zienswijze hierop naar voren gebracht. Bij besluit van 14 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen.

2. Op 12 februari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 5 februari 2003. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig J. Reule, tolk Engels.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor zover hier van belang luidt artikel 29 Vw 2000:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.”

Voor zover hier van belang luidt artikel 1 Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76);

l. verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn;

m. vreemdeling: ieder die de Nederlandse nationaliteit niet bezit en niet op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander moet worden behandeld.”

Ingevolge artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen van 1951 (Trb. 1954, 88), zoals gewijzigd bij Protocol van New York van 1967 (Trb. 1967, 76) is van vluchtelingschap sprake in geval de betrokkene afkomstig is uit een land waarin hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 luidt als volgt:

“Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.”

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning bepaalde tijd en heeft daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd.

Eiser is geboren te B en behoort tot de Lera stam. Sinds 1981 verrichtte hij activiteiten voor de Comolo en de Ittahaad. Vanwege zijn Nuba-afkomst is hij meerdere malen gearresteerd en vastgehouden door de Soedanese autoriteiten omdat zij hem tot de islam wilden bekeren. Aangezien de Soedanese autoriteiten geen bewijs hadden werd eiser steeds vrijgelaten. In maart 2001 heeft eiser deelgenomen aan de organisatie en uitvoering van een demonstratie van Nuba mensen. Op 15 april 2001 heeft eiser deelgenomen aan een demonstratie naar aanleiding van de dood van zijn leider. Vervolgens heeft eiser tot 9 juli 2001 ondergedoken gezeten. Daarna werd eiser opgepakt en is hij gedetineerd waarbij hij is verhoord en gemarteld. Tijdens zijn detentie is eiser ziek geworden, waarna hij is overgebracht naar een ziekenhuis. Op 24 juli 2001 is eiser met behulp van Nuba mensen uit het ziekenhuis ontsnapt en heeft hij Soedan verlaten.

In beroep heeft eiser - samengevat - het navolgende aangevoerd.

Eiser is van mening dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd althans onzorgvuldig is voorbereid en derhalve voor vernietiging in aanmerking komt. Verweerder heeft ten onrechte gesteld dat de oprechtheid van het asielrelaas op voorhand is aangetast en dat hierdoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De onvolledige verklaringen van eiser afgelegd tijdens het eerste gehoor zijn ten onrechte vergeleken met de door hem afgelegde verklaringen in het nader gehoor. Dienaangaande merkt eiser op dat verweerder ten onrechte het argument van eiser passeert dat hij tijdens het eerste gehoor niet alles heeft kunnen vertellen omtrent zijn arrestaties en detenties. Het eerste gehoor is niet bedoeld om de beweegredenen van de asielaanvraag duidelijk te krijgen. Eiser verwijst hierbij naar C3/12 sub 6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Dat verweerder in de bestreden beschikking vasthoudt aan zijn stelling dat sprake is van wisselende en tegenstrijdige verklaringen, is gezien de zienswijze onjuist. In de zienswijze heeft eiser gezorgd voor een duidelijk overzicht van zijn arrestaties en detenties. De detentie in 1988 heeft eiser wel degelijk in het nader gehoor aangeduid.

Ten aanzien van zijn nationaliteitskaart en identiteitskaart stelt eiser dat hij in het eerste gehoor heeft aangegeven dat het ging om een identiteitskaart. In de zienswijze heeft eiser uitgelegd dat het ging om een nationaliteitskaart. Eiser heeft aangegeven dat men een nationaliteitskaart nodig heeft om een identiteitskaart aan te vragen. De identiteitkaart die eiser in Port Soedan van de autoriteiten kreeg was een kaart met beperkingen en een meldplicht. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij niet in militaire dienst is gegaan vanwege het feit dat toen de dienstplicht streng werd nageleefd hij al op de zwarte lijst stond. Ten aanzien de PDF-oproep heeft eiser aangegeven dat hij formeel niet gedwongen kon worden, en niet zoals verweerder ten onrechte stelt in de bestreden beschikking, dat hij in het geheel niet gedwongen kon worden. Eiser heeft uitgelegd dat hem het leven moeilijk werd gemaakt teneinde hem op die manier (informeel) te dwingen in dienst te gaan. In de zienswijze heeft eiser nadere uitleg gegeven omtrent zijn werkzaamheden. Verweerder heeft de correcties en aanvullingen op het nader gehoor van 5 november 2001 ten onrechte niet bij zijn besluitvorming betrokken.

Voorts stelt eiser dat hij geen vergaderingen mocht bijwonen en niet in de kerk mocht komen omdat op die plekken de Oppositie te vinden zal zijn.

Verweerder heeft in het voornemen gesteld dat eiser zijn activiteiten voor de COMOLO en of Ittahaad geenszins heeft onderbouwd, ondanks dat hem dit uitdrukkelijk is gevraagd tijdens het nader gehoor. Eiser heeft hierop aangekondigd dat hij in het bezit probeert te komen van een bewijs van zijn activiteiten voor vorengenoemde organisatie. Verweerder geeft echter bij voorbaat te kennen geen waarde te zullen hechten aan een via een Nuba-organisatie in Nederland te verkrijgen verklaring. Eiser acht deze stellingname van verweerder tegenstrijdig

3. Verweerder heeft de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid Vw 2000. Daartoe heeft verweerder gesteld dat geen rechtsgrond aanwezig is voor verlening van een verblijfsvergunning zoals bedoeld in artikel 29 Vw 2000.

Verweerder heeft het voornemen, waarnaar in de bestreden beschikking wordt verwezen - samengevat - doen steunen op de volgende overwegingen.

Eiser heeft ten aanzien van de gestelde arrestaties en detenties wisselende en tegenstrijdige verklaringen afgelegd, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen. Daartoe wordt overwogen dat eiser tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat hij na zijn gestelde detentie in 1981 wederom in september 1988 is opgepakt en gedetineerd. In het nader gehoor heeft eiser evenwel verklaard dat hij tijdens zijn tweede studiejaar aan de universiteit, 1985-1986, is gearresteerd en voor de duur van tien dagen gedetineerd heeft gezeten. Bovendien heeft eiser tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij in september 1988 voor de duur van respectievelijk één dag en twee dagen gedetineerd heeft gezeten, terwijl eiser hieromtrent tijdens het nader gehoor niets heeft verklaard.

Voorts heeft eiser tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij in januari 1996 in de militaire zone van El Obeid drie maanden gedetineerd is geweest en vervolgens is overgeplaatst naar de militaire basis van Khartoum alwaar hij na tien dagen detentie is vrijgelaten. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij voor de duur van twee weken heeft vastgezeten in de militaire zone van El Obeid, wat hij later tijdens hetzelfde gehoor corrigeerde naar één week. Voorts verklaarde eiser tijdens het eerste gehoor dat hij vanuit de militaire basis in Khartoum werd vrijgelaten, terwijl hij in het nader gehoor verklaard heeft dat hij vanuit Khartoum is overgebracht naar Port Soedan.

Ten aanzien van zijn identiteitskaart heeft eiser eveneens tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Zo heeft eiser tijdens het eerste gehoor verklaard dat hij in 1984 of 1985 een identiteitskaart heeft aangevraagd die hij later is kwijtgeraakt. Hij stelt dat zijn broer in 1996 een nieuwe identiteitskaart voor hem had aangevraagd; deze zou altijd in het bezit van de broer zijn gebleven. Tijdens het nader gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij in 1996 in Port Soedan zijn identiteitskaart terug heeft gekregen van de autoriteiten.

Met betrekking tot de militaire dienstplicht heeft eiser verklaard nimmer een officiële oproep voor de vervulling van de militaire dienstplicht te hebben ontvangen, omdat hij op een zwarte lijst zou staan. In de aanvullingen en correcties verklaarde eiser echter dat hij niet in dienst is geweest omdat er in zijn tijd geen dienstplicht bestond.

Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd ten aanzien van de gestelde werkzaamheden in Port Soedan. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser verklaard dat hij van februari 1997 tot ongeveer augustus 1997 als zeeman op een schip heeft gewerkt, terwijl hij later tijdens hetzelfde eerste gehoor heeft verklaard dat hij van februari 2001 tot mei 2001 op het schip heeft gewerkt. Na met deze tegenstrijdigheid te zijn geconfronteerd verklaarde eiser dat hij niet in 1997, maar van februari 2000 tot juli of augustus 2000 als zeeman heeft gewerkt. Het wekt volgens verweerder bevreemding dat eiser verklaarde in deze periode als zeeman te hebben gewerkt, daar hij tijdens hetzelfde eerste gehoor ook heeft verklaard in de periode van eind 1999 tot vermoedelijk 9 juli 2001 als voetbaltrainer bij de voetbalclub C te hebben gewerkt. Voorts wekt het bevreemding dat eiser tijdens het eerste gehoor heeft verklaard dat hij van februari 2001 tot juli 2001 meerdere keren in Jeddah in Saoedi Arabië is geweest, daar hij tijdens het nader gehoor heeft verklaard dat hij in de periode van 15 april 2001 tot juli 2001 op diverse plaatsen ondergedoken heeft gezeten.

Nu eiser wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd wordt volgens verweerder afbreuk gedaan aan de oprechtheid van het asielrelaas.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten.

Eiser heeft bij schrijven van 25 oktober 2001 van de gelegenheid gebruik gemaakt om correcties en aanvullingen op de inhoud van het rapport van nader gehoor te leveren. Daarbij heeft eiser aangegeven dat niet het gehele relaas besproken kon worden vanwege tijdsgebrek. Bij schrijven van 5 november 2001 heeft eiser nadere correcties en aanvullingen naar voren gebracht, zijnde een vervolg op de vorengenoemde correcties en aanvullingen. Verweerder heeft de ontvangst van de brief bevestigd, doch ter zitting is gebleken dat deze zich niet in het onderhavige procesdossier bevindt. Ter zitting heeft de gemachtigde van de vreemdeling vorengenoemde brief overgelegd. In het voornemen heeft verweerder de door eiser afgelegde verklaringen als tegenstrijdig en wisselend afgedaan. Een lijn die in de beschikking wordt voortgezet. De bestreden beschikking is gestoeld op een zware mate van ongeloofwaardigheid. In de zienswijze heeft eiser naar voren gehaald dat hem ten onrechte wisselende en tegenstrijdige verklaringen worden tegengeworpen ten aanzien van de arrestaties en detenties. Dienaangaande stelt hij dat hij tijdens het eerste gehoor niet alles heeft kunnen en mogen vertellen, en dat hem werd gezegd dat hij daartoe in het nader gehoor alle gelegenheid zou krijgen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in de bestreden beschikking voorbij gaat aan hetgeen door eiser in de zienswijze is aangevoerd.

De rechtbank overweegt het volgende. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de voorbereiding van de onderhavige beslissing onzorgvuldig heeft gehandeld door in de bestreden beschikking vast te houden aan de stelling dat sprake is van wisselende en tegenstrijdige verklaringen. Verweerder heeft ten onrechte het argument van eiser in de zienswijze gepasseerd dat hij tijdens het eerste gehoor niet alles heeft kunnen vertellen omtrent zijn arrestaties en detenties. Dat verweerder in de bestreden beschikking vasthoudt aan zijn stelling dat sprake is van wisselende en tegenstrijdige verklaringen, is gezien de zienswijze onjuist. Dit heeft geleid tot een onwelwillende beoordeling van zijn asielaanvraag. Daartoe is vooreerst redengevend dat verweerder - alvorens een voornemen tot afwijzing op te stellen - eiser in het nader gehoor niet heeft geconfronteerd met de afgelegde tegenstrijdige en wisselende verklaringen. Nu deze confrontatie eerst in het voornemen geschiedt, kan niet met vrucht worden staande gehouden dat de door eiser in de zienswijze gegeven opheldering te laat zou zijn, doch dat eiser bij de correcties en aanvullingen alle tegenstrijdigheden had moeten wegnemen.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 3.110, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) geschiedt het eerste gehoor overeenkomstig een bij ministeriële regeling vastgestelde vragenlijst, die geen vragen bevat omtrent de beweegredenen van de aanvraag. Indien de vreemdeling al tijdens het eerste gehoor, zonder daarnaar gevraagd te zijn, zijn asielrelaas doet, wordt hij er op gewezen dat zijn asielmotieven eerst in het nader gehoor aan de orde komen, aldus hoofdstuk C3/12.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000.

Artikel 3.44, eerste lid Voorschrift Vreemdelingen (hierna: VV) bepaalt dat de in artikel 3:110, tweede lid van het Besluit bedoelde vragenlijst in ieder geval vragen omtrent de personalia van de vreemdeling zijn geboorteplaats en geboortedatum, zijn nationaliteit en etnische afkomst, de datum van zijn vertrek uit het land van herkomst, de datum van zijn aankomst in Nederland, eventueel verblijf in derde landen, en het bezit van een paspoort en identiteitsdocumenten. Ingevolge het tweede lid kunnen aanvullende vragen worden gesteld indien de beantwoording van de gestelde vagen onvoldoende duidelijkheid verschaft.

Ook in dit licht is de rechtbank met eiser van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser ten aanzien van zijn arrestaties en detenties wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Verweerder komt immers tot deze conclusie door de onvolledige verklaringen van eiser uit het eerste gehoor te vergelijken met zijn verklaringen in het nader gehoor. Gelet op artikel 3.110 van het Vb 2000, mag aan eventuele verschillen tussen de in het eerste gehoor en in het nader gehoor afgelegde verklaringen voor wat betreft het oordeel over de geloofwaardigheid van het door eiser gedane asielrelaas echter niet zonder meer doorslaggevende betekenis worden toegekend. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in de onderhavige procedure de door eiser afgelegde verklaringen op onjuiste gronden als tegenstrijdig en wisselend afdoet. Gelet op de wijze waarop de asielprocedure is ingericht, richt het eerste gehoor zich niet op de asielmotieven van de vreemdeling. De aan eiser tijdens het eerste gehoor gestelde vraag naar arrestaties c.q detenties moet los worden gezien van zijn asielrelaas. Dienaangaande verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 november 2002, nr. 200204720/1. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder - zoals ter zitting is gebleken - ten onrechte geen aandacht heeft besteed aan de nadere correcties en aanvullingen van 5 november 2001.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en derhalve in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank acht het beroep dan ook gegrond.

5. Het beroep is derhalve gegrond. Het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van deze uitspraak. Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. M.C.R. Derkx, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 juni 2003, in tegenwoordigheid van mr. R. Simi, griffier.

afschrift verzonden op: 16 juli 2003