Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3234

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-07-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/81845
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / China.

Eiseres is een Chinese amv met kind. Verweerder heeft ambtshalve de aanvraag om toelating op grond van het amv-beleid afgewezen, omdat onder verwijzing naar het ambtsbericht van 9 april 2001 sprake zou zijn van adequate opvang in China. Eiseres heeft gesteld dat in het ambtsbericht niet wordt ingegaan op de positie van alleenstaande minderjarigen met een kind. De rechtbank overweegt dat eiseres geen concreet aanknopingspunt heeft aangedragen voor het oordeel dat verweerder heeft moeten twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het ambtsbericht. Dat niet expliciet wordt ingegaan op de positie van alleenstaande minderjarigen met een kind dient niet reeds daarom te leiden tot de conclusie dat voor hen geen adequate opvang beschikbaar zou zijn. Dat deze opvang ook beschikbaar is voor alleenstaande minderjarigen met kind wordt overigens bevestigd door het ambtsbericht van maart 2003, verslagperiode december 2001 tot en met maart 2003. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Zutphen

Registratienummer: Awb 02/81845

Datum uitspraak: 22 juli 2003

UITSPRAAK

op het beroep in het geschil tussen:

A

geboren op [...] 1985,

van Chinese nationaliteit,

eiseres,

gemachtigde: mr. G. Tuenter, advocaat te Apeldoorn,

en

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie)

verweerder,

gemachtigde: mr. M.S. Leboucher, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2002 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en voorts ambtshalve geweigerd aan eiseres een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ te verlenen.

Bij brief van 29 mei 2002 heeft eiseres beroep bij de rechtbank ingesteld tegen de beslissing tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel. Op 30 oktober 2002 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

Eveneens bij brief van 29 mei 2002 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de beslissing om haar niet een verblijfsvergunning regulier onder voormelde beperking te verlenen. Bij besluit van 7 oktober 2002 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 oktober 2002 beroep ingesteld bij de rechtbank. Het beroep is behandeld ter zitting van 19 juni 2003, waar eiseres en haar gemachtigde, alsmede de gemachtigde van verweerder zijn verschenen.

2. Motivering

2.1 Ter beoordeling staat de vraag of het besluit van verweerder tot ongegrondverklaring van de bezwaren van eiseres tegen de (ambtshalve) weigering haar een vergunning tot verblijf als alleenstaande minderjarige asielzoeker te verlenen, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

2.2 Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, waaronder de vergunning voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling zoals bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder y, jo. artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

2.3 Verweerder heeft bij het bestreden besluit geweigerd eiseres een zodanige verblijfsvergunning te verstrekken, omdat er voor eiseres adequate opvang is in China. Verweerder heeft daartoe verwezen naar een op 9 april 2001 door de Minister van Buitenlandse Zaken uitgebracht ambtsbericht over de positie van minderjarigen in China. Op grond van deze informatie wordt geconcludeerd dat in China adequate opvang voor minderjarigen aanwezig is, ongeacht de leeftijd van de minderjarige vreemdeling. Verweerder heeft verder overwogen dat in genoemd ambtsbericht en het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 augustus 2000 geen aanwijzingen worden aangetroffen dat aan alleenstaande minderjarigen die zelf een kind hebben opvang zal worden onthouden. Met betrekking tot de registratie van het in Nederland geboren kind heeft verweerder overwogen dat uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 november 2001 en van maart 2003 blijkt dat niet-geregistreerde kinderen alsnog kunnen worden geregistreerd na betaling van een boete.

2.4 Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht van 9 april 2001 niet duidelijk wordt of haar kind in China geregistreerd kan worden en wat de gevolgen zijn van een eventuele onmogelijkheid tot registratie. Verder geeft het ambtsbericht geen duidelijkheid over de vraag of adequate opvang beschikbaar is voor minderjarige asielzoekers met een kind.

2.5 Met betrekking tot de registratie in China van het kind van eiseres is de rechtbank met verweerder van oordeel dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 november 2001 blijkt dat het mogelijk is om een illegaal geboren kind te registreren. Als de ouders een boete hebben betaald, kan het kind gewoon worden bijgeschreven in de hukou. Verder blijkt uit dit ambtsbericht dat illegaal geboren kinderen die niet zijn geregistreerd gewoon naar school kunnen en gezondheidszorg kunnen ontvangen. De ouders zullen daarvoor dan echter een hogere vergoeding moeten betalen.

Gelet op het voorgaande overweegt de rechtbank dat het standpunt van eiseres dat niet duidelijk is of haar kind in China geregistreerd kan worden, niet gevolgd kan worden.

2.6 Voor zover eiseres aanvoert dat het ambtsbericht van 9 april 2001 geen duidelijkheid geeft over de vraag of adequate opvang beschikbaar is voor minderjarige asielzoekers met kind overweegt de rechtbank als volgt.

Eiseres heeft met het enkel opwerpen en onbeantwoord laten van de vraag of adequate opvang beschikbaar is voor minderjarige asielzoekers met kind geen concreet aanknopingspunt aangedragen voor het oordeel dat verweerder heeft moeten twijfelen aan de juistheid of volledigheid van het hierboven genoemde ambtsbericht. De rechtbank overweegt in dit verband dat de omstandigheid dat in het ambtsbericht van 9 april 2001 niet expliciet wordt ingegaan op de positie van alleenstaande minderjarigen met een kind, niet reeds daarom dient te leiden tot de conclusie dat voor hen geen adequate opvang beschikbaar zou zijn. De rechtbank verwijst naar hetgeen verweerder in het bestreden besluit onder meer aanhaalt over de opvang van oudere minderjarigen: „Indien een oudere minderjarige verkiest zelfstandig te wonen, blijft het wijkcomité verantwoordelijk voor diens welbevinden en voor het verlenen van de minimum zorg in de vorm van voeding, kleding, onderdak, medische zorg, begrafenis en onderwijs. Op het platteland zijn veelal geen weeshuizen en verzorgingshuizen aanwezig en zorgt het dorpscomité met de lokale gemeenschap voor onderdak en begeleiding.“

Dat deze opvang ook beschikbaar is voor alleenstaande minderjarigen met een kind wordt overigens bevestigd door het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van maart 2003, verslagperiode december 2001 tot en met maart 2003. Volgens dit ambtsbericht kunnen vrouwen met een in het buitenland geboren kind terugkeren in de Chinese maatschappij. Het ambtsbericht vermeldt verder dat in China geen opvanghuizen bestaan voor alleenstaande (minderjarige) moeders. Bij terugkeer naar China kunnen zij hulp vragen bij het buurtcomité in de plaats van herkomst. Het buurtcomité is uiteindelijk verantwoordelijk voor zorg en begeleiding.

2.7 Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen rechtsgrond bestaat voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Voorts is niet gebleken van andere bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan geoordeeld zou moeten worden dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

2.8 Voor vergoeding van het betaalde griffierecht of veroordeling van een partij in de proceskosten van de andere partij bestaat geen aanleiding

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. H.R. Borgerhoff Mulder en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2003 in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff als griffier.

Rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „Hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak dient te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden op: 23 juli 2003