Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3131

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-08-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/42155
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / belangenafweging / groepsuitzetting.

De vreemdeling is in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. Namens de vreemdeling is aangevoerd dat niet duidelijk is waarop de verwachting was gebaseerd dat de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zouden zijn.

Kennelijk in overleg met de autoriteiten van de DRC was door verweerder een project gestart teneinde de terugkeer van een groot aantal vreemdelingen afkomstig uit de DRC te bevorderen. Het was verweerder bekend dat in het kader van dit project in de week na de inbewaringstelling van de vreemdeling een delegatie van immigratiedeskundigen uit de DRC in Nederland aanwezig zou zijn. In diezelfde week zou een presentatie van de vreemdeling bij deze immigratiedeskundigen plaatsvinden. Voorts bestond er in de reeds afgeronde asielprocedure van de vreemdeling bij verweerder geen twijfel omtrent zijn identiteit en nationaliteit. Deze omstandigheden waren voor verweerder aanleiding de vreemdeling in bewaring te stellen. Daarmee is duidelijk gemaakt waarop de verwachting was gebaseerd dat binnen korte termijn de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijk bescheiden voorhanden zouden zijn. In tegenstelling tot de stelling van eiser heeft er een belangenafweging plaatsgevonden. Verder is er geen sprake van een groepsuitzetting, omdat elke vreemdeling individueel is of wordt gepresenteerd en ieder beroep afzonderlijk door de rechtbank beoordeeld zal worden. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/566
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’s-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/42155

Datum uitspraak: 15 augustus 2003

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000

(Vw 2000) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1985 en van Kongolese nationaliteit, verblijvende in het Detentie Centrum te Zeist.

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, hierna te noemen: verweerder.

Zitting: 8 augustus 2003.

De vreemdeling is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde,

mr. R.P. Duijn, advocaat te Eindhoven.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. A.K. van de Ven.

Als tolk in de Franse taal was aanwezig G. Engels.

I. PROCESVERLOOP

Op 29 juli 2003 is de vreemdeling op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Bij kennisgeving ex artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van 1 augustus 2003, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder bericht dat de vreemdeling in bewaring verblijft zonder beroep te hebben ingesteld tegen de inbewaringstelling.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank beoordeelt thans of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring in overeenstemming is met de wet en bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid gerechtvaardigd is.

Namens de vreemdeling is – kort weergegeven – aangevoerd dat in het onderhavige geval niet duidelijk is waarop de verwachting is gebaseerd dat de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden binnen korte termijn voorhanden zullen zijn. Hiertoe heeft de gemachtigde van de vreemdeling een uitspraak overgelegd van de Rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 19 april 2001, AWB 01/14033. Tevens heeft er geen belangenafweging plaatsgevonden tussen enerzijds het belang van de vreemdeling en anderzijds het algemeen belang. Ten slotte is namens de vreemdeling aangevoerd dat er in casu sprake is van een collectieve uitzetting zoals in een uitspraak (51564/99) van 5 februari 2002 van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)

De rechtbank overweegt als volgt.

Verweerder heeft de vreemdeling in bewaring gesteld op grond van het bepaalde in artikel 59, tweede lid, van de Vw. Dit artikel luidt als volgt:

„Indien de voor de terugkeer van de vreemdeling noodzakelijke bescheiden voorhanden zijn, dan wel binnen korte termijn voorhanden zullen zijn, wordt het belang van de openbare orde geacht de bewaring van de vreemdeling te vorderen, tenzij (…)“.

In de Memorie van Toelichting TK 26732, nr. 3 met betrekking tot artikel 57 Ontwerp Nieuwe Vw (het huidige artikel 59 Vw) staat het volgende:

„De achtergrond bij deze mogelijkheid is dat in de praktijk behoefte bestaat aan het toepassen van bewaring indien alle voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijk bescheiden (…) reeds voorhanden zijn of binnen een termijn van vier weken aanwezig zullen zijn, bijvoorbeeld omdat de diplomatieke vertegenwoordiging vervangende reisdocumenten in het vooruitzicht heeft gesteld. De bewaring dient ertoe te voorkomen dat de vreemdeling zich alsnog aan de uitzetting zal onttrekken en in de illegaliteit zal begeven“.

In het onderhavige geval was door verweerder, kennelijk in overleg met de autoriteiten van de Democratische Republiek Congo (DRC), een project opgestart teneinde terugkeer van een groot aantal vreemdelingen afkomstig uit de DRC te bevorderen.

Het was verweerder bekend dat in het kader van dit project in de week na de inbewaringstelling van de vreemdeling een delegatie van immigratiedeskundigen uit de DRC in Nederland aanwezig zou zijn. In diezelfde week zou dan een presentatie van de vreemdeling bij deze immigratiedeskundigen plaatsvinden. Voorts bestond er in de reeds afgeronde asielprocedure van de vreemdeling bij verweerder geen twijfel omtrent diens identiteit en nationaliteit.

Voormelde omstandigheden waren voor verweerder aanleiding om de vreemdeling op grond van het tweede lid van artikel 59 van de Vw 2000 in bewaring te stellen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval, in tegenstelling tot in het geval omschreven in de namens de vreemdeling overgelegde uitspraak, wel duidelijk gemaakt waarop de verwachting was gebaseerd dat binnen korte termijn de voor terugkeer van de vreemdeling noodzakelijk bescheiden voorhanden zouden zijn.

Verweerder heeft zich dan ook op goede gronden op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde vordert dat, met het oog op de uitzetting, de vreemdeling in bewaring wordt gesteld.

De rechtbank is voorts van oordeel dat er in het onderhavige geval wel degelijk een belangenafweging heeft plaatsgevonden. Immers, verweerder heeft aangevoerd dat bij die afweging is betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling reeds in de eerste week van de inbewaringstelling, in dit geval op 7 augustus 2003, zou worden gepresenteerd voor de immigratiedeskundigen. De afgifte van een laissez passer zal dan binnen afzienbare tijd plaatsvinden. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het algemeen belang in dit geval zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling.

Voorts kan niet gezegd worden dat in het onderhavige geval geen zicht op uitzetting zou bestaan dan wel dat verweerder onvoldoende voortvarend zou handelen.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat, hoewel het de bedoeling van verweerder is dat een grote groep vreemdelingen afkomstig uit de DRC gelijktijdig zullen worden uitgezet, er geen sprake is van een groepsuitzetting zoals in de namens eiser genoemde uitspraak van het EHRM, nu iedere uit te zetten vreemdeling individueel gepresenteerd is of zal worden bij de voornoemde immigratiedeskundigen uit de DRC en voorts iedere afzonderlijke inbewaringstelling op zijn individuele merites door de rechtbank zal moeten worden beoordeeld.

Gelet op het voorgaande moet de vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 van de Vw 2000 rechtmatig worden geoordeeld en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.

Aldus gedaan door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. C.B. Panajutopulos als griffier op 15 augustus 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC ’s-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt één week na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 15 augustus 2003