Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3086

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/33461
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongehuwdverklaring / legalisatie en verificatie.

Eiser beoogt verblijf bij zijn Nederlandse partner. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de partner haar ongehuwde staat niet heeft aangetoond. De door de partner overgelegde ongehuwdverklaring en geboorteakte zijn geweigerd voor legalisatie en verificatie. Eiser heeft derhalve geen gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring van zijn partner overgelegd, zoals bedoeld in hoofdstuk B2/4.5 Vc-1994. De rechtbank is van oordeel dat verweerders motivering voor de conclusie dat de hoofdpersoon niet als ongehuwd kan worden beschouwd, onvoldoende is. Verweerder heeft desgevraagd geen dossier kunnen overleggen over de procedure tot naturalisatie van de hoofdpersoon. Derhalve kan geen duidelijkheid worden verkregen over de vraag of destijds ten behoeve van de naturalisatie een rechtsgeldige geboorteakte is overgelegd. In het verleden heeft er geen twijfel bestaan over de identiteit en de burgerlijke staat van de partner, nu de partner indertijd ook als ongehuwd is ingeschreven in de GBA. De minister van Buitenlandse Zaken twijfelt blijkens de besluiten van 23 juli 1999 evenmin aan de ongehuwde burgerlijke staat van de partner. Onder deze omstandigheden, waar het niet aannemen van de ongehuwdheid van de hoofdpersoon uiteindelijk is terug te voeren op een gestelde geboorteplaats die niet in overeenstemming is met informatie uit een namens de minister van Buitenlandse Zaken uitgevoerd onderzoek, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet is aangetoond dat de hoofdpersoon ongehuwd is. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 02 / 33461 BEPTDN H (beroepszaak)

AWB 99 / 9689 VRWET H (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1958, van Ghanese nationaliteit, eiser / verzoeker, verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. C.A. Lucardie, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. O.J. Elbertsen, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 20 augustus 1999 is afgewezen de aanvraag van eiser van 10 december 1998 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier voor het doel: verblijf bij Nederlandse partner B (hoofdpersoon). Het hiertegen ingediende bezwaar van 10 september 1999 is bij besluit van 8 april 2002 ongegrond verklaard. Tegen dit laatste besluit heeft eiser op 26 april 2002 beroep ingesteld.

1.2 Bij verzoekschrift van 22 oktober 1999 heeft eiser verzocht om verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat op het bezwaar is beslist. Bij brief van 7 mei 2002 heeft de griffier meegedeeld dit verzoek om voorlopige voorziening aan te merken als een verzoek om verweerder te verbieden eiser uit te zetten voordat uitspraak is gedaan op het beroep.

1.3 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift d.d. 21 november 2001 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 5 december 2002 door de enkelvoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats. Aangezien de rechtbank de overlegging door verweerder van ontbrekende gedingstukken in het procesdossier van belang heeft geacht voor het onderzoek, is het onderzoek ter zitting ex artikel 8:64, eerste lid, Awb geschorst. De rechtbank heeft partijen daarbij tevens in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verschaffen. Bij brief van 31 december 2002 zijn zijdens eiser nadere stukken in het geding gebracht en op 18 februari 2003 heeft verweerder de ontbrekende gedingstukken overgelegd. Per brief van 20 februari 2003, ingekomen op 26 februari 2003, heeft verweerder de nadere informatie verschaft.

1.5 De openbare behandeling van de geschillen is ex artikel 8:64, vierde lid, Awb opnieuw aangevangen op 7 maart 2003. Daarbij hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Na sluiting van het onderzoek ter zitting, is het onderzoek op 24 maart 2003 ex artikel 8:68, eerste lid, Awb heropend en is de zaak ex artikel 8:10, tweede lid, Awb verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats. De openbare behandeling van de geschillen door de meervoudige kamer heeft plaatsgevonden op 17 april 2003. Daarbij is het onderzoek ter zitting hervat in de stand waarin het zich bevond.

1.6 Bij brief van 22 mei 2003 heeft eiser onder overlegging van een bewijsstuk verzocht te berichten of de rechtbank aanleiding ziet het onderzoek te heropenen.

2. OVERWEGINGEN

2.1 De rechtbank ziet geen aanleiding tot heropening van het onderzoek, reeds omdat de rechtbank geen noodzaak ziet de bij de brief van 22 mei 2003 overgelegde beschikking van de rechtbank 's-Gravenhage tot vaststelling van gegevens voor het opmaken van een geboorteakte die dateert van na het bestreden besluit, nog in de beoordeling te betrekken.

2.2 In dit geding dient te worden beoordeeld of de ongegrondverklaring van het door eiser ingediende bezwaar in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.3 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (hierna: Vw oud) ingetrokken. Nu het primaire besluit is bekendgemaakt voor 1 april 2001, is ingevolge artikel 118 Vw zowel op de behandeling van de aanvraag en het bezwaar alsmede ten aanzien van de mogelijkheid enig rechtsmiddel tegen dat besluit aan te wenden het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing. Het bestreden besluit dient materieel te worden getoetst aan het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit.

2.4 Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier wordt ingevolge artikel 13 Vw slechts ingewilligd indien internationale verplichtingen daartoe nopen, met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 14, tweede lid, Vw wordt een verblijfsvergunning verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan en kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld over de beperkingen. In artikel 15 Vw is voorgeschreven dat in deze algemene maatregel van bestuur wordt bepaald, dat de verblijfsvergunning kan worden verleend onder een beperking verband houdende met gezinshereniging of gezinsvorming. Ingevolge 16, eerste lid, aanhef en onder g, Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier worden afgewezen indien de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven.

In artikel 3.13, eerste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is bepaald dat de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd bedoeld in artikel 14 Vw onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt verleend aan het in artikel 3.14 Vb genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 Vb bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in artikel 3.16 tot en met 3.22 Vb genoemde voorwaarden. In artikel 3.13, tweede lid, Vb is bepaald dat in de overige gevallen een vergunning kan worden verleend.

Ingevolge artikel 3.14, aanhef en onder b, sub 2, Vb, voor zover van belang, wordt de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 3.13 Vb verleend aan de vreemdeling van achttien jaar of ouder, die met de hoofdpersoon een duurzame en exclusieve relatie onderhoudt, waarin de partners ongehuwd zijn en geen in Nederland geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, tenzij het huwelijk door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden. Verweerder voert het beleid, neergelegd in hoofdstuk B2/4.5 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), dat de ongehuwde burgerlijke staat wordt aangetoond met officiële gelegaliseerde en - indien van toepassing - geverifieerde bescheiden.

In hoofdstuk B2/12.5 Vc is aangegeven dat de persoon die wegens bewijsnood niet in staat is officiële gelegaliseerde en geverifieerde bescheiden te overleggen - na een DNA-onderzoek - kan worden vrijgesteld van de voorwaarde van het overleggen van dergelijke documenten.

2.5 In het bestreden besluit heeft verweerder geoordeeld dat de aanvraag van eiser terecht is afgewezen, nu de hoofdpersoon haar ongehuwde staat niet heeft aangetoond. Met betrekking tot haar zijn geen officiële, gelegaliseerde bescheiden overgelegd. De van de hoofdpersoon overgelegde ongehuwdverklaring en geboorteakte zijn bij besluiten van 23 juli 1999 door de minister van Buitenlandse Zaken geweigerd voor legalisatie en verificatie.

2.6 Eiser heeft aangevoerd dat de hoofdpersoon geen gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring heeft kunnen overleggen, omdat haar geboorteakte niet werd gelegaliseerd. De geboorteakte werd blijkens de besluiten van de minister van Buitenlandse Zaken van 23 juli 1999 niet gelegaliseerd omdat onduidelijkheid bestond over de geboorteplaats van de hoofdpersoon. Tegen de besluiten van 23 juli 1999 heeft de hoofdpersoon bezwaar gemaakt bij de minister van Buitenlandse Zaken. In elk geval heeft de minister van Buitenlandse Zaken omtrent de ongehuwde status van de hoofdpersoon geen twijfel.

Daarnaast is op 28 maart 2001 door de kantonrechter te B ex artikel 45 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) een akte van bekendheid verleend ter vervanging van de geboorteakte van de hoofdpersoon. De ambtenaar van de burgerlijke stand van de Gemeente B heeft deze akte in het kader van een tussen eiser en de hoofdpersoon af te sluiten huwelijk echter geweigerd. De gemeente B heeft de hoofdpersoon wel opgenomen in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) onder de vermelding dat de hoofdpersoon ongehuwd is. Omtrent de identiteit en burgerlijke staat van de hoofdpersoon bestaat derhalve ook bij de gemeente B kennelijk geen twijfel. Voorts beschikt de hoofdpersoon over de Nederlandse nationaliteit. Bij de daaraan voorafgaande procedure tot naturalisatie heeft kennelijk ook geen twijfel bestaan over de identiteit van de hoofdpersoon. Een destijds overgelegde geboorteakte is geheel geaccepteerd in het Nederlandse rechtsverkeer. Deze geboorteakte is, blijkens een proces-verbaal van aangifte bij de politie, in 1993 gestolen.

Eiser en de hoofdpersoon hebben al het mogelijke gedaan om een gelegaliseerde ongehuwdverklaring en een geboorteakte van de hoofdpersoon te verkrijgen. Onder vorengenoemde omstandigheden kan het ontbreken van een gelegaliseerde ongehuwdverklaring van de hoofdpersoon niet aan eiser worden tegengeworpen.

Subsidiair heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van gestelde beleidsregels ex artikel 4:84 Awb, aangezien het vasthouden aan die beleidsregels in deze bijzondere omstandigheden zal leiden tot onevenredige gevolgen.

2.7 Verweerder heeft in beroep aangevoerd dat eiser niet heeft voldaan aan de voorwaarde dat de hoofdpersoon door middel van officiële gelegaliseerde bescheiden heeft aangetoond dat zij ongehuwd is. Verweerder kan aan de door eiser overgelegde akte van bekendheid geen waarde hechten. De hoofdpersoon heeft ten onrechte verklaard geen geboorteakte te bezitten en deze ook niet te kunnen verkrijgen. Gebleken is dat de hoofdpersoon wel een geboorteakte heeft, nu zij deze bij de Minister van Buitenlandse Zaken heeft overgelegd ter legalisatie en verificatie. Eiser heeft gesteld dat de hoofdpersoon vóór 1996 een gelegaliseerde geboorteakte zou hebben gehad. Alle documenten die vanaf 1 april 1996 worden aangeboden bij verweerder moeten worden geverifieerd. De enkele stelling dat de hoofdpersoon ooit eerder in het bezit moet zijn geweest van een gelegaliseerde geboorteakte is onvoldoende om te concluderen dat eiser heeft voldaan aan de voorwaarde een gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring te overleggen, gelet op het feit dat dit gestelde document niet geverifieerd is of kan zijn. Voorts is gebleken dat door de gemeente B wordt getwijfeld aan de identiteit van de hoofdpersoon. De stelling van eiser dat de gemeente B kennelijk niet twijfelt aan de identiteit en burgerlijke staat van de hoofdpersoon is niet juist, nu de gemeente de hoofdpersoon niet als ongehuwd in de GBA wil opnemen en er een onderzoek naar haar identiteit loopt.

Verweerder heeft geen reden gezien om van bovengenoemde voorwaarde af te wijken op grond van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid ex artikel 4:84 Awb. Eiser heeft geen bijzondere individuele omstandigheden aangevoerd die erop duiden dat een zeer schrijnende situatie zal ontstaan indien de vergunning aan hem niet wordt verleend. De stelling dat geen twijfel bestaat omtrent de burgerlijke staat van de hoofdpersoon volgt verweerder niet.

De rechtbank oordeelt als volgt.

2.8 Artikel 3.13, eerste lid, Vb geeft de in artikel 3.14 Vb bedoelde vreemdeling aanspraak op een vergunning voor bepaalde tijd regulier als aan de voorwaarden van artikel 3.14 tot en met 3.22 Vb is voldaan. In geschil is of de partner van eiser ongehuwd is in de zin van artikel 3.14, aanhef en onder b, sub 2, Vb.

2.9 De rechtbank stelt voorop dat de passage in hoofdstuk B2/4.5 Vc waarin is opgenomen dat de vreemdeling de ongehuwde staat van de partners kan aantonen door middel van het overleggen van een gelegaliseerde en in voorkomende gevallen geverifieerde ongehuwdverklaring, verweerder bindt om, behoudens indien sprake is van de aldaar bedoelde contra-indicaties, met een dergelijke verklaring de ongehuwde staat aan te nemen.

Gegeven de formulering van artikel 3.14, eerste lid aanhef en onder b, Vb kan de vreemdeling eveneens aanspraak maken op een vergunning indien deze op andere wijze aannemelijk maakt dat de partners ongehuwd zijn. De in artikel 3.14 Vb op dit punt vermelde eis is immers niet dat een gelegaliseerde en eventueel geverifieerde ongehuwdverklaring wordt overgelegd, maar dat de partners ongehuwd zijn. Bij beleidsregel kan niet een extra eis voor vergunningverlening aan de aanvrager worden gesteld, voor zover de wetgever geen beleids- of beoordelingsruimte aan verweerder heeft gelaten (vgl. Hoge Raad 23 mei 2003, JOL 2003, 293).

2.10 Het staat vast dat eiser geen gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring van de hoofdpersoon heeft overgelegd zoals bedoeld in hoofdstuk B2/4.5 Vc, zodat verweerder niet op grond van deze beleidsregel gehouden was de ongehuwde staat van de hoofdpersoon aan te nemen.

2.11 Gelet op de beleidsregel in B2/12.5 Vc en het standpunt van eiser, is het vervolgens de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat er geen sprake is van bewijsnood bij de overlegging van een gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring.

Legalisatie van de overgelegde geboorteakte - noodzakelijk voor legalisatie van de ongehuwdverklaring - is geweigerd, nu er onduidelijkheid bestaat over de geboorteplaats van de hoofdpersoon. Voorts gaat de rechtbank ervan uit dat de hoofdpersoon in elk geval sinds 1993 niet meer beschikt over haar oorspronkelijke geboorteakte.

Uit het algemene ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake legalisatie en verificatie van documenten, afkomstig uit Ghana, India en Nigeria, vastgesteld bij besluit van die minister van 19 december 2002 (Staatscourant 24 december 2002) blijkt dat in Ghana slechts de eerste aangifte van geboorte rechtsgeldig is. Alle latere registraties, zoals de latere geboorteakte die door de hoofdpersoon ter legalisatie en verificatie is overgelegd, worden als niet rechtsgeldig aangemerkt. Indien men wil nagaan of er reeds eerder een geboorte is geregistreerd, kan men, mits men voldoende gegevens overlegt, een zoekopdracht geven aan het centrale bureau van de burgerlijke stand. In het ambtsbericht is niet opgenomen welke gegevens daarbij nodig zijn.

Niet is uitgesloten dat met een dergelijke zoekopdracht de hoofdpersoon alsnog een akte van de eerste registratie kan verkrijgen, die wel een geboorteplaats vermeldt in overeenstemming met het onderzoek dat dienaangaande door of namens de ambassade in Ghana is verricht naar aanleiding van het verzoek om legalisatie en verificatie van een akte van een latere geboorteregistratie.

Het staat vooralsnog niet vast dat de hoofdpersoon onvoldoende gegevens zal kunnen overleggen om een zoekopdracht naar de eerste geboorteregistratie van de hoofdpersoon door het centrale bureau van de burgerlijke stand in Ghana te doen slagen. Er is dan ook vooralsnog onvoldoende grond voor de conclusie dat eiser wegens bewijsnood niet in staat is een gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring van de hoofdpersoon te overleggen.

2.12 Nu vaststaat dat eiser geen gelegaliseerde en geverifieerde ongehuwdverklaring van de hoofdpersoon heeft overgelegd en verweerder in dat verband - blijkens hier hiervoor onder 2.11 vermelde oordeel - in het bestreden besluit mocht overwegen dat er van bewijsnood bij het overleggen van een dergelijke verklaring (nog) geen sprake is, is de vraag of de ongehuwde staat van de hoofdpersoon niet op andere wijze is aangetoond.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders motivering voor de conclusie dat de hoofdpersoon niet als ongehuwd kan worden beschouwd, onvoldoende is. Daartoe acht de rechtbank de navolgende omstandigheden redengevend.

De in 1970 geboren hoofdpersoon verblijft reeds sinds 1988 rechtmatig in Nederland en heeft in 1987 de Nederlandse nationaliteit verkregen ex artikel 27, tweede lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, middels een verklaring afgelegd door haar Nederlandse moeder. Verweerder heeft desgevraagd geen dossier kunnen overleggen over de procedure tot naturalisatie van de hoofdpersoon. Derhalve kan geen duidelijkheid worden verkregen over de vraag of destijds ten behoeve van de naturalisatie een rechtsgeldige geboorteakte is overgelegd. Het staat wel vast dat indertijd, vóór 1993, een andere geboorteakte, die door diefstal is verdwenen, de Nederlandse autoriteiten van de juistheid van de stellingen omtrent de identiteit van de hoofdpersoon heeft overtuigd. Kennelijk heeft er in het verleden geen twijfel bestaan over de identiteit en de burgerlijke staat van de hoofdpersoon, nu de hoofdpersoon indertijd ook als ongehuwd is ingeschreven in de GBA. De minister van Buitenlandse Zaken twijfelt blijkens de besluiten van 23 juli 1999 evenmin aan de ongehuwde burgerlijke staat van de hoofdpersoon. Slechts de juistheid van de in de (tweede akte) vermelde geboorteplaats wordt door die minister in twijfel getrokken. Onder deze omstandigheden, waar het niet aannemen van de ongehuwdheid van de hoofdpersoon uiteindelijk is terug te voeren op een gestelde geboorteplaats die niet in overeenstemming is met informatie uit een namens de minister van Buitenlandse Zaken uitgevoerd onderzoek, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat niet is aangetoond dat de hoofdpersoon ongehuwd is.

2.13 Het beroep is derhalve gegrond. De overige grieven van eiser behoeven geen bespreking meer. Verweerder heeft artikel 7:12, eerste lid, Awb en artikel 3.13 jo. 3.14 Vb geschonden. Het bestreden besluit kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.14 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Uit het vorenoverwogene volgt immers tevens dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had, zodat uitzetting op grond van artikel 32 Vw oud vooralsnog achterwege moet blijven.

2.15 In dit geval bestaat aanleiding verweerder in de hoofdzaak met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit voor het beroep vastgesteld op € 1127,-- (1,5 punt voor het beroepschrift en het verstrekken van schriftelijke inlichtingen en 2 punten voor het verschijnen ter zittingen, wegingsfactor 1). Voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening zijn de kosten vastgesteld op € 322,-- (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1; er is geen aanleiding voor toekenning van een afzonderlijk punt voor de behandeling van dat verzoek ter zitting). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van deze bedragen te geschieden aan de griffier.

2.16 Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 109,-- voor het beroep en ad € 102,10 voor de procedure ter verkrijging van een voorlopige voorziening dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op een nieuw besluit op het bezwaarschrift van eiser van 10 september 1999 te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1127,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.5 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,--.

De voorzieningenrechter:

3.6 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.7 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenvestigingsplaats Haarlem dient te vergoeden;

3.8 wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 102,10.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.T. van Rens, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. R.H.M. Bruin en mr. A.A.F. Donders, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit als griffier.

Afschrift verzonden op: 7 augustus 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.