Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM3081

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-08-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/21504
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Visum kort verblijf / bezwaar kennelijk ongegrond / horen.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat eerst bij brief van 12 december 2002, derhalve in de bezwaarfase, door verweerder aan referent is verzocht een vragenlijst in te vullen en deze binnen twee weken retour te zenden, alsmede om toezending van een garantverklaring, een kopie van de arbeidsovereenkomst en een kopie van een recente loonstrook van referent. Referent heeft hieraan op 31 december 2002 voldaan. Zoals ter zitting is gesteld door de gemachtigde van eiser – en onbestreden door verweerder - is door verweerder voor het nemen van de bestreden beschikking op 12 maart 2003 niet om nadere informatie gevraagd. Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting bevestigd dat de procedure voor het aanvragen van een visum kort verblijf vooral erop is gericht om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen en dat in geval van een afwijzing eerst in bezwaar zo nodig nadere informatie wordt ingewonnen. De rechtbank is van oordeel dat in geval verweerder een procedure zo inricht dat door verweerder eerst na bezwaar de materiële inhoud van de zaak verder wordt onderzocht, verweerder zich daardoor zelf de pas afsnijdt om dat bezwaarschrift vervolgens nog als kennelijk ongegrond aan te merken, behoudens zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval gesteld noch gebleken. Derhalve heeft verweerder ten onrechte van het horen van eiser afgezien op de overweging dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/491
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, enkelvoudig

__________________________________________________

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:77 Algemene wet bestuursrecht

juncto artikel 71 Vreemdelingenwet

__________________________________________________

Reg.nr : AWB 03/21504 VISUM G I1

Inzake : A, eiser, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. C.F.M. Raaijmakers, advocaat te Haarlem,

tegen : de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder, gemachtigde mr. J.A.C. Verbeek, ambtenaar ten departemente van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Eiser, geboren op [...] 1959, bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Op 26 september 2002 heeft hij bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Rabat (Marokko) een aanvraag ingediend ter verstrekking van een visum voor kort verblijf bij zijn hier te lande wonende vriend B (hierna: referent). Op deze aanvraag om afgifte van een visum op basis van het Soeverein Besluit van 12 december 1813 is door verweerder op 12 november 2002 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 12 maart 2003 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij schrijven van 8 april 2003 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2003. Eiser heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. In dit geding dient te worden beoordeeld of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangedragen beroepsgronden de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2. Ingevolge artikel 72, lid 2, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf, voor de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000, bevattende bepalingen over bezwaar en beroep inzake reguliere verblijfsvergunningen, gelijkgesteld met een beschikking gegeven krachtens de Vw 2000.

3. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor het gevraagde visum.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit op basis van de door eiser verstrekte informatie ten onrechte heeft geconcludeerd dat het buiten alle twijfel is dat eiser niet in aanmerking kan komen voor de afgifte van een visum voor kort verblijf.

Voorts stelt eiser dat hij ten onrechte niet is gehoord door verweerder omtrent het doel van zijn bezoek en zijn solvabiliteit.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat verweerder eiser ten onrechte het uitgelopen verblijf van de moeder van referent heeft tegengeworpen.

4. Verweerder handhaaft het standpunt dat eiser niet voor een visum in aanmerking komt. Volgens verweerder heeft eiser het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden niet voldoende aannemelijk gemaakt. Voorts is niet vast komen te staan dat eiser over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van levensonderhoud gedurende de bezoekperiode en over middelen voor de terugreis. Ook is niet vast komen te staan dat tegen het verblijf van eiser geen bezwaar bestaat uit hoofde van de openbare orde, de openbare rust of de nationale veiligheid.

5. Het beleid met betrekking tot de afgifte van visa (kort verblijf) is neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc2000) in hoofdstuk A 2/7 respectievelijk A2/9. In het kader van deze in Schengenverband vastgestelde voorschriften zijn de volgende criteria vermeld op grond waarvan visumplichtige vreemdelingen toegang kan worden verleend voor een verblijf van ten hoogste drie maanden.

De vreemdeling dient in het bezit te zijn van een geldig document voor grensoverschrijding voorzien van een visum of machtiging tot voorlopig verblijf. De vreemdeling dient het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden voldoende aannemelijk te maken.

Er dient voorts vast te staan dat de vreemdeling over voldoende middelen van bestaan beschikt voor de kosten van levensonderhoud gedurende de bezoekperiode en over middelen voor de terugreis. Zijn de eigen financiële middelen ontoereikend dan kan het verblijf slechts worden toegestaan indien een hier te lande wonende solvabele referent zich schriftelijk garant heeft gesteld voor de kosten van levensonderhoud en van de terugreis.

Ten slotte mag tegen het verblijf van de vreemdeling geen bezwaar bestaan uit hoofde van de openbare orde, de openbare rust of de nationale veiligheid.

Verweerder is met het vorenstaande gebleven binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat eerst bij brief van 12 december 2002, derhalve in de bezwaarfase, door verweerder aan referent is verzocht om een vragenlijst in te vullen en deze binnen twee weken retour te zenden, alsmede om toezending van een garantverklaring, een kopie van de arbeidsovereenkomst en een kopie van een recente loonstrook van referent. Referent heeft hieraan op 31 december 2002 voldaan.

Zoals ter zitting is gesteld door de gemachtigde van eiser - en onbestreden door verweerder - is door verweerder voor het nemen van de bestreden beschikking op 12 maart 2003 niet om nadere informatie gevraagd.

Desgevraagd heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting bevestigd dat de procedure voor het aanvragen van een visum kort verblijf vooral er op is gericht om zo spoedig mogelijk een besluit te nemen en dat in geval van een afwijzing eerst in bezwaar zo nodig nadere informatie wordt ingewonnen.

De rechtbank is van oordeel dat in geval verweerder een procedure zo inricht dat door verweerder eerst na bezwaar de materiële inhoud van de zaak verder wordt onderzocht, verweerder zich daardoor zelf de pas afsnijdt om dat bezwaarschrift vervolgens nog als kennelijk ongegrond aan te merken, behoudens zeer bijzondere omstandigheden in het individuele geval.

Dergelijke omstandigheden zijn in het onderhavige geval gesteld noch gebleken.

Derhalve heeft verweerder ten onrechte van het horen van eiser afgezien op de overweging dat het bezwaar kennelijk ongegrond is.

7. Reeds op grond van het vorenstaande dient het besluit te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:3, aanhef en onder b Awb.

Hetgeen overigens is aangevoerd behoeft thans geen verdere beoordeling.

8. Het beroep is derhalve gegrond en de bestreden beschikking zal worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift.

9. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaarschrift neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Buitenlandse Zaken) als rechtspersoon die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad € 116,- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. M.C.J.A. Huijgens en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. M. Kruijt, griffier.

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na de verzending van de uitspraak door de griffier.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. (Nadere informatie www.raadvanstate.nl)

afschrift verzonden op: