Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM2601

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
11-12-2003
Zaaknummer
AWB 02/39499
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

DRC / categoriaal beschermingsbeleid.

Verweerder voert een beleid van categoriale bescherming terzake Tutsi’s uit de DRC. Eiser is van gemengde etnische afkomst; zijn moeder is Tutsi en zijn vader is Kassai. Verweerder heeft de etnische afkomst niet in twijfel getrokken. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet mede zou behoren tot de Tutsi bevolkingsgroep. Uit de ambtsberichten blijkt niet dat enkel moet worden uitgegaan van de etniciteit van de vader. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/S424

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb 02/39499

uitspraak: 3 juli 2003

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1967,

verblijvende te B,

burger van de Democratische Republiek Congo (DRC),

IND dossiernummer 9905.07.2213,

eiser,

gemachtigde: mw. mr. M. C. Boon, advocaat te Leeuwarden,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. H. P. Kallenbach, werkzaam bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 8 mei 1999 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling gedaan. Bij beschikking van 12 december 2000, aan eiser uitgereikt op 13 maart 2001, heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist eiser geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen.

1.2 Eiser heeft hiertegen bij brief van 10 april 2001 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 24 april 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 22 mei 2002 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De gronden zijn ingediend op 13 juni 2002. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 28 mei 2003. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Eiser heeft ter ondersteuning van zijn aanvraag, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Kinsahsa. Op 19 december 1998 is de oom van eiser, die op dat moment in het huis van eiser verbleef, meegenomen door drie mannen van de veiligheidsdienst. Eiser en zijn moeder zijn daarbij mishandeld en tegen hen is gezegd dat men terug zou komen vanwege de Rwandese nationaliteit van eiser en zijn familie. Omdat het niet veilig was te blijven is eiser met zijn familie na twee dagen via Matadi naar Luanda Angola gereisd. Eiser heeft daar tot 5 mei 1999 bij een Angolese familie verbleven en is vervolgens via Brussel naar Nederland gereisd.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, om de volgende redenen. Eiser heeft onvoldoende reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen. Hierdoor is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast en wordt afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid ervan. Nu eiser heeft verzwegen in België te hebben gewoond, terwijl hij meerderde malen heeft verklaard nooit in Europa te hebben verbleven, concludeert verweerder dat eiser opzettelijk onjuiste gegevens heeft vertrekt om te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan zonder die gegevens. Voorts heeft eiser onjuiste verklaringen afgelegd inzake het aan de macht komen van Kabila.

Voor zover moet worden aangenomen dat het asielrelaas van eiser op waarheid berust, vormt dit geen grond om tot vluchtelingenschap te concluderen. Hiertoe overweegt verweerder het volgende. Er kan niet worden gesproken van prima facie vluchtelingenschap. Voorts is niet gebleken dat eiser in de DRC in de persoonlijke negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Eiser heeft verklaard dat zijn oom werd gezocht door de autoriteiten vanwege diens activiteiten voor het Rwandase Comité van Zaïre. Niet is gebleken dat eiser daarbij betrokken was. Derhalve is niet aannemelijk dat eiser om die reden heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de autoriteiten. Na de arrestatie van de oom heeft eiser nog twee dagen zonder problemen thuis verbleven. Dat duidt niet op gegronde vrees voor vervolging. Voorts is de stelling van de moeder van eiser dat hij en zijn familie problemen zouden krijgen met de veiligheidsdienst enkel gebaseerd op vermoedens. De stelling van eiser in bezwaar dat hij wordt gezocht vanwege zijn eigen contacten met de rebellen is niet geloofwaardig, aangezien hij daar niet eerder over heeft verklaard. In bezwaar heeft eiser tevens aangevoerd dat hij van gemengde (Rwandese) Tutsi afkomst is. Verweerder stelt dat mag worden aangenomen dat eiser dezelfde etniciteit bezit als zijn vader, namelijk Kassai. Niet is gebleken dat eiser vanwege zijn gestelde gemengde afkomst problemen met de autoriteiten heeft gehad. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2000, faalt derhalve. Eiser komt dientengevolge ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid en onder d van de Vreemdelingenwet (Vw). Verweerder ziet evenmin aanleiding eiser in het bezit te stellen van een vergunning tot verblijf onder b en c van dit artikel. Gelet op het vooroverwogene is met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht afgezien van het horen van eiser.

2.3 Eiser voert het volgende aan. In het kader van de twijfel aan het reisverhaal en daarmee ook het asielrelaas heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij heeft nagelaten de bescherming van de Belgische autoriteiten in te roepen. Eiser merkt daarover op dat hij geheel afhankelijk was van de reisagent die hem vanuit België naar Nederland doorverwees. Eiser bestrijdt de opvatting van verweerder dat hij opzettelijk heeft getracht met onjuiste gegevens in een gunstiger positie te komen. Het verstrekken van gegevens over België had immers geen invloed op zijn asielrelaas. Bovendien heeft eiser geen aanspraak op een verblijfsvergunning in België. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld nu hij ten onrechte niet is gehoord inzake zijn verblijf in België. Dit klemt te meer nu geen rekening is gehouden met de reactie van eiser op het resultaat van nader onderzoek van 18 april 2002. Eiser heeft te vrezen voor vervolging van de zijde van de Congolese autoriteiten op grond van de activiteiten van zijn oom en op grond van de afkomst van zijn moeder. Daarbij is tevens van belang dat eiser vlak voor de arrestatie van zijn oom contacten had met de rebellen en gegevens die hij van hen verkreeg aan zijn oom doorgaf. Inzake de tegenwerping van verweerder dat eiser na zijn arrestatie nog twee dagen is thuisgebleven, stelt eiser dat hij en zijn familieleden, toen zijn oom ook na twee dagen niet terugkwam, concludeerden dat de problemen serieus waren. Ook vanwege zijn, reeds in het nader gehoor naar voren gebrachte, gemengde (Rwandese) Tutsi afkomst heeft eiser te vrezen voor vervolging. Eiser verwijst hier naar de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 18 augustus 2000 en naar het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 12 mei 1999. Eiser stelt tevens in aanmerking te komen voor een vergunning tot verblijf op de b, c en d grond van artikel 29 Vw. In het kader van de d-grond beroept eiser zich op voornoemd ambtsbericht waarin is aangegeven dat terugkeer van Congolese Tutsi’s naar gebieden onder controle van Kabila vooralsnog uitgesloten wordt geacht. Eiser kan dan ook niet naar zijn land terugkeren.

2.4 Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

2.5 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij zal, gelet op artikel 118, tweede lid, Vw, de wijze waarop de bestreden beschikking tot stand is gekomen worden getoetst aan de hand van het recht zoals dat tot 1 april 2001 gold.

2.6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van artikel 7:3, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, terecht heeft kunnen afzien van het mondeling horen van eiser nu deze op 13 december 2001 schriftelijk heeft verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord en eiser op 14 maart 2002 en op 18 april 2002 in de gelegenheid is gesteld om schriftelijk zijn zienswijze op in bezwaar nieuw bekend geworden gegevens naar voren te brengen.

2.7 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, c en d Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; of

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.8 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

2.9 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in de DRC zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw in samenhang met artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw moet worden verleend. Daarom zal aannemelijk moeten zijn dat met betrekking tot eiser persoonlijk feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan kan worden geoordeeld dat een dergelijke verblijfsvergunning moet worden verleend.

2.10 De rechtbank begrijpt uit de redactie van de bestreden beschikking, waarin de beschikking in primo als herhaald en ingelast is beschouwd, dat verweerder het asielrelaas van eiser primair ongeloofwaardig en subsidiair niet aannemelijk acht. Uit het beroepschrift en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat gemachtigde van eiser dit ook zo heeft begrepen. Gelet hierop dient de rechtbank eerst te beoordelen of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er sprake is van een ongeloofwaardig asielrelaas nu eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten ten aanzien van de reisroute niet aan hem is toe te rekenen, eiser inzake zijn verblijf in België onjuiste verklaringen heeft afgelegd en eiser onjuiste verklaringen heeft afgelegd inzake het aan de macht komen van Kabila.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas op de a, b en c grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

2.12 De rechtbank stelt vast dat het standpunt van verweerder inzake de geloofwaardigheid van eisers verklaringen niet de nationaliteit en de gemengde afkomst van eiser raakt. De vader van eiser behoort tot de Kassai-bevolkingsgroep, zijn moeder tot de Tutsi-bevolkingsgroep.

2.13 De rechtbank stelt op basis van hoofdstuk C8 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) vast dat verweerder inzake Tutsi uit de DRC een beleid van categoriale bescherming voert. Verweerder gaat er in het kader van zijn beoordeling op grond van het beleid voor categoriale bescherming vanuit dat eiser behoort tot de Kassai-bevolkingsgroep nu zijn vader Kassai is. Ter zitting heeft verweerder gewezen op de discretionaire bevoegdheid van de minister aangaande het categoriale beschermingsbeleid. Verweerder heeft ter zitting tevens aangevoerd dat, gebaseerd op de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse zaken, aangenomen mag worden dat eiser de etniciteit van zijn vader bezit. Eiser stelt daartegenover dat hij van gemengde afkomst is nu zijn moeder een Tutsi is. Verder heeft eiser gesteld dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld nu hij niet heeft onderbouwd waarom de etniciteit enkel wordt bepaald door de afkomst van de vader.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden beschikking onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser niet mede zou behoren tot de Tutsi-bevolkingsgroep. De rechtbank acht in dat kader van belang dat geenszins uit de bedoelde ambtsberichten van het ministerie van Buitenlandse zaken blijkt dat enkel moet worden uitgegaan van etniciteit van de vader.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de motivering voor de conclusie dat eiser niet op grond van zijn moeders afkomst voor categoriale bescherming in aanmerking komt onvoldoende draagkrachtig is. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de bestreden beschikking niet deugdelijk is gemotiveerd. De beschikking dient dan ook te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 Algemene wet bestuursrecht.

2.14 Het beroep is derhalve gegrond.

2.15 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt de bestreden beschikking;

-draagt verweerder op opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad EUR 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. W. Keuning en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2003 in tegenwoordigheid van J. H. Bos als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden: 4 juli 2003