Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AM1460

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-05-2003
Datum publicatie
24-10-2003
Zaaknummer
AWB 01/25067, 03/14378
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / China.

In casu is TBV 1996/1 van toepassing. Verweerder stelt dat eiser in staat moet worden geacht zich zelfstandig staande te kunnen houden in het land van herkomst. De rechtbank verwijst naar de REK-uitspraak van 3 juli 1997. Eiser was bij binnenkomst in Nederland zestien jaar en vier maanden oud. Dat eiser voor zijn vertrek naar Nederland gedurende enige maanden in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien door het verzamelen en verkopen van blikjes alsmede door het verkrijgen van voedsel van anderen, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat boven iedere redelijke twijfel verheven is dat eiser zich bij terugkeer naar China geheel zelfstandig zal kunnen handhaven. Met name de korte duur van eisers zelfstandigheid en de marginaliteit van de verrichte activiteiten acht de rechtbank daarbij van belang. Volgens vaste jurisprudentie is de in hoofdstuk B7/13 Vc-1994 en in TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder zich binnen zes maanden ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs is gewaarborgd, niet aan te merken als een fatale termijn. Wel geeft het beleid met deze verplichting uitdrukking aan de zorg een amv zo snel mogelijk zekerheid over zijn verblijf in Nederland te verschaffen. Verweerder heeft eerst na ruim 28 maanden een eerste beslissing op de aanvraag genomen. Verweerder is binnen deze periode geen (individueel) onderzoek naar adequate opvang gestart, maar heeft de afwijzing gebaseerd op het ambtsbericht van 9 april 2001. Deze gang van zaken staat haaks op de ratio van de zesmaandentermijn en is naar het oordeel van de rechtbank niet zorgvuldig jegens eiser. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarin de overschrijding van de zorgvuldigheidstermijn is gelegen. Voorzover de overschrijding van de zesmaandentermijn een gevolg is van een vertraging in de besluitvorming inzake amv, dient dit voor rekening en risico van verweerder te komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 01/25067 OVERIN

AWB 03/14378 BEPTDN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake de beroepen van:

A, geboren op [...] 1984, van Chinese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. F.A.M te Braake, advocaat te Goes,

tegen twee besluiten van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.V.G. van Leeuwarden, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij besluit van 22 mei 2001 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 september 2000 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel niet ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep, geregistreerd onder nummer AWB 01/25067 OVERIN, ingesteld.

Bij besluit van 26 februari 2003 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn beslissing van 21 januari 2003 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde beslissing heeft verweerder ambtshalve besloten om eiser niet in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv). Eiser heeft tegen het besluit van 26  februari 2003 beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer AWB 03/14378 BEPTDN.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschriften geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 17 april 2003. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Eiser is ter zitting in persoon verschenen.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden. Daartoe moet worden bezien of deze besluiten de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kunnen doorstaan.

Eiser legt aan de aanvraag ten grondslag dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel, omdat hij verdragsvluchteling is. Hij voert daartoe het volgende aan.

Eiser is afkomstig uit B in China en behoort tot de bevolkingsgroep der Han. Eiser is opgegroeid bij zijn vader en zijn oma. Begin mei 1998 overleed zijn vader vanwege een bootongeluk. De boot van eisers vader kwam in aanraking met een andere boot, waarna beide boten zijn gezonken en veel van de opvarenden, waaronder eisers vader en de eigenaar van de andere boot, zijn omgekomen. Na de dood van eisers vader zorgde eisers oma voor hem. Op 27 december 1999 overleed zij. Eiser bleef in het ouderlijk huis wonen. Door het verzamelen en verkopen van blikjes voorzag hij in zijn levensonderhoud. Soms kreeg eiser eten van anderen. In maart 2000 kwam de zoon van de eigenaar van de andere boot die bij het ongeluk in mei 1998 was betrokken bij het huis van eiser langs. Hij wilde geld van eiser hebben vanwege de dood van zijn vader door toedoen van eisers vader. Toen eiser zei dat hij geen geld had, dreigde de man hem te zullen doden. Eiser werd bang en ging bij zijn buurman, oom C, wonen. In juli 2000 kwam een vriend van eisers vader langs. Deze vriend regelde dat eiser uit China kon vertrekken. Eiser heeft -onder meer- gereisd met het vliegtuig en de trein.

Verweerder heeft de bestreden besluiten -voor zover van belang, zakelijk weergegeven en onder inlassing van het voornemen dan wel de beschikking in primo- doen steunen op de volgende overwegingen.

Allereerst is vastgesteld dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd om zijn nationaliteit, identiteit en reisroute vast te kunnen stellen. Voorts heeft eiser geen documenten met betrekking tot zijn asielrelaas overgelegd. Eiser was in het bezit van documenten waarmee hij het land is ingereisd, nu hij heeft verklaard dat hij na landing van het vliegtuig documenten heeft laten zien, waardoor hij het vliegveld heeft kunnen verlaten. Eiser heeft geen reden aangevoerd voor de omstandigheid dat hij deze documenten niet heeft overgelegd. Voorts heeft eiser onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute. Eiser heeft in het land van herkomst zowel gereisd met de trein als met het vliegtuig. Verwacht kan worden dat eiser van deze reis documenten overlegt. Na de vliegreis heeft eiser nogmaals met de trein gereisd. Ook van deze reis heeft eiser geen plaatsbewijzen overgelegd. Gelet op het vorenstaande is het ontbreken van deze documenten aan eiser toe te rekenen, zodat de oprechtheid van het relaas op voorhand is aangetast en afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van dit relaas.

De beschuldiging dat eiser schuldig was aan de dood van een booteigenaar (lees: bedreigd werd door de zoon van de overleden booteigenaar) betreft een privé-aangelegenheid die niet is terug te voeren op één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Eiser had zich tegen de gestelde bedreiging kunnen beschermen door dit aan de plaatselijke autoriteiten te melden. Ongetwijfeld had eiser de nodige bescherming gekregen, nu de bedreiger bij de politie reeds bekend was als een voormalig delinquent. Wat er ook van zij, tijdens eisers verblijf bij oom C -in de periode van maart 2000 tot aan zijn vertrek in juli 2000- heeft eiser dienaangaande geen problemen ondervonden.

Gelet op het vorenstaande alsmede het toerekenbaar ontbreken van de noodzakelijke documenten is het niet aannemelijk dat eiser gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Verdrag, zodat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Voorts bestaat er geen aanleiding om eiser in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning op enige andere grond.

Gezien de minderjarigheid van eiser ten tijde van zijn aanvraag heeft verweerder ambtshalve, aan de hand van het toelatingsbeleid inzake amv’s het volgende overwogen.

Gebleken is dat eiser sinds het overlijden van zijn oma op 27 december 1999 tot zijn vertrek uit het land van herkomst in juli 2000 -met uitzondering van het verblijf bij zijn buurman- in het ouderlijk huis woonde en dat hij in zijn levensonderhoud heeft kunnen voorzien door het verzamelen en verkopen van blikjes. Gelet op het vorenstaande is boven enige twijfel verheven dat eiser zich zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst.

Wat er van het vorenstaande ook zij, verweerder stelt zich op het standpunt dat er weliswaar geen adequate opvang aanwezig wordt geacht bij oom C, maar dat er blijkens het ambtsbericht van 9 april 2001 sprake is van adequate opvang door lokale instellingen.

Eiser bestrijdt deze besluiten en voert daartegen aan dat hij inzake de bedreigingen door het familielid van de overleden booteigenaar niet de nodige bescherming van de politieautoriteiten heeft gekregen. Voorts vreest eiser door de politie te worden mishandeld, indien hij bescherming zou zoeken. Eiser stelt dat hij, gelet op de omstandigheden dat hij nog zeer jong is, geen familie heeft op wie hij een beroep kan doen bij terugkeer naar het land van herkomst, sinds september 2000 hier te lande is, de Nederlandse taal al behoorlijk spreekt en inmiddels aan de Nederlandse samenleving gewend is geraakt, in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

Met betrekking tot het beleid inzake amv’s stelt eiser dat het voornoemde beleid de bedoeling heeft om ingeval van minderjarigheid na te gaan of er in het land van herkomst daadwerkelijke opvang voor de minderjarige aanwezig is. Een onderzoek door het Ministerie van Buitenlandse Zaken is dienaangaande in zijn algemeenheid geïndiceerd. Nu eiser stelt dat er voor hem in de opvanghuizen geen plaats is, kan niet zonder meer worden uitgegaan van de omstandigheid dat er wel plaats is zonder daaromtrent relevant onderzoek te doen. Ten slotte acht eiser geen rechtvaardiging aanwezig voor het gemaakte onderscheid tussen minderjarigen uit China en andere minderjarigen. Te minder nu eiser ontkent dat er voldoende beschikbare plaatsen zijn.

Op 16  april 2003 heeft eiser de rechtbank de volgende stukken doen toekomen:

het artikel van Vluchtelingenwerk ‘Introductie het ama (alleenstaande minderjarige beleid) beleid voor Chinese minderjarigen’ van 2 april 2002;

het artikel van Vluchtelingenwerk ‘Notitie adequate opvang Chinese ama’s’ van 2 april 2002;

een brief van Unicef aan Vluchtelingenwerk te Rijnmond d.d. 18 juni 2002, en;

een brief van het International Labour Organization aan de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Amsterdam d.d. 7 oktober 2002.

Ter zitting heeft eiser nog aangevoerd dat hij bang is om de bescherming van de politie in te roepen, aangezien de politie in het algemeen agressief is en met onderwereldfiguren samenwerkt alsmede dat hij in het verleden door hen is geslagen. Daarenboven is hij wel naar het plaatselijke politiebureau geweest, maar is hem aldaar aangegeven dat hij hun tijd niet moet verspillen. Voorts wijst eiser op de huidige situatie in China, te weten het virus Severe Acute Respiratory Syndrome (SARS).

Met betrekking tot het amv-beleid geeft eiser aan dat het Tussentijdse Bericht Vreemdelingencirculaire 1996/1 (TBV 1996/1) uitgangspunt dient te zijn. Volgens voornoemd TBV dient binnen zes maanden een beslissing te worden genomen. Gelet op het feit dat de asielaanvraag van eiser van september 2000 dateert, had verweerder in februari 2001 inzake het amv-gedeelte dienen te beslissen, derhalve voor het uitkomen van het ambtsbericht van 9 april 2001. Eiser stelt zich dan ook op het standpunt dat het ambtsbericht niet mag leiden tot verslechtering van zijn situatie.

Ingevolge artikel 13 van de Vreemdelingenwet (Vw) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien -voor zover hier van belang- internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Op grond van artikel 1(A) van het Verdrag van Genève is van vluchtelingschap sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst

Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

In artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw is bepaald dat bij onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw is verweerder bevoegd ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, waaronder de verblijfsvergunning voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder y, jo artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).

De rechtbank overweegt als volgt.

Voorop staat dat de situatie in China niet zodanig is dat asielzoekers uit dat land in het algemeen zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. De omstandigheid dat eiser behoort tot de bevolkingsgroep der Han brengt evenmin met zich mee dat hij reeds om die reden als vluchteling aangemerkt dient te worden.

Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende omstandigheden bestaan die zijn vrees voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin rechtvaardigen.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Dienaangaande overweegt de rechtbank het navolgende.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in de uitspraak van 31  oktober 2002 (geregistreerd onder nummer 200204638/1, gepubliceerd in JV 2003/2) overwogen dat het primair de verantwoordelijkheid van verweerder is te bepalen of en in hoeverre bij de beslissing op de aanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas gestelde, doch niet gestaafde feiten. De beslissing welke documenten noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag en welke documenten ter onderbouwing daarvan hadden kunnen en moeten worden overgelegd, maakt deel uit van die beoordeling.

Gelet op voornoemde uitspraak overweegt de rechtbank dat verweerder zich, op de in het bestreden besluit van 22  mei 2001 aangegeven gronden, in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende documenten met betrekking tot zijn identiteit of nationaliteit heeft overgelegd en zijn reisverhaal onvoldoende met concreet bewijs heeft onderbouwd.

Het vorenstaande in aanmerking nemend is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid op voorhand heeft kunnen twijfelen aan de oprechtheid van eisers asielmotieven.

De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat de door eiser weergegeven asielmotieven ontoereikend zijn voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Van enige op de persoon van eiser gerichte daad van vervolging is niet gebleken. Met betrekking tot de bedreiging welke eiser heeft gesteld te hebben ondervonden van de zoon van de overleden booteigenaar overweegt de rechtbank dat deze in de privé-sfeer ligt en niet is te herleiden tot één van de gronden van het Verdrag. Bovendien is niet gebleken dat de autoriteiten niet in staat en bereid zijn om aan eiser bescherming te bieden, nu eiser zelf geen enkele poging heeft ondernomen tot het inroepen van bescherming. Dat eiser vreest te worden mishandeld door de politie in het geval hij bescherming zoekt, kan aan het vorenstaande niet afdoen, reeds omdat eiser deze vrees niet heeft onderbouwd. Met betrekking tot de verklaring van eiser ter zitting dat hij bang is om de bescherming van de autoriteiten in te roepen vanwege het feit dat hij in het verleden door de politie is geslagen en dat hij in het verleden wel de bescherming van de autoriteiten heeft ingeroepen, maar dat hem deze is geweigerd, overweegt de rechtbank dat deze verklaringen geen steun vinden in de overige gedingstukken. Van eiser mag worden verwacht dat hij dergelijke essentiële aspecten niet onvermeld laat, zodat de rechtbank hieraan thans voorbij gaat. Tevens gaat de rechtbank aan de stelling van eiser dat de politie samenwerkt met onderwereldfiguren voorbij, nu deze niet op enige wijze door eiser is onderbouwd en uit deze stelling nog niet volgt dat hem in het onderhavige geval bescherming zou zijn onthouden.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is.

Gelet op hetgeen hiervoor ten aanzien van het asielrelaas is overwogen, is voorts niet aannemelijk dat eiser bij gedwongen verwijdering naar China een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Eiser kan aan het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw derhalve geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw, op grond waarvan verweerder aan eiser een verblijfsvergunning niet heeft kunnen onthouden.

De door eiser aangevoerde omstandigheden acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Met betrekking tot de omstandigheden dat eiser nog zeer jong is en hij geen familie heeft om een beroep op te doen bij terugkeer naar het land van herkomst, overweegt de rechtbank dat deze aspecten een rol kunnen spelen in het kader van het amv-beleid. De overige omstandigheden kunnen, gelet op hoofdstuk C1/4.4.2.4 Vc, evenmin leiden tot een geslaagd beroep, aangezien het (humanitaire) omstandigheden betreffen die na het vertrek uit het land van herkomst zijn ontstaan.

Met betrekking tot hetgeen eiser heeft aangevoerd tegen de weigering van verweerder om hem in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met de beperking verblijf als amv overweegt de rechtbank het navolgende.

Bij het TBV 1996/1 van 12 maart 1996 heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie beleid bekendgemaakt inzake ama’s. Het TBV 1996/1 was oorspronkelijk geldig van 15 maart 1996 tot en met 15 maart 1998.

Bij brief van 12 februari 1998 (Stcrt. 1998, nr. 42, pag. 9) heeft de Staatssecretaris meegedeeld dat de geldigheidsduur van dit TBV is verlengd tot 1 maart 2000. Vervolgens is bij het TBV 2000/07 van 4 april 2000 meegedeeld dat TBV 1996/1, in afwachting van de parlementaire behandeling van de beleidsnotitie over ama’s die op 24 maart 2000 aan de Tweede Kamer is gezonden, nogmaals zal worden verlengd, te weten tot 1 januari 2001.

Bij het TBV 2000/30 van 29 december 2000 is nieuw beleid inzake 'alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen' bekendgemaakt. In dit TBV is, onder het kopje 'Algemeen overgangsrecht' het navolgende opgenomen:

"Het nieuwe beleid zoals beschreven in dit TBV is alleen van toepassing op alleenstaande minderjarige asielzoekers en vreemdelingen die hun asielaanvraag hebben ingediend op of na 4 januari 2001. (...) In de gevallen waarin de asielaanvraag is ingediend vóór 4 januari 2001, blijven paragraaf B7/13 (oud) en de TBV's 1996/1, 2000/6 [over leeftijdsonderzoek in de AC-procedure] en 2000/7 van toepassing, zowel bij eerste beoordeling als bij de beoordeling van de verlengingsaanvraag."

In hoofdstuk B7/13 van de Vreemdelingencirculaire 1994 (Vc 1994) en het TBV 1996/1 is het toelatingsbeleid voor ama's neergelegd. Op grond van dit beleid is een ama een minderjarige asielzoeker die bij binnenkomst in Nederland niet wordt begeleid en/of verzorgd door ouders en/of meerderjarige bloed- en/of aanverwanten. Kan een ama niet als vluchteling worden erkend en zijn er ook geen bijzondere omstandigheden die kunnen leiden tot toelating op grond van klemmende redenen van humanitaire aard, dan wordt beoordeeld of de ama kan terugkeren naar het land van herkomst. Daartoe dient vast te staan of teruggeleiding verantwoord is. Het criterium daarvoor is of er adequate opvang aanwezig is in het land van herkomst.

Ingeval binnen zes maanden na indiening van de asielaanvraag is komen vast te staan dat er voor deze minderjarige in het land van herkomst geen adequate mogelijkheid tot opvang redelijkerwijs is gewaarborgd en deze tevens onder voogdij van een voogdijvereniging is gesteld, wordt de minderjarige in het bezit gesteld van een vergunning tot verblijf, tenzij er sprake is van gevaar voor de openbare orde.

De rechtbank stelt allereerst van dat uit het leeftijdsonderzoek van 12 september 2000 is gebleken de statistische kans op minderjarigheid van eiser ten tijde van de aanvraag 83,99% is, zodat ervan moet worden uitgegaan dat hij minderjarig was.

Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser op 10 september 2000 de onderhavige aanvraag om toelating heeft ingediend. Zoals blijkt uit hetgeen hierboven is opgenomen gold ten tijde van de indiening van de aanvraag het TBV 1996/1. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

In de onderhavige zaak is allereerst van belang of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat eiser in staat moet worden geacht zich zelfstandig staande te kunnen houden in zijn land van herkomst.

De Rechtseenheidskamer van deze rechtbank heeft in haar uitspraak van 3 juli 1997, AWB 97/3056, geoordeeld dat slechts in die gevallen, waarin boven iedere redelijke twijfel is verheven dat de ama zich in het land van herkomst zonder hulp of opvang van anderen staande zal kunnen houden, een uitzondering kan worden gemaakt op het uitgangspunt dat in het land van herkomst enigerlei vorm van opvang aanwezig moet zijn. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank, behalve aan de leeftijd van betrokkene, betekenis worden toegekend aan de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de ama zich zelfstandig moest gaan redden en de situatie waarin hij verkeerde.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak niet boven iedere redelijke twijfel verheven dat eiser zich in het land van herkomst zonder hulp of opvang zelfstandig staande zal kunnen houden. De rechtbank acht in dit kader van belang dat eiser bij binnenkomst in Nederland 16 jaar en vier maanden oud was. De omstandigheid dat eiser voor zijn vertrek naar Nederland gedurende enige maanden in zijn eigen levensonderhoud heeft voorzien door het verzamelen en verkopen van blikjes alsmede door het verkrijgen van voedsel van anderen, acht de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat boven iedere redelijke twijfel is verheven dat eiser zich bij terugkeer naar China geheel zelfstandig zal kunnen handhaven. Met name de korte duur van eisers zelfstandigheid en de marginaliteit van de verrichte activiteiten acht de rechtbank daarbij van belang.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder niet kunnen aannemen dat in het land van herkomst geen opvang voor eiser nodig is, zodat beoordeeld dient te worden of sprake is van adequate opvang van eiser in het land van herkomst.

De rechtbank overweegt dienaangaande dat volgens vaste jurisprudentie de in hoofdstuk B7/13 Vc 1994 en TBV 1996/1 neergelegde verplichting voor verweerder zich binnen zes maanden ervan te vergewissen dat in het land van herkomst adequate opvang redelijkerwijs is gewaarborgd, niet is aan te merken als een fatale termijn. Wel geeft het beleid met deze verplichting uitdrukking aan de zorg om een amv zo snel mogelijk zekerheid over zijn verblijf in Nederland te verschaffen. De rechtbank stelt in de onderhavige zaak vast dat verweerder eerst na ruim 28 maanden een eerste beslissing op de aanvraag van eiser heeft genomen, terwijl verweerder binnen deze voornoemde periode geen (individueel) onderzoek naar adequate opvang heeft gestart, doch de afwijzing heeft gebaseerd op het reeds geruime tijd bekende ambtsbericht van 9 april 2001. Voornoemde gang van zaken, die haaks staat op de ratio van de zesmaandentermijn, is naar het oordeel van de rechtbank, niet zorgvuldig jegens eiser. Daarenboven is door verweerder niet gemotiveerd waarin de overschrijding van de zorgvuldigheidstermijn is gelegen. In dit kader merkt de rechtbank nog op dat voor zover de overschrijding van deze zesmaandentermijn een gevolg is van een vertraging in de besluitvorming inzake amv, dit voor rekening en risico van verweerder dient te komen.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit van 26 februari 2003 wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursecht (Awb) en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb voor vernietiging in aanmerking komt.

Het beroep van eiser is mitsdien gegrond.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige grieven van eiser geen verdere bespreking.

Het bestreden besluit van 26 februari 2003 kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--).

Uit de gegrondverklaring volgt dat verweerder het betaalde griffierecht ad € 116,-- dient te vergoeden.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep inzake AWB 01/25067 OVERIN ongegrond;

verklaart het beroep inzake AWB 03/14378 BEPTDN gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 26 februari 2003;

draagt verweerder op opnieuw te beslissen op het bezwaarschrift van eiser, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, moet voldoen;

wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiser betaalde griffierecht ad € 116,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.H. van Meegen, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2003, in tegenwoordigheid van mr. E. de Ruiter als griffier.

afschrift verzonden op: 21 mei 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.