Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL8417

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-08-2003
Datum publicatie
13-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/6071, 02/6890
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / verzwaarde bewijslast.

De rechtbank overweegt dat de ratio van het tweede lid, onder f, artikel 31 Vw 2000, voorzover in deze zaak aan de orde, hierin is gelegen dat verweerder in staat moet zijn zich een oordeel te kunnen vormen omtrent de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De rechtbank stelt vast dat eisers ter onderbouwing van de asielaanvraag een aantal originele documenten hebben overgelegd, waaronder een militair boekje, een werkboekje, een huwelijksakte en een tweetal - onvertaalde - militaire oproepen. Voorts staat vast dat de authenticiteit van deze documenten niet in geschil is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarmee voldoende documenten overgelegd om verweerder in staat te stellen zich voornoemd oordeel te kunnen vormen. Dit blijkt ook uit het feit dat verweerder de geloofwaardigheid van het relaas van eisers niet heeft betwist. Onder deze omstandigheden, de gevolgen van die tegenwerping (de verzwaarde bewijslast) daaronder begrepen, heeft verweerder niet in redelijkheid aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij geen reis- of identiteitsdocumenten heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van hun asielaanvragen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

meervoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 02/6071 BEPTDN

AWB 02/6890 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1956 (eiser) en B, geboren op [...] 1959 (eiseres), van Russische nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. P.A. van der Waal, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. W.I. Wisman, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 18 februari 2001 hebben eisers, mede ten behoeve van hun minderjarige dochter D, geboren op [...] 1987, aanvragen ingediend om toelating als vluchteling, aan te merken als aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 15 november 2001 heeft verweerder aan eisers schriftelijk mededeling gedaan van de voornemens de aanvragen af te wijzen. Bij brieven van 7 december 2001 hebben eisers hun zienswijzen op deze voornemens naar voren gebracht. Bij afzonderlijke besluiten van 18 december 2001 heeft verweerder de aanvragen afgewezen.

2. Bij beroepschriften van 15 januari 2002 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brieven van 22 maart 2002 en aangevuld bij brieven van 25 mei 2003 en 28 mei 2003. Op 19 september 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 23 mei 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juni 2003. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig E. de Boer, als tolk in de Russische taal.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiser stelt op 22 mei 2000 Nederland voor het eerst te zijn binnengekomen. Op 30 mei 2000 verzocht hij om toelating als vluchteling. Bij besluit van 12 oktober 2001 is deze aanvraag niet ingewilligd wegens de niet-ontvankelijkheid ervan, aangezien Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van het asielverzoek en door middel van een claimakkoord had gegarandeerd het verzoek in behandeling te zullen nemen. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt en een voorlopige voorziening aanhangig gemaakt teneinde de uitzetting te voorkomen. Bij uitspraak van 22 december 2000 heeft de President van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, de voorlopige voorziening afgewezen en het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

2. Bij brief van 25 mei 2003 is door eiseres inzake haar medische situatie een verklaring overgelegd van E.W. Bouwman, arts MOA Noord-Nederland.

III. ASIELRELAAS

Eisers hebben, zakelijk weergegeven, het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiser is van gemengd Russisch-Pruisische afkomst en is Orthodox Christen. In 1994 richtte eiser samen met andere ondernemers in E een lokaal televisiestation op waarvoor hij diverse werkzaamheden verrichtte. Door zijn werk bracht eiser negatieve kanten van de lokale overheid aan het licht, waaronder de op grote schaal plaatsvindende corruptie. Eiser genoot daarnaast als dichter en zanger regionale bekendheid. In 1996 werd een van de mede-oprichters van het station doodgeschoten, terwijl eiser zelf vier keer door de politie werd gearresteerd. Eiser heeft na zijn gedwongen dienstplicht een opleiding tot stuurman bij de koopvaardij gevolgd en is (maritiem) reserve-officier in het Russische leger. In 1996 heeft eiser een oproep gekregen om te dienen in de oorlog in Tsjetsjenië. Als gevolg van zijn afkomst uit een etnische minderheidsgroepering en zijn politieke en godsdienstige overtuiging kon eiser niet aan de oorlog deelnemen. Eiser heeft zijn uitzending toen kunnen voorkomen door zich ongeschikt te laten verklaren vanwege een steekwond die hem jaren daarvoor was toegebracht en waarbij hij een stuk van zijn long was kwijtgeraakt. In 1997 is eiser weer geschikt verklaard. Hierna heeft eiser deelgenomen aan herhalingsoefeningen. De militaire activiteiten van de Russische autoriteiten waren toen gestopt. In september 1999, eiser was op dat moment inmiddels verhuisd naar F en werkte daar voor een televisiestation, heeft eiser een tweede oproep gekregen om naar Tsjetsjenië te gaan, naar eigen zeggen vanwege zijn kritische houding ten opzichte van de overheid. Deze oproep heeft eiser via zijn vrouw in handen gekregen in januari 2000, waarna hij, na aanvankelijk op transport richting Tsjetsjenië te zijn gesteld, besloot het land te verlaten. Eiser veronderstelt dat zijn afkomst zijn problemen heeft verergerd. Eiser is eind april 2000 naar Nederland vertrokken en heeft daar asiel aangevraagd. Tijdens deze reis is eiser in Duitsland zijn -omstreeks 10 april 2000 met behulp van vrienden in de regio F verkregen- buitenlands paspoort kwijtgeraakt. In Nederland vernam eiser dat zijn oudste dochter, G, ernstige problemen ondervond van de zijde van de plaatsvervangend gouverneur van het district F, genaamd H. Hierop is eiser teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Na zijn terugkomst in de Russische Federatie in januari 2001 is eiser alleen vertrokken naar Polen, waar hij op zijn vrouw en zijn twee dochters heeft gewacht. Hiervandaan zijn eisers met valse Poolse paspoorten naar Nederland gereisd. Op 1 februari 2001 zijn eisers Nederland binnengekomen.

Het asielrelaas van eiseres is afhankelijk van dat van eiser en van dat van haar dochter G.

IV. STANDPUNTEN PARTIJEN

1.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde verblijfsvergunning. Verweerder stelt voorop dat eisers geen documenten hebben overgelegd ter vaststelling van hun identiteit, nationaliteit dan wel reisroute en dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat het ontbreken hiervan hen niet is toe te rekenen, zodat afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De door eisers overgelegde bescheiden, te weten het militaire boekje van eiser en een door eiseres overgelegde huwelijksakte, maken dit niet anders. Eisers wordt toegerekend dat zij hun binnenlandse paspoorten in hun land van herkomst hebben achtergelaten, te meer daar eiser, gelet op zijn eerdere asielaanvraag in Nederland, moet hebben geweten dat deze van groot belang zijn voor de aanvraag.

1.2. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in de bijzondere negatieve belangstelling staan van de Russische autoriteiten als gevolg van de politieke activiteiten van eiser. Niet is gebleken dat de dood van een van de mede-oprichters van het televisiestation in 1996 verband houdt met de persoonlijke problemen van eiser of diens kritische houding. Evenmin is gebleken dat eiser, na het beëindigen van zijn werkzaamheden in 1999, nog problemen heeft ondervonden van de zijde van de autoriteiten als gevolg van deze activiteiten. Daarnaast acht verweerder niet aannemelijk dat eiser in de negatieve belangstelling zou staan als gevolg van het negeren van de militaire oproepen. Voorop staat hierbij dat eiser op geen enkele wijze heeft kunnen onderbouwen dat hij werd opgeroepen vanwege het feit dat hij zich als opposant van de autoriteiten had gemanifesteerd. De stelling dat slechts bij hoge uitzondering mariniers naar Tsjetsjenië worden gestuurd is hiertoe onvoldoende. Voorts is niet gebleken dat eiser problemen heeft ondervonden als gevolg van het negeren van de oproepen. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van zijn dienstweigering bij terugkeer te vrezen heeft voor een onevenredig harde of discriminatoire bestraffing vanwege zijn godsdienstige dan wel politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde bevolkingsgroep. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij tot zijn weigering is gekomen doordat hij onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft en er geen mogelijkheden zijn om een vervangende dienstplicht te vervullen.

Tot slot duidt de omstandigheid dat eiser in april 2000, voorafgaand aan zijn eerste vertrek naar Nederland, een buitenlands paspoort, met daarin een visum voor Italië, heeft ontvangen en de gestelde probleemloze uitreis niet op bijzondere negatieve belangstelling voor de persoon van eiser.

2.1. Eisers leggen aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte het ontbreken van documenten heeft tegengeworpen, nu eisers voldoende documenten hebben overgelegd ter onderbouwing van hun asielaanvraag.

2.2. Voorts zijn eisers van mening dat verweerder heeft miskend dat geen sprake is van een gewone dienstweigering en ten onrechte het bestaan van vluchtelingschap heeft getoetst aan de hand van eisers dienstweigering. Eiser werd immers, op relatief late leeftijd, vanwege zijn houding ten opzichte van de autoriteiten als reserve-officier van de marine opgeroepen om naar Tsjetsjenië te worden uitgezonden. Eiser heeft bijzonder gedetailleerde verklaringen overgelegd, die bovendien verifieerbaar zijn. Het feit dat eiser geen problemen heeft ondervonden vanwege het negeren van de oproepen, komt doordat hij niet verbleef op het adres waar hij geregistreerd stond. Hieraan is door verweerder voorbijgegaan. Het bestreden besluit ontbeert op dit punt een draagkrachtige motivering. Bovendien is het bestreden besluit genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid, doordat verweerder geen nader onderzoek heeft willen doen naar de voor de beoordeling relevante feiten en omstandigheden.

2.3. Eiseres stelt zich in haar zienswijze op het standpunt dat zij tengevolge van hetgeen eisers (en hun dochter) is overkomen getraumatiseerd is geraakt. Hierop is door verweerder in het bestreden besluit niet inhoudelijk gereageerd.

2.4. Eisers beroepen zich eveneens op schending van de hoorplicht, aangezien het bestreden besluit diverse aanvullingen op het voornemen bevat die aanleiding hadden moeten zijn voor het nader horen van eisers.

V. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of de bestreden besluiten in rechte stand kunnen houden.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de daar genoemde omstandigheden betrokken, waaronder de omstandigheid, genoemd onder f, dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitsdocumenten heeft kunnen overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag en de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken ervan hem niet is toe te rekenen.

4. De rechtbank overweegt dat de ratio van het tweede lid, onder f, van artikel 31 van de Vw 2000, voorzover in deze zaak aan de orde, hierin is gelegen dat verweerder in staat moet zijn zich een oordeel te kunnen vormen omtrent de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling. De rechtbank stelt vast dat eisers ter onderbouwing van de asielaanvraag een aantal originele documenten hebben overgelegd, waaronder een militair boekje, een werkboekje, een huwelijksakte en een tweetal

-onvertaalde- militaire oproepen. Voorts staat vast dat de authenticiteit van deze documenten niet in geschil is. Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers daarmee voldoende documenten overgelegd om verweerder in staat te stellen zich voornoemd oordeel te kunnen vormen. Dit blijkt ook uit het feit dat verweerder de geloofwaardigheid van het relaas van eisers niet heeft betwist. Onder deze omstandigheden, de gevolgen van die tegenwerping (de verzwaarde bewijslast) daaronder begrepen, heeft verweerder niet in redelijkheid aan eisers kunnen tegenwerpen dat zij geen reis- of identiteitsdocumenten hebben overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van hun asielaanvragen. De omstandigheden dat eiser in het district F een nieuw, op eigen naam gesteld, buitenlands paspoort heeft kunnen bemachtigen met een visum voor Italië en dat eisers hun binnenlandse paspoorten in de Russische Federatie hebben achtergelaten, doen aan het voorgaande niet af.

5. De rechtbank stelt vast dat verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas niet betwist. Ook het bestaan van de aan de aanvraag ten grondslag gelegde militaire oproepen, hoewel onvertaald, wordt door verweerder niet in twijfel getrokken. Het ontbreken van een vertaling van deze oproepen in het dossier leidt naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie dat de bestreden besluiten op een onzorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat een vertaling van de oproepen reeds hierom van belang is omdat hieruit, bijvoorbeeld, mogelijk afgeleid had kunnen worden wat de reden is van de oproep, welke overheidsdiensten bij de uitvaardiging van die oproepen waren betrokken, wat de termijn is waarbinnen eiser zich bij de autoriteiten had dienen te melden en wat de sanctie is op het geen gehoor geven aan de oproep. Dit klemt te meer nu eiser heeft gesteld te zijn opgeroepen vanwege zijn kritische houding ten opzichte van de autoriteiten als journalist, en -bijvoorbeeld- in het Country Report 2001 van het U.S. Department of State melding wordt gemaakt van druk door de overheid op journalisten, in het bijzonder op hen die zich kritisch uitlaten over de overheid, resulterend in diverse inbreuken op de vrijheid van meningsuiting en nieuwsgaring van journalisten. Tevens kan de vertaling mogelijk van belang zijn om de juistheid van de stelling van eiser te onderzoeken dat hij als officier van de marine voor de oorlog in Tsjetsjenië is opgeroepen, hetgeen volgens eiser tegen de regels was, waardoor derhalve eens te meer aannemelijk zou zijn dat de autoriteiten van hem af wilden. De bestreden besluiten komen derhalve in aanmerking om te worden vernietigd wegens strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. De omstandigheid dat eiser zelf eveneens heeft nagelaten voor een vertaling van de oproepen zorg te dragen, maakt dit niet anders.

De rechtbank merkt in dit kader nog op dat verweerder bij de voorbereiding van de nieuw te nemen besluiten, daarbij rekening houdend met hetgeen uit de vertaling van de oproepen naar voren zal komen, aandacht dient te besteden aan de vraag of het in de in de Russische Federatie geldende verhoudingen al dan niet gebruikelijk kan worden geacht dat een reserve-officier van de leeftijd van eiser, en met een marine dan wel maritieme achtergrond als die van eiser, voor de oorlog in Tsjetsjenië wordt opgeroepen.

6. De rechtbank stelt vast dat de afstand tussen de oorspronkelijke plaats van herkomst van eisers (E) en de plaats van waaruit eiser uiteindelijk zijn land van herkomst heeft verlaten (F), aanzienlijk is. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser heeft verklaard dat hij tijdens zijn eerste reis naar Nederland, in april 2000, gebruik heeft gemaakt van een op zijn naam gestelde buitenlands paspoort en dat hij aan de Russisch-Poolse grens gecontroleerd is. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank het van belang dat verweerder in nieuw te nemen besluiten een nader standpunt inneemt over de wijze waarop, de snelheid waarmee en de mate waarin de verschillende overheidsdiensten in de Russische Federatie met elkaar communiceren, waarbij met name dient te worden betrokken de communicatie tussen de militaire autoriteiten en de autoriteiten belast met de grensbewaking enerzijds, en de communicatie tussen de militaire autoriteiten en de tot uitgifte van paspoorten bevoegde autoriteiten anderzijds.

7. Tenslotte acht de rechtbank het raadzaam dat eiser in het kader van de voorbereiding van de nieuw te nemen besluiten nader wordt gehoord over hetgeen is voorgevallen nadat eiseres zich in januari 2000 in F bij hem had gevoegd. Uit de op 29 augustus 2001 namens eiser ingezonden correcties en aanvullingen blijkt immers dat eiser nog op 10 januari 2000 bij een militaire commissie zou zijn verschenen, bij welke gelegenheid een zekere I hem zou hebben meegedeeld „wat je ons geflikt hebt zijn we niet vergeten. Je zal niet onbestraft blijven“, en dat hij op 12 januari 2001 richting Tsjetsjenië op transport zou zijn gesteld. Aan deze mededeling is in het voornemen en de beschikking geen kenbare aandacht besteed. De beschikking lijdt naar het oordeel van de rechtbank ook in zoverre aan een zorgvuldigheidsgebrek.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000, nu zij geen klemmende redenen van humanitaire aard heeft aangevoerd op grond waarvan in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd dat zij terugkeert naar het land van herkomst.

9. Gelet op het voorgaande behoeft hetgeen overigens door partijen is betoogd geen nadere bespreking.

10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 966,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (2 punten voor de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

VI. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart de beroepen gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 966,-- (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. E.H. de Jong-van Dooijeweert, voorzitter, en mrs. W.J. van Bennekom en

J. Recourt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Wersch, griffier, en openbaar gemaakt op: 11 augustus 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 11 augustus 2003

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.