Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL8297

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-08-2003
Datum publicatie
10-10-2003
Zaaknummer
AWB 02/37045
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ivoorkust / besnijdenis.

Eiseres, die afkomstig is uit het noorden van Ivoorkust, stelt te vrezen voor besnijdenis. Verweerder stelt onder verwijzing naar de ambtsberichten van 7 september 2001 en van 3 februari 2003 dat zij zich hieraan kan onttrekken. Deze redenering kan geen stand houden, nu het ambtsbericht van 7 september 2001 vermeldt dat vrouwenbesnijdenis vooral voorkomt onder de landelijke bevolking in het noorden en westen en dat, in tegenstelling tot de traditionele dorpsgemeenschappen op het platteland, in de grote steden de mogelijkheid bestaat zich aan vrouwenbesnijdenis te onttrekken. Dit beeld wordt bevestigd in het ambtsbericht van 3 februari 2003, waarin bovendien is vermeld dat het in de meeste gevallen nog niet mogelijk is effectief de bescherming van de overheid in te roepen tegen genitale verminking. Verweerders motivering voor het oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 EVRM, aangezien zij zich hieraan kan onttrekken, kan geen stand houden. Dat eiseres niet daadwerkelijk van de autoriteiten heeft gehoord dat zij haar geen bescherming willen of kunnen bieden, doet aan het voorgaande – gelet op het ambtsbericht van 3 februari 2003 – niet af. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/37045 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1985, van Ivoriaanse nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. L. Catakli, advocaat te Wassenaar,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.F.Th. de Moor, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 24 januari 2002 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 3 april 2002 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brieven van 24 april 2002 en 6 mei 2002 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 7 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 13 mei 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 29 mei 2002 heeft eiseres nadere stukken ingediend. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brieven van 5 juni 2002 en 25 juli 2003. Op 1 juli 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 30 juli 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.L.P. van Aalst, die ter zitting heeft opgetreden namens haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. de Bok als tolk in de Franse taal.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiseres heeft het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiseres behoort tot de bevolkingsgroep Lobi. Haar ouders zijn in september 2000 overleden. Eiseres zou worden besneden en uitgehuwelijkt. Haar ouders waren hierop tegen, maar konden er niets aan doen omdat het traditie was. Wel hebben de ouders van eiseres gezegd dat er gewacht moest worden totdat eiseres haar examen had gehaald. Na het overlijden van haar ouders is eiseres met school gestopt. De familie van eiseres heeft toen besloten eiseres te laten besnijden en uit te huwelijken. In januari 2002 werd het hoofd van eiseres kaalgeschoren, een traditie voordat een jonge vrouw wordt besneden. Een week later zou eiseres worden besneden. Drie dagen later is zij liftend gevlucht naar San Pedro, waar zij in januari 2002 per boot Ivoorkust heeft verlaten.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Eiseres heeft geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt. De problemen die zij aanvoert spelen zich af in de privésfeer en zijn niet op enigerlei wijze te herleiden tot een van de in het Vluchtelingenverdrag genoemde gronden. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Besnijdenis is in Ivoorkust bij wet verboden en eiseres kan zich aan de besnijdenis onttrekken door zich elders in Ivoorkust in een stad te vestigen. Eiseres komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 omdat zij heeft verklaard dat de dood van haar ouders niets te maken heeft met haar vertrek uit Ivoorkust en zij niet binnen zes maanden daarna Ivoorkust heeft verlaten.

3. In beroep heeft eiseres betoogd dat zij wel vluchteling is. Verweerder had bij de beoordeling van het relaas rekening dienen te houden met haar geestelijke gesteldheid en het feit dat zij minderjarig is, zonder ouders en analfabeet. Zij is uit Ivoorkust gevlucht omdat zij zou worden besneden en uitgehuwelijkt. Na de dood van haar ouders was de druk van haar familie groot. Eiseres wijst op een kopie van de Tweede Kamerstukken met betrekking tot vrouwenbesnijdenis in verhouding tot het Vluchtelingenverdrag. Subsidiair is zij van mening dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning in verband met artikel 3 van het EVRM. Dit artikel vereist geen verband met een vervolgingsgrond. Onder verwijzing naar hoofdstuk C1/4.3.2 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 en naar het ambtsbericht van 3 februari 2003 stelt zij dat zij in Ivoorkust een reëel risico loopt op genitale verminking. Voorts doet zij een beroep op het traumatabeleid. Het lijkt niet onmogelijk dat de huidige problemen van eiseres in relatie staan tot gebeurtenissen in Ivoorkust.

4. In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Niet is gebleken dat eiseres haar vluchtverhaal niet helder naar voren heeft kunnen brengen. Eiseres heeft ook in beroep geen omstandigheden aannemelijk gemaakt die ertoe zouden moeten leiden dat er sprake is van vluchtelingschap. Gesteld noch gebleken is dat eiseres (politiek) verzet heeft gepleegd. Voorts heeft eiseres niet betwist dat haar problemen zich afspelen in de privé-sfeer. Het beroep op artikel 3 van het EVRM kan niet slagen. Uit het ambtsbericht van 3 februari 2003 blijkt dat het mogelijk is de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Eiseres heeft geen poging ondernomen de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Het vestigingsalternatief wordt eiseres niet langer tegengeworpen. Het beroep op het traumatabeleid kan eiseres niet baten, omdat de door haar gestelde traumatiserende ervaringen niet vallen onder de limitatieve opsomming van hoofdstuk C/4.4.2.2 van de Vc 2000.

5. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres medegedeeld dat eiseres hem kort voor de zitting heeft verteld dat haar ooms haar stokslagen hebben gegeven omdat eiseres en haar ouders tegen haar uithuwelijking en besnijdenis waren. Aan deze stokslagen heeft eiseres littekens overgehouden.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht geoordeeld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. De door eiseres gestelde problemen zijn niet te herleiden tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag, nu deze in de privésfeer hebben plaatsgevonden.

5. Ten aanzien van de vraag of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres is afkomstig uit het noorden van Ivoorkust. Verweerder betwist niet dat eiseres op het punt stond door haar ooms te worden besneden, maar stelt – onder verwijzing naar de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 september 2001 en van 3 februari 2003 – dat zij zich hieraan kon onttrekken. Naar het oordeel van de rechtbank kan deze redenering geen stand houden.

Het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 september 2001 vermeldt immers dat (vrouwen)besnijdenis vooral voorkomt onder de landelijke bevolking in het noorden en westen en in mindere mate in het centrale deel van het land. Voorts vermeldt dit ambtsbericht dat, in tegenstelling tot de traditionele dorpsgemeenschappen op het platteland, in de grote steden de mogelijkheid bestaat zich aan de praktijk van besnijdenis te onttrekken vanwege de daar minder aanwezige of zelfs geheel ontbrekende sociale controle.

Dit beeld wordt bevestigd in het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 3 februari 2003. Daarin staat vermeld dat vrouwenbesnijdenis, ondanks het feit dat het in december 1998 expliciet werd verboden en dat de uitvoering ervan wordt bestraft, niettemin nog steeds voorkomt, vooral onder de plattelandsbevolking in het noorden en westen. Dit laatste ambtsbericht vermeldt voorts dat de overheid weliswaar ernst lijkt te maken met de handhaving van de wetgeving tegen vrouwenbesnijdenis, maar dat het in de meeste gevallen toch nog niet mogelijk is effectief de bescherming van de overheid in te roepen tegen genitale verminking. Weglopen is voor de meeste meisjes geen optie, daar zij elders alleen of met hun moeder niet kunnen overleven.

6. Uit het voorgaande volgt dat verweerders motivering voor het oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, aangezien zij zich hieraan kan onttrekken, geen stand kan houden. Dat eiseres niet daadwerkelijk van de autoriteiten heeft gehoord dat zij haar geen bescherming willen of kunnen geven, doet aan het voorgaande – gelet op voornoemd ambtsbericht van 3 februari 2003 – niet af.

7. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb.

8. Op grond van het voorgaande behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

9. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Huys, griffier en openbaar gemaakt op: 27 augustus 2003

De griffier De voorzitter

Afschrift verzonden op: 27 augustus 2003

Conc: AH

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.