Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL8282

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-05-2003
Datum publicatie
10-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/11384
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AI0392
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Aanvraag in persoon / aanvraagformulier.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker geen rechtsgeldige aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft ingediend. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de artikelen 36 en 37 Vw 2000 bijzondere regels bevatten inzake het indienen van een dergelijke aanvraag. Het bepaalde in artikel 37, aanhef en onder a, Vw 2000 is nader uitgewerkt in artikel 3.108 Vb 2000 en artikel 3.38 VV 2000. Blijkens deze bepalingen geschiedt het indienen van een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd door de vreemdeling in persoon en middels ondertekening van het in bijlage 13 bij het VV 2000 met de letter i aangeduide model. Blijkens het dossier van verzoeker is niet op de hierboven omschreven wijze een aanvraag ingediend. Niet kan worden geoordeeld dat deze procedurele bepalingen in strijd zijn met het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Een verzoek om asielrechtelijke bescherming is in internationaal verband vormvrij. Dit impliceert evenwel niet dat de Nederlandse overheid geen procedurele voorwaarden kan stellen voor het indienen van een aanvraag, zolang deze procedurele voorwaarden de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen niet frustreren.

Voorzover verzoeker zich op het standpunt wenst te stellen dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een aanvraag voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in te dienen, overweegt de voorzieningenrechter ten overvloede dat het verzoeker vrij staat om bezwaar te maken, voorzover dit aangemerkt kan worden als een feitelijke handeling die op grond van artikel 72, derde lid, Vw 2000 voor wat betreft de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 Vw 2000 gelijkgesteld is aan een beschikking. Gelet op hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, is er geen aanleiding te veronderstellen dat het beroepschrift (tevens) bedoeld zou zijn als bezwaarschrift tegen vorenbedoelde feitelijke handeling. Beroep niet-ontvankelijk, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

voorzieningenrechter

regnr.: Awb 03/11384

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1953,

van Kyrgyzische nationaliteit,

IND dossiernummer 0302.05.8035,

gemachtigde: mr. H.J. van Balen, advocaat te Groningen,

verzoeker;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. N.B. de Neef, ambtenaar ten departemente,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 5 februari 2003 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verzoeker heeft deze aanvraag op 7 februari 2003 ingetrokken.

1.2 Bij brief van 20 februari 2003 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen weigering om de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel te behandelen, welke aanvraag verzoeker op 7 februari 2003 mondeling middels zijn gemachtigde zou hebben ingediend.

1.3 Verzoeker is reeds uit Nederland verwijderd. Bij verzoekschrift van 20 februari 2003 is verzocht de voorlopige voorziening te treffen om verzoeker weder terug te geleiden naar Nederland en om een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel in behandeling te nemen, dan wel om verzoeker in het kader van de Overeenkomst van Dublin over te dragen aan Duitsland. Het verzoek is ter zitting van 23 april 2003 behandeld. Verzoeker heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. De Neef.

2 Toetsingskader

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat voldaan wordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen wedertoelating van verzoeker in afwachting van de beslissing op beroep moet worden gelast.

3 Standpunten

3.1 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geweigerd om de intrekking vanwege dwaling van verzoekers eerdere intrekking van zijn aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel te aanvaarden. Verzoeker stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mondelinge aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd. Het Vluchtelingenverdrag kent geen vormvereisten voor de indiening van een zodanige aanvraag. Verder heeft verweerder, door verzoeker uit te zetten naar zijn land van herkomst, gehandeld in strijd met het refoulement-verbod van artikel 33 van het Vluchtelingenverdrag. Verzoeker verzoekt om vergoeding van de schade welke hij geleden heeft.

3.2 Verweerder stelt zich vooreerst op het standpunt dat verzoeker de aanvraag welke hij op 5 februari 2003 had ingediend heeft ingetrokken, zodat behandeling daarvan niet aan de orde is. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat geen sprake was van een rechtsgeldige nieuwe aanvraag in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De wettelijke bepalingen zijn niet in strijd met het Vluchtelingenverdrag. Aangezien geen aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, was ingediend, was verweerder ook niet gehouden om een aanvraag te behandelen. Verzoeker kon derhalve worden rechtmatig uit Nederland worden verwijderd.

4 Overwegingen

4.1 Ten aanzien van verzoekers stelling dat de intrekking van de op 5 februari 2003 gedane aanvraag geacht moet worden te zijn ingetrokken, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. De intrekking van een aanvraag is een eenzijdige, formele rechtshandeling. De voorzieningenrechter laat zich, voor wat betreft de vraag wanneer de intrekking als processuele rechtshandeling als niet gedaan kan worden beschouwd, inspireren door de artikelen 3:33, 3:35 en 3:44 van het Burgerlijk Wetboek, welke artikelen als een uiting kunnen worden gezien van algemene rechtsbeginselen, welke ook in het bestuursrecht gelden. De intrekking als processuele rechtshandeling kan derhalve door de voorzieningenrechter als niet gedaan worden beschouwd indien:

- geen sprake is geweest van een op intrekking gerichte wil en de partij tot wie de verklaring was gericht de gedane verklaring, strekkende tot intrekking, niet als een intrekking heeft opgevat of redelijkerwijs heeft mogen opvatten, of

- de intrekking is gedaan onder de invloed van bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden.

De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker op 7 februari 2003 schriftelijk de door hem gedane aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, heeft ingetrokken. Niet in geschil is dat verzoekers wil destijds op intrekking van de aanvraag was gericht. Niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot het oordeel dat de intrekking tot stand is gekomen door bedreiging, bedrog of misbruik van omstandigheden. Het enkele gegeven dat verzoeker na intrekking van zijn aanvraag in vreemdelingenbewaring is gesteld, en dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op eigen gelegenheid naar Duitsland te reizen, is hiertoe naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende.

4.2 De voorzieningenrechter ziet zich voorts gesteld voor de vraag of verzoeker op 7 februari 2003 een rechtsgeldige aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, heeft ingediend. De voorzieningenrechter is, met verweerder, van oordeel dat zulks niet het geval is. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat de artikelen 36 en 37 van de Vw 2000 bijzondere regels bevatten inzake de indiening van een zodanige aanvraag. Het bepaalde in artikel 37, aanhef en onder a, Vw 2000 is nader uitgewerkt in artikel 3.108 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en artikel 3.38 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000). Blijkens deze bepalingen geschiedt de indiening van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, door de vreemdeling in persoon, middels ondertekening van het in bijlage 13 bij het VV 2000 met de letter i aangeduide model. Blijkens het dossier van verzoeker is niet op de hierboven omschreven wijze een aanvraag ingediend.

Niet kan worden geoordeeld dat voornoemde procedurele bepalingen in strijd zijn met het Vluchtelingenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een verzoek om asielrechtelijke bescherming is in internationaal verband vormvrij. Zulks impliceert evenwel niet dat de Nederlandse overheid geen procedurele voorwaarden kan stellen voor indienen van een aanvraag, zolang deze procedurele voorwaarden de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen niet frustreren.

4.3 Nu de intrekking van de aanvraag van 5 februari 2003 niet als niet gedaan kan worden beschouwd en nu verzoeker nadien weliswaar een verzoek heeft gedaan, maar niet geacht kan worden een nieuwe aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, te hebben ingediend, is het beroep tegen het niet behandelen van deze aanvragen derhalve niet-ontvankelijk.

4.4 De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede dat, voor zover verzoeker zich op het standpunt wenst te stellen dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel, voor bepaalde tijd, in te dienen, het verzoeker vrij staat om, voor zover dit aangemerkt kan worden als een feitelijke handeling, welke op grond van het bepaalde in 72, derde lid, Vw 2000 voor wat betreft de toepassing van afdeling 2 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 gelijkgesteld is aan een beschikking, bezwaar te maken. Gelet op hetgeen verzoeker in deze procedure heeft aangevoerd, is er geen aanleiding te veronderstellen dat het beroepschrift (tevens) bedoeld zou zijn als bezwaarschrift tegen vorenbedoelde feitelijke handeling.

4.5 Het verzoek wordt, gelet op het vorenstaande, afgewezen. Omdat nader onderzoek niet tot een andere uitkomst zal leiden, verklaart de voorzieningenrechter, met toepassing van artikel 8:86 Awb, tevens het beroep niet-ontvankelijk.

4.6 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. A. van der Weij als griffier op 27 mei 2003

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 27 mei 2003