Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL8246

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-06-2003
Datum publicatie
10-10-2003
Zaaknummer
AWB 01/26323
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kenia / geloofwaardigheid asielrelaas.

Eiser stelt Kenia te hebben verlaten omdat hij problemen ondervond wegens zijn geloof. De rechtbank stelt vast dat er geen ambtsbericht over de algemene situatie in Kenia is uitgebracht. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op informatie uit een country report over Kenia. Naar het oordeel van de rechtbank dient verweerder gemotiveerd aan te geven waarom aan de lezing van de feiten door verweerder aan de hand van de informatie van het country report meer waarde gehecht dient te worden dan aan de door eiser gegeven lezing van zijn relaas en aan de daarmee samenhangende informatie uit voornamelijk andere gezaghebbende bronnen. Nu verweerder dat heeft nagelaten is de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid en met een afdoende motivering tot stand gekomen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 01/26323

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1974,

van Kenyaanse nationaliteit,

IND dossiernummer 0012.22.8018,

gemachtigde: mr. C.F. Roza, advocaat te Zwolle,

eiser;

tegen: De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. A.E. Broesterhuizen, advocaat te 's-Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Op 22 december 2000 heeft eiser een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 1 juni 2001 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Bij brief van 14 juni 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Het beroep is ter zitting van 29 augustus 2002 behandeld. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid, Vw 2000 wordt de aanvraag aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het beroep toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikking zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

3.1 Het asielrelaas van eiser komt op het volgende neer.

Eiser is afkomstig uit Nigeria en behoort tot de bevolkingsgroep Kikuyu. Eiser hangt het geloof 'Mokiki' aan. Na 1997 is eiser voor de Mokiki begonnen activiteiten te verrichten. Eiser ondervond vanwege zijn geloof problemen. Zo is hij meermalen opgepakt en gedetineerd geweest, waaronder in december 1994. Eiser is opgepakt tijdens een meeting van de Mokiki's. Na een bezoek aan de rechtbank is hij vrijgelaten tegen betaling van een geldboete. Eiser is laatstelijk, tezamen met andere Mokiki's, in juli 2000 gearresteerd en gedetineerd, omdat hij deelnam aan een demonstratie. Daarbij is eiser geslagen en hem werd meegedeeld dat hij met zijn religie stoppen moest. Eiser wist de volgende ochtend te ontsnappen. Eiser is niet teruggekeerd naar zijn woning in B, alwaar hij samen met zijn vriendin woonde. Van zijn vriendin en moeder heeft eiser vernomen dat de politie naar hem op zoek is. Zijn vriendin heeft daarnaast omstreeks eind september/begin oktober 2000 onder dwang de politie verteld dat eiser op de [...]-markt werkte. Vervolgens is de flying squad hem daar middels foto's gaan zoeken. In oktober 2000 vernam eiser voorts van zijn baas dat er vreemde mensen aan de marktbewakers naar hem gevraagd hadden. Eiser is met werken gestopt en op advies van zijn baas ondergedoken. Eiser heeft in Ruai een stuk land gekocht om te gaan wonen. Eiser is daar echter niet gebleven. Omdat de politie tegen zijn baas en tegen zijn moeder had verteld dat ze hem zouden doden en wel achter zijn verblijfsplaats zouden komen, heeft eiser op 16 december 2000 Kenia verlaten.

3.2 In de bestreden beslissing is overwogen dat eiser ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag. Het is verwijtbaar dat eiser zijn geboorteakte thuis achter heeft gelaten. Daarnaast is niet aannemelijk dat eiser geen enkel indicatief bewijs heeft kunnen overleggen van zijn reis, noch in staat is om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent zijn reisroute te verschaffen. Eisers verklaringen over zijn lidmaatschap van en betrokkenheid bij de Mokiki zijn ongeloofwaardig nu hij informatie heeft gegeven over de Mokiki die niet overeenkomt met hetgeen daarover bekend is. Zo heeft eiser verklaard dat de Mokiki zich niet bezig houdt met politiek, terwijl uit informatie van de U.S. Department of State van februari 2001 (hierna: het rapport) blijkt dat de Mokiki sterk politiek gemotiveerd is. Eiser verklaart daarnaast dat de Mokiki een grote sekte is met meer dan één miljoen volgelingen. Uit het rapport blijkt echter dat de Mokiki een kleine groep is. Daarom worden eisers verklaringen over zijn arrestatie in juli 2000 naar aanleiding van zijn betrokkenheid bij de Mokiki evenmin geloofwaardig geacht. Dit te meer nu eisers verklaringen over zijn ontsnapping en de daarop volgende periode niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft verklaard dat hij met een andere gedetineerde de latrines moest legen en dat zij beiden door een bewaarder met een geweer bewaakt werden. Eiser heeft volgens zijn verklaring kunnen ontsnappen, omdat de bewaarder alleen achter de andere gedetineerde aanging. Gezien hetgeen bekend is over de werkwijze van gevangenispersoneel dat zij veelvuldig geweld gebruiken tegen gevangen, had het echter voor de hand gelegen dat de bewaarder onmiddellijk het vuur zou openen op eiser in geval van een ontsnappingspoging. Dat eiser na zijn ontsnapping zou worden gezocht door de flying squad wordt evenmin geloofwaardig geacht nu uit voornoemde informatie blijkt dat de flying squad gespecialiseerd is in bestrijding van diefstal. Eiser heeft immers verklaard dat hij vanwege zijn betrokkenheid bij de Mokiki te zijn gearresteerd en na een dag te zijn ontsnapt, beide zaken die buiten het werkterrein van de flying squad liggen. Gelet op het vorenoverwogene, kan geen geloof worden gehecht aan de overige verklaringen.

Eiser heeft weliswaar een geboorteakte overgelegd, maar dit kan niet worden aangemerkt als een wettig identiteitsdocument. De door hem verschafte informatie over zijn reis van Kenia naar Nederland is onvoldoende nu hij op geen enkele wijze, door middel van documenten of gedetailleerde beschrijving, aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk aan boord van bedoeld vliegtuig heeft gezeten. Hetgeen eiser overigens heeft aangevoerd brengt verweerder niet tot een ander standpunt dat het relaas ongeloofwaardig is.

3.3 Eiser stelt zich gemotiveerd op het standpunt dat zijn relaas wel geloofwaardig is. Eiser heeft voldoende informatie gegeven over zijn vlucht. Inmiddels heeft eiser een kopie van zijn geboorteakte overgelegd. Eiser handhaaft zijn stelling dat de Mokiki geen politieke partij is maar een religieuze organisatie. Dat de Mokiki (ook) politiek gemotiveerd is, maakt de Mokiki nog geen politieke partij. Eiser volhardt in zijn stelling dat de Mokiki 4 miljoen leden of meer heeft. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat de flying squad niet naar eiser op zoek zou zijn. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser meerdere artikelen ingebracht, waaronder een artikel van de BBC van 22 november 2001, geschreven door Noël Mwakugu.

4 Overwegingen

4.1 Niet is gebleken dat de politieke en mensenrechtensituatie in Kenia zodanig is dat uitsluitend in verband daarmee aan een vreemdeling uit dat land een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b, of c, Vw 2000 dient te worden verleend. Eiser zal daarom aannemelijk moeten maken dat met betrekking tot hem persoonlijke feiten en omstandigheden bestaan op grond waarvan een dergelijke verblijfsvergunning dient te worden verleend.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige of politieke overtuiging of hun nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

4.3 Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij toerekenbaar niet beschikt over documenten ter staving van zijn identiteit en reis.

Artikel 31, eerste lid, Vw 2000, luidt: "een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen".

Het tweede lid, onder f, van dit artikel luidt: "Bij het onderzoek naar de aanvraag wordt mede betrokken de omstandigheid dat (..) de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de behandeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen".

Hetgeen in deze beschikking aangaande het ontbreken van reis- of identiteitspapieren en overige documenten of bescheiden is betoogd, dient te worden beoordeeld in de context van het totale feitencomplex. De rechtbank ziet zich - gelet op vorenstaande - allereerst gesteld voor de vraag of verweerder in redelijkheid het ontbreken van dergelijke documenten aan eiser heeft kunnen toerekenen.

Eiser heeft verklaard in het land van herkomst over een tweetal identiteitsdocumenten te hebben beschikt, te weten een geboorteakte en een identiteitsbewijs. Eiser heeft voorts verklaard dat zijn identiteitsbewijs door de autoriteiten is ingenomen, zodat hij niet langer in staat is om dit document te overleggen.

Verweerder heeft aan eiser tegengeworpen dat hij geen voldoende identiteitsdocumenten heeft overgelegd, omdat de door hem - na het voornemen - overgelegde geboorteakte niet als een wettig identiteitsdocument kan worden aangemerkt. Nu verweerder heeft geoordeeld dat het asielrelaas ongeloofwaardig is, wordt eisers verklaring omtrent het ontbreken van het identiteitsbewijs niet geloofwaardig geacht. De rechtbank kan zich derhalve over de toerekenbaarheid van het ontbreken van het identiteitsbewijs alsmede over de vraag of de geboorteakte als voldoende staving van de identiteit kan dienen eerst uitlaten ná inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas.

Verweerder heeft zich niet - zonder nadere motivering - op het standpunt kunnen stellen dat eiser zijn reis onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt en het eiser te verwijten is dat hij geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen kan verschaffen omtrent zijn reisroute, in het bijzonder informatie over zaken als de luchtvaartmaatschappij, vluchtnummer en de vertrek-en aankomsttijden van het vliegtuig. Uit de zienswijze komt naar voren dat de KLM de vluchtgegevens van eiser heeft bevestigd en verweerder heeft de juistheid van die informatie niet bestreden. Weliswaar heeft eiser geen bescheiden van de reis overgelegd doch verweerder heeft niet zonder nadere motivering kunnen oordelen dat eiser geen gedetailleerde beschrijving van zijn reis heeft gegeven nu de reisgegevens door de KLM zijn bevestigd.

In de bestreden beslissing is aan eiser slechts in algemene bewoordingen tegengeworpen dat hij geen documenten ter staving van zijn asielrelaas heeft ingebracht. Eerst ter zitting heeft verweerder nader aangegeven dat daarbij gedacht dient te worden aan - bijvoorbeeld - een lidmaatschapskaart van de Mokiki-sekte. Nu een en ander eerst ter zitting naar voren is gebracht en uit de verklaringen van verweerder ter zitting blijkt dat verweerder onbekend is of dergelijke documenten in Kenia überhaupt worden afgegeven, overweegt de rechtbank dat verweerder niet in redelijkheid het ontbreken van documenten ter staving van het asielrelaas heeft kunnen tegenwerpen.

4.4 De rechtbank overweegt voorts dat uit de parlementaire geschiedenis en vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat, hoewel de in artikel 31, tweede lid, Vw 2000, genoemde omstandigheden op zichzelf niet reeds behoeven te leiden tot afwijzing van de aanvraag, op de asielzoeker een zwaardere bewijslast rust om aannemelijk te maken dat hij bescherming behoeft indien een van deze omstandigheden zich voordoet (TK 1999-2000, 26732, nr. 3, p. 41).

4.5 Alvorens de rechtbank toekomt aan de toetsing van verweerders beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking voldoet aan de eisen van - met name - zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering die het recht daaraan stelt. De rechtbank zal thans oordelen of de bestreden beslissing in overeenstemming met deze eisen tot stand is gekomen.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat verweerder de ongeloofwaardigheid van eisers relaas heeft gebaseerd op informatie uit het Country Report on Human Rights Practices van de U.S. State Department over 2000 en er geen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken over de algemene situatie in Kenya is uitgebracht. Een Country Report kan - anders dan een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land - niet worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Indien verweerder zich (uitsluitend) beroept op informatie uit andere bronnen dan de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken mag verweerder bij de besluitvorming niet zonder meer van de juistheid hiervan uitgaan indien - aan de hand van informatie uit andere gezaghebbende bronnen - de juistheid van de informatie van de door verweerder gehanteerde bron gemotiveerd wordt bestreden. Ten overstaande van de informatie van het Country Report staat de lezing van eiser, die gelet op de door hem ingebrachte informatie en de daarover gegeven verklaringen, eveneens niet onredelijk is te achten. In een dergelijk geval dient verweerder - gelet op de eisen van zorgvuldigheid en kenbare motivering - te motiveren waarom aan verweerders lezing van de feiten meer waarde dient te worden gehecht dan aan de lezing door eiser.

Verweerder heeft het relaas mede ongeloofwaardig geacht omdat het lidmaatschap van en betrokkenheid bij de Mokiki ongeloofwaardig is, daar uit het Country Report naar voren komt dat de Mokiki sterk politiek gemotiveerd is, hetgeen niet strookt met eisers verklaring dat de Mokiki zich niet bezig houdt met politiek.

Eiser heeft blijkens de rapporten van gehoor meermalen verklaard dat de Mokiki kritiek uit op de regering en dat eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie waarbij door de Mokiki is gedemonstreerd tegen de inbeslagname van een stuk grond door de autoriteiten. Eiser beschouwt de Mokiki, in tegenstelling tot de autoriteiten van Kenia, ook niet als een politieke beweging maar primair als een religieuze organisatie. Uit informatie, door eiser ingebracht, komt naar voren dat dit overeenkomt met de perceptie van Mokiki's over de aard van hun organisatie. Volgens de nationale coördinator van de Mokiki, "are de Mokiki committed to upholding the traditional "African way of worship, culture and lifestyle" en ook in het door verweerder aangehaalde Country Reports on Human Rights Practices 2000, wordt de Mokiki betiteld als een "controversial, predominately Kikyyu traditional religious group".

Uit de door eiser ingebrachte informatie blijkt voorts dat over het aantal leden van de Mokiki-beweging geen eenduidige berichtgeving bestaat. Zo wordt in het bericht van de BBC van 22 november 2001, geschreven door M. Mwakugu, een ledental van meer dan vier miljoen leden genoemd, hetgeen overeenkomt met eisers verklaring op dit punt, terwijl in informatie van Cesnur, Center for studies on new religions, opgesteld door K. Opala, van 24 april 2000 wordt vermeld dat het exacte aantal leden van de Mokiki onbekend is. Dezelfde bewoordingen wordt gevonden in een artikel over de Mokiki, van Sydney Morning Herald, van 17 januari 2000.

Voor wat betreft de vraag wat de omvang van het werkterrein van de flying squad is en hoever diens bevoegdheden reikt, overweegt de rechtbank dat tegenover de informatie van het Country Report dat de flying squad "a quick response antitheft unit" is , informatie van Amnesty International (1995) bekend is waaruit naar voren komt dat de Kenyaanse autoriteiten veelvuldig misbuik maken van hun bevoegdheden. In eerdergenoemd Country Report wordt de handelswijze van de flying squad wordt als zeer gewelddadig omschreven. Voorts wordt gesteld dat de Kenyaanse autoriteiten de Mokiki zien als een organisatie die zich niet alleen bezighoudt met traditionele, religieuze, en politieke activiteiten maar ook met criminele activiteiten. De autoriteiten vallen regelmatig leden van de Mokiki lastig en arresteren hen, terwijl de grond daarvan onduidelijk is.

Verweerder heeft - uitgaande van de informatie uit het Country Report over het gebruik van geweld door gevangenispersoneel - de ontsnapping van eiser niet geloofwaardig geacht daar het voor de hand had gelegen dat de bewaarder onmiddellijk het vuur had geopend op eiser en de andere gedetineerde in geval van een ontsnappingspoging. Eiser heeft verklaard dat de bewaker de andere gevangene heeft kunnen verhinderen te ontsnappen door hem vast te pakken, waardoor de bewaker niet meer in de gelegenheid was om op eiser te schieten.

Nu verweerder niet gemotiveerd heeft aangegeven waarom aan de lezing van de feiten door verweerder aan de hand van de informatie van het Country Report meer waarde gehecht dient te worden dan aan de door eiser gegeven lezing van zijn relaas en aan de daarmee samenhangende informatie uit - voornamelijk - andere gezaghebbende bronnen, is de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid en met een afdoende motivering tot stand gekomen.

Gelet op het hiervoor onder 4.3 overwogen kan de toerekenbaarheid van het ontbreken van het documenten, in het bijzonder het ontbreken van een bewijs ter staving van eisers identiteit en nationaliteit, eerst worden beoordeeld in het kader van de algehele beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas. Verweerder zal de toerekenbaarheid van het ontbreken van documenten daarom bij een nadere beoordeling dienen te betrekken.

4.6 Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de bestreden beslissing niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en berust op een ondeugdelijke motivering. Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb.

4.7 Er bestaat aanleiding om verweerder, als de in het ongelijk gestelde partij, te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, De kosten zijn begroot op 644 euro, als kosten van verleende rechtsbijstand.

5 BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beschikking van 1 juni 2001;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag zal beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad 644 euro onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de eiser dient te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.M. Elderman in tegenwoordigheid van mr. Y. Adams als griffier en in het openbaar uitgesproken op 25 JUNI 2003

De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 25 JUNI 2003