Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL7469

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
16-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/43852, 03/43849
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staatloos / bezwaar / schorsende werking.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar geen schorsende werking heeft, reeds omdat het in casu niet betreft de in artikel 73 Vw 2000 vermelde aanvraag om een verblijfsvergunning maar een weigering om ambtshalve een vergunning te verlenen. De voorlopige voorziening is afgewezen omdat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij buiten haar schuld niet kan vertrekken. De voorzieningenrechter verwijst voor de beoordeling of aan de vertrekplicht kan worden voldaan naar een uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 juli 2003. Nu verzoekster (nog) niet heeft aangetoond dat zij buiten haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken, behoeft haar betoog dat zij als staatloos moet worden aangemerkt geen bespreking meer. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank ’s-Gravenhage

nevenvestigingsplaats Haarlem

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikel 8:81 en 8:86 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)

reg.nr: AWB 03 / 43852 BEPTDN F (voorlopige voorziening)

AWB 03 / 43849 BEPTDN F (beroepszaak)

inzake: A, geboren op [...] 1985, van Somalische nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. E. Metzger, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.C. Verbeek, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluit van 11 augustus 2003, (IND nr 0308.08.0373), is de door verzoekster op 8 augustus 2003 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoekster op 12 augustus 2003 beroep ingesteld. Tegen het ambtshalve niet verlenen van een verblijfsvergunning bepaalde tijd regulier in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw juncto artikel 3.4, aanhef en onder w, Vb, heeft verzoekster op 15 augustus 2003 bezwaar aangetekend.

1.2 Bij verzoekschrift van 12 augustus 2003 heeft verzoekster de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht haar uitzetting te verbieden totdat op het beroep en het bezwaar is beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2003. Daarbij hebben verzoekster en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet. Voorts is verzoekster ter zitting gehoord. Ter zitting was tevens Y. Gababe als tolk aanwezig.

2. OVERWEGINGEN

2.1 Ingevolge artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 De voorzieningenrechter constateert dat zowel voor de duur van de beroepsprocedure als voor de duur van de bezwaarprocedure een voorziening wordt gevraagd. Allereerst zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag beoordelen.

2.3 Op grond van artikel 8:86 Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.4 In dit geding dient te worden beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of dit besluit de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.5 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (de ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.6 Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoekster behoort tot de stam der Hawiye, substam Haber Gedir en is geboren in Mogadishu waar zij tot 1994 heeft gewoond. Haar moeder is overleden toen zij drie jaar oud was en haar vader is tien jaar geleden overleden. De vader is vermoord door bandieten nadat de woning door een raket was getroffen. Verzoekster werd enige tijd opgevangen door een oom. In 1994 is verzoekster naar Kenia gevlucht met andere vluchtelingen (buren en kennissen) waar zij de eerste tien dagen in een vluchtelingenkamp heeft verbleven. Daarna heeft zij bij familie in de wijk B in Nairobi gewoond tot haar vertrek naar Nederland. Aangezien zij illegaal in Kenia verbleef waren er problemen met de milities en politie. Verzoekster heeft het twee keer meegemaakt dat zij werd aangesproken op straat en er om documenten werd gevraagd. Ongeveer drie tot vijf jaar geleden werd zij aangehouden en omdat zij geen papieren kon laten zien werd zij meegenomen naar de cel waar zij door twee politiemensen is verkracht. Op 8 augustus 2003 is zij Nederland ingereisd met de hulp van een reisagente die een oom van haar had geregeld.

2.7 Verweerder heeft zich met betrekking tot verzoeksters asielaanvraag op het standpunt gesteld dat verzoekster toerekenbaar geen documenten ter ondersteuning van haar relaas heeft overgelegd. Haar verklaring dat alle reisbescheiden in het bezit van de reisagente zijn gebleven, ontslaat haar niet van de eigen verantwoordelijkheid om haar reisroute te ondersteunen met documenten. De door verzoekster aangedragen motieven om haar land van herkomst te verlaten zijn op zichzelf onvoldoende om te concluderen tot vluchtelingenschap. Verzoekster heeft zelf verklaard dat zij vanwege haar Haber Gedir afkomst geen problemen in Somalië (alsmede in Kenia) heeft ondervonden. Verzoekster heeft zich niet als tegenstandster van de (lokale) machthebbers in Somalië geprofileerd en uit haar verklaringen kan worden opgemaakt dat zij nimmer lid of sympathisant is geweest van een politieke organisatie en dat zij nimmer oppositionele activiteiten heeft ontplooid tegen de (lokale) machthebbers. Verzoekster heeft deswege geen reden te vrezen voor vervolging van de zijde van deze machthebbers. Dat de vader van verzoekster tien jaar geleden door leden van de Hawiye is gedood en dat haar woning bij een raketaanval is getroffen aan het begin van de oorlog, is betreurenswaardig maar leidt niet tot de conclusie dat er sprake is van een specifiek op de persoon van verzoekster of haar familie gerichte actie. Verzoekster heeft na de dood van haar vader geen problemen ondervonden en heeft in hetgeen gebeurd is geen reden gezien haar woonplaats of haar land van herkomst (direct) te verlaten. Verzoekster heeft in 1994 Somalië verlaten en uit haar verklaringen kan worden opgemaakt dat zij voornamelijk vanwege de algemene situatie is weggegaan, wat niet toereikend is voor vluchtelingenschap. Zij heeft van 1994 tot augustus 2003 in Kenia verbleven zonder aldaar de bescherming van het Verdrag in te roepen, wat afbreuk doet aan het urgente en serieuze karakter van de aanvraag. Van verzoekster kan worden verwacht dat zij terugkeert naar (het veilige deel van) Somalië. Er is geen sprake van schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het tijdsverloop tussen de gestelde verkrachting (drie tot vijf jaar geleden) in Kenia, de omstandigheid dat verzoekster hierover geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd en het feit dat deze handelingen niet zijn verricht door (lokale) machthebbers komt verzoekster niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Verzoekster komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw.

2.8 In beroep heeft verzoekster aangevoerd dat het ontbreken van reisdocumenten haar niet kan worden tegengeworpen aangezien verzoekster afkomstig is uit Somalië en in de rechtspraak inmiddels uitgemaakt is dat de minister in reguliere zaken heeft aanvaard dat een Somaliër door de Somalische autoriteiten niet in het bezit kan worden gesteld van een reisdocument. Verzoekster wijst daarbij op de uitspraken van deze rechtbank nevenvestigingsplaats Zwolle van 12 november 2002, Awb 02/54260 en nevenvestigingsplaats Amsterdam van 8 oktober 2002, Awb 01/26271. Het besluit is niet draagkrachtig gemotiveerd en verzoekster had naar een OC doorgezonden behoren te worden. Verzoekster is een jonge, alleenstaande vrouw en verweerder is daaraan voorbij gegaan in de bestreden beschikking waarin wordt gesteld dat verzoekster terug kan keren naar het relatief veilige deel van Somalië. Verzoekster heeft geen familie in Somali waarop zij kan terugvallen en is al tien jaar weg uit Somalië waardoor alles voor haar nog moeilijker zal zijn bij terugkeer. Verzoekster zal problemen ondervinden bij het opbouwen van een nieuw bestaan, zij zal niet terug kunnen vallen op een sociaal vangnet en zal niet zelfstandig in haar levensonderhoud kunnen voorzien. Zij kan daardoor gemakkelijk in een kwetsbare of zelfs persoonlijk onveilige situatie komen te verkeren.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.9 Ingevolge artikel 29 Vw kan een verblijfsvergunning asiel – onder meer – worden verleend aan de vreemdeling die een verdragsvluchteling is, die aannemelijk heeft gemaakt gegronde redenen te hebben om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen, of van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst, of voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.10 Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Wordt aan dit vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw, mede gelet op de geschiedenis en de totstandkoming van die bepaling (Memorie van Toelichting, Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

2.12 Naar aanleiding van verzoeksters grief dat het ontbreken van documenten haar niet kan worden toegerekend, heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de ABRvS van 26 juni 2003 (200301866/1) over de mvv-verplichting. Op grond van deze uitspraak wordt de stelling van verzoekster dat mensen uit Somalië gen reisdocumenten zouden hoeven hebben niet gevolgd. De voorzieningenrechter constateert dat verweerder uitgaat van het relaas zoals dit door verzoekster naar voren is gebracht, zodat het ontbreken van documenten voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas voor verzoekster feitelijk geen nadelige consequenties heeft. De grieven van verzoekster op dit punt behoeven daarom geen verdere bespreking.

2.13 Verweerder gaat uit van het asielrelaas van verzoekster, maar vindt niet dat dit tot verlening van een asielstatus moet leiden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht en op goede gronden geoordeeld dat hetgeen verzoekster naar voren heeft gebracht niet leidt tot vluchtelingenschap in de zin van het Verdrag. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder uit de verklaringen van verzoekster heeft mogen concluderen dat verzoekster zich niet heeft gemanifesteerd als tegenstander van de lokale machthebbers in Somalië. Verweerder heeft op basis van verzoeksters verklaringen tevens kunnen aannemen dat verzoekster geen reden heeft om te vrezen voor vervolging van de zijde van de (lokale) machthebbers vanwege oppositionele dan wel politieke activiteiten. Ten slotte heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat de raketaanval en de dood van haar vader geen specifieke op de persoon van verzoekster of haar familie gerichte actie is geweest en dat verzoekster vanwege de algemene onveilige situatie uit Somalië is vertrokken.

2.15 Uit het voorgaande volgt eveneens dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM – en vergelijkbare verdragsbepalingen – zal worden onderworpen.

2.16 Ingevolge het bepaalde in C1/4.4.2.4 Vc kunnen individuele klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst en met het asielrelaas aanleiding geven tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Hiervan kan sprake zijn indien de situatie in een gedeelte van het land van herkomst categoriaal beschermingsbeleid zou indiceren, maar zodanig beleid niet wordt gevoerd omdat er in een ander deel van het land van herkomst een verblijfsalternatief is. In dat geval kan, indien een vreemdeling die afkomstig is van buiten het gebied dat als verblijfsalternatief geldt, aannemelijk maakt dat er individuele klemmende humanitaire redenen zijn waardoor in redelijkheid niet kan worden verlangd dat de vreemdeling gaat wonen in het gebied dat als verblijfsalternatief geldt, een verblijfsvergunning asiel op de c-grond worden verleend. Verweerder heeft in het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2003/4 aangegeven dat klemmende humanitaire redenen als hier bedoeld zich voordoen bij alleenstaande vrouwen uit minderheidsgroepen. De voorzieningenrechter constateert dat verzoekster niet valt onder dit, door de ABRvS bij uitspraak van 15 juli 2003 met kenmerk 200303262/1 gesanctioneerde beleid voor alleenstaande vrouwen, aangezien zij, voor zover zij al als alleenstaand moet worden aangemerkt, als Hawiye, Haber Gedir, niet behoort tot een minderheidsgroep.

2.17 Er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat het traumatabeleid op verzoekster van toepassing is. De voorzieningenrechter kent hierbij gewicht toe aan het aanzienlijke tijdsverloop tussen de gebeurtenissen (de dood van haar vader tien jaar geleden en de raketaanval aan het begin van de oorlog omstreeks 1990 respectievelijk de verkrachting in Kenia drie tot vijf jaar geleden) en het vertrek van verzoekster uit Somalië respectievelijk Kenia. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid kunnen oordelen dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder c, Vw.

2.18 Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS wordt de vraag of een vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voor toelating in aanmerking komt, beantwoord aan de hand van een beoordeling van de algehele situatie in het land van herkomst. Verweerder komt daarbij volgens die jurisprudentie een ruime beoordelingsmarge toe, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan indien geoordeeld moet worden dat verweerder, bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot zijn beslissing heeft kunnen komen. De rechter dient bij die toetsing het oordeel over de algehele situatie in het land van herkomst, dat tot stand pleegt te komen in samenspraak met en met instemming van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, in beginsel te respecteren.

2.19 Bij zijn beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw voert verweerder het beleid, zoals neergelegd in hoofdstuk C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000, inhoudende dat, voor zover van belang, verweerder er vanuit gaat dat de mogelijkheid bestaat voor Somaliërs om zich te onttrekken aan de geweldssituatie door in het relatief veilige gebied van Somalië te verblijven. In het ambtsbericht van 28 februari 2003 worden de volgende gebieden in Somalië als relatief veilige gebieden aangemerkt: Somaliland (Awdal, Galbeed, Toghdeer, Sanaag en Sool), Puntland (Bari, Nugal en het noorden van Mudug), het zuiden van Mudug, en de centrale provincies Hiiran en Galgadud. Het verblijfsalternatief geldt voor alle ontheemden afkomstig uit conflict- of overgangsgebied. Er zijn derhalve geen Somalische asielzoekers die voor categoriale bescherming in aanmerking komen. Een algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken omtrent de situatie in een land kan, volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Daartoe dient het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie te verschaffen, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen waaraan deze is ontleend. Indien aan deze eisen is voldaan mag verweerder bij de besluitvorming op asielaanvragen van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

2.20 Zoals volgt uit de jurisprudentie van de ABRvS inzake Somalië, beginnend met de uitspraak van 14 januari 2002 met kenmerk 200105382/1 en laatstelijk bij uitspraak van 24 juni 2003, met kenmerk 200302075/1, bestaat er geen grond om te oordelen dat verweerder zich op basis van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van 16 februari 2000, 12 juni 2001 en 4 juli 2002 in het algemeen niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terugkeer naar, dan wel verblijf in, de relatief veilige gebieden in verband met de algehele situatie aldaar niet van bijzondere hardheid is. In het nieuwste ambtsbericht van 28 februari 2003 worden Somaliland, Puntland, het zuiden van Mudug en de provincies Hiiran en Galgadud als relatief veilig gebied beschouwd, hetgeen in overeenstemming is met de ambtsberichten van 16 februari 2000, 12 juni 2001 en 4 juli 2002. Het nieuwe ambtsbericht wijkt slechts in zoverre af, dat thans de provincies Bay en Bakool niet langer tot de relatief veilige gebieden worden gerekend. Volgens de ambtsberichten kunnen minderheidsgroepen in het algemeen in de relatief veilige delen van Somalië verblijven.

2.21 De voorzieningenrechter ziet in het onderhavige geval geen aanleiding anders te oordelen. Hetgeen namens verzoekster is aangevoerd over de kwetsbare of zelfs persoonlijk onveilige situatie waarin zij als jonge, alleenstaande vrouw zal komen te verkeren en het niet kunnen terugvallen op een sociaal vangnet of het niet zelfstandig in het levensonderhoud kunnen voorzien kan, als grief niet slagen gelet op de uitspraak van de ABRvS van 15 juli 2003 met kenmerk 200303262/1. Verweerders beleid om uitzonderingen te beperken tot alleenstaande vrouwen uit minderheidsgroepen is bij deze uitspraak immers redelijk bevonden.

2.22 De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en gelet daarop wordt het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep afgewezen.

2.23 Thans komt de voorzieningenrechter toe aan de behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het bezwaar tegen het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw juncto artikel 3.4, aanhef en onder w, Vb. De voorzieningenrechter stelt vast dat het bezwaar geen schorsende werking heeft, reeds omdat het in casu betreft een weigering om ambtshalve een vergunning te verlenen en niet om de in artikel 73 Vw vermelde afwijzing van een aanvraag om vergunningverlening.

2.24 De in het kader van artikel 8:81 Awb te maken belangenafweging zal in de regel nopen tot het treffen van een voorziening, indien intreden van de rechtsgevolgen van het besluit -met name de daaruit voortvloeiende bevoegdheid voor verweerder tot uitzetting over te gaan- bij weging van de wederzijdse belangen vooralsnog achterwege moet blijven.

2.25 Namens verzoekster is in de zienswijze naar voren gebracht dat ambtshalve moet worden nagegaan of verzoekster in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in 3.6 Vb. Verzoekster meent dat zij als staatloos moet worden beschouwd en beroept zich op de uitspraak van deze rechtbank nevenvestigingsplaats Alkmaar van 27 juni 2003, Awb 03/12080. In bezwaar herhaalt verzoekster haar standpunt dat zij als Somalische als staatloos moet worden aangemerkt en om die reden voor verlening van de reguliere vergunning in aanmerking komt.

2.26 Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat verzoekster, aangezien zij de Somalische nationaliteit bezit en niet als staatloos kan worden beschouwd, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw juncto artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder w, Vb. Verweerder heeft ter zitting nog aangevoerd dat er wordt uitgegaan van de Somalische nationaliteit van verzoekster aangezien verzoekster dat zelf heeft aangegeven. Ingevolge het hier toepasselijke beleid, vervat in C2/8 Vc, moet de vreemdeling om in aanmerking te komen voor de hier beoogde vergunning zijn staatloosheid aantonen en moet hij aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Verweerder heeft aangegeven tegen de uitspraak waarop verzoekster zich beroept hoger beroep te hebben ingesteld.

2.25 In C2/8 Vc is bepaald dat indien een staatloze vreemdeling, van wie de asielaanvraag is afgewezen, kan aantonen dat hij buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken, hij onder voorwaarden in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning onder beperking. Ingevolge C2/8.2 Vc dient het begrip „buiten hun schuld“ hier te worden opgevat als een objectief criterium, hetgeen betekent dat de vreemdeling aan de hand van objectief toetsbare bescheiden moet aantonen dat hij niet in het bezit kan komen van een document waarmee hij kan reizen. Bij pogingen om hiervan in het bezit te komen, heeft de vreemdeling een eigen verantwoordelijkheid.

2.26 De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij buiten haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Het enkel ontbreken van documenten is daartoe onvoldoende. De voorzieningenrechter betrekt bij de voorlopige beoordeling van de vraag of verzoekster ondanks het niet beschikken over reisdocumenten aan haar vertrekplicht zal kunnen voldoen de uitspraak van deze rechtbank en nevenvestigingsplaats van 4 juli 2003, Awb 03/31533, en neemt op grond daarvan aan dat Somalische vreemdelingen, die niet zelfstandig aan reisdocumenten kunnen komen en die hebben aangegeven vrijwillig te willen terugkeren naar hun land van herkomst, met behulp van een door de Nederlandse overheid verstrekt EU-document naar Somalië kunnen reizen. Ook moet op basis van die uitspraak worden aangenomen dat in toelatingsprocedures Somalische documenten niet worden geaccepteerd, maar dat met behulp van die documenten Somalië wel kan worden ingereisd.

2.27 Nu verzoekster (nog) niet heeft aangetoond dat zij buiten haar schuld niet uit Nederland kan vertrekken, behoeft haar betoog dat zij als staatloos moet worden aangemerkt geen bespreking meer.

2.28 Dat verzoekster op grond van het beleid een vergunning in de zin van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, Vw juncto artikel 3.4, aanhef en onder w Vb zal moeten worden verleend staat thans onvoldoende vast om het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening te rechtvaardigen, terwijl de weging van de wederzijdse belangen daartoe evenmin aanleiding geeft.

2.28 Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is niet gebleken.

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep ongegrond;

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep af;

3.3 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Miedema, voorzieningenrechter en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2003, in tegenwoordigheid van mr. L.J.C. Sweijen als griffier.

Afschrift verzonden op : 26 augustus 2003

RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.