Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL7279

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
06-10-2003
Zaaknummer
09/757545-02; 09/052405-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die op grote schaal cocaïne invoerde en afzette in Nederland. Daarnaast heeft verdachte ook zelf zich schuldig gemaakt aan de import en handel in cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit en door hen veroorzaakte overlast. Kennelijk heeft verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Handelingen die erop zijn gericht om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en het vervolgens hier op de markt brengen ervan dienen dan ook krachtig te worden bestreden, zodat slechts een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt. Daarnaast was verdachte betrokken bij de vrijheidsberoving van een drugskoerier en heeft zij meerdere goederen geheeld. Ook dit zijn ernstige strafbare feiten. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummers 09/757545-02; 09/052405-03

rolnummer 0013

's-Gravenhage, 3 oktober 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

wonende te [adres],

thans gedetineerd te Penitentiaire inrichting Noord Holland Noord, Unit Amerswiel.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 19 en 22 september 2003.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsman mr. E.G.S. Roethof, is verschenen en gehoord.

De officier van justitie mr Meulmeester heeft gevorderd dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding met parketnummer 09/052405-03 (hierna te noemen dagvaarding II) onder feit 2 primair telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte terzake van het haar bij dagvaarding met parketnummer 09/757545-02 (hierna te noemen dagvaarding I) onder feit 1, 2 en 3 en bij dagvaarding II onder feit 1, 2 subsidiair 1e en 2e cumulatief, 3 primair en 4 primair telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het blijkens de Lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen Beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder verdachte inbeslaggenomen voorwerp genummerd 10 zal worden onttrokken aan het verkeer, dat de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 5 en 8 zullen worden verbeurdverklaard, dat de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 3, 4, 6 en 7 zullen worden geretourneerd aan verdachte, dat het blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerp genummerd 11 zal worden geretourneerd aan de rechthebbende en dat de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 12 tot en met 19 zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopieën van de dagvaardingen, gemerkt AI en AII.

Geldigheid van de dagvaarding.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat de dagvaarding I ten aanzien van feit 2 nietig dient te worden verklaard nu deze onder meer bij gebrek aan vermelding van hoeveelheden verkochte drugs en de kopers daarvan, niet duidelijk genoeg is en derhalve niet voldoet aan de eisen van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verweer.

De dagvaarding omschrijft voldoende feitelijk wat aan verdachte wordt verweten. Verdachte heeft er ter terechtzitting dan ook blijk van gegeven dat dit haar volstrekt duidelijk was.

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Ter terechtzitting heeft de raadsman van verdachte aangevoerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van het bij dagvaarding II onder feit 1 telastgelegde, nu zijns inziens het Openbaar Ministerie te willekeurig te werk is gegaan bij de keuze van het al dan niet telastleggen van de deelneming aan een criminele organisatie. De raadsman acht dat deze schending van het gelijkheidsbeginsel zal moeten leiden tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat het Openbaar Ministerie op grond van het opportuniteitsbeginsel beslist over de vervolging van verdachten en hetgeen hen telastgelegd wordt. De officier van justitie heeft aangegeven dat hij op basis van zijn waardering van de rol die hij aan verdachte toekent, afgezet tegen de rol van anderen, haar wel en die anderen niet de deelneming aan een criminele organisatie heeft telastgelegd. De rechtbank komt deze redenering van de officier van justitie niet onbegrijpelijk voor en er is derhalve geen sprake van willekeur.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding II onder feit 2 primair, 3 primair en 3 subsidiair is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het bij dagvaarding II onder feit 3 primair en 3 subsidiair telastgelegde daartoe in het bijzonder het volgende.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte pas na het afnemen van de spullen van de "[betrokkene]" betrokken raakte bij dit voorval en derhalve reeds daarom geen rol heeft gespeeld bij de telastgelegde afpersing. Voorts levert de feitelijke uitwerking waarin het geweld of de bedreiging met geweld volgens de telastlegger heeft bestaan naar het oordeel van de rechtbank geen geweld dan wel bedreiging met geweld op. Bij (bedreiging met) geweld dient in ieder geval sprake te zijn van (dreiging met) aanwending van fysieke kracht. In casu is overigens mogelijk wel sprake geweest van gedwongen afgifte van goederen onder dwang van de vrijheidsbeneming, welk handelen is strafbaar gesteld in artikel 284 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van dit telastgelegde feit.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder feit 1, 2 en 3 en de bij dagvaarding II onder feit 1, 2 subsidiair 1e en 2e cumulatief en 4 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

De rechtbank merkt op dat zij bij het bij dagvaarding I onder feit 2 telastgelegde feit, ondanks het feit dat het woord "meermalen" in de telastlegging ontbreekt, uit het woord "telkens" opmaakt dat de officier van justitie heeft bedoeld het meermalen plegen van dit feit telast te leggen. De raadsman en verdachte hebben blijkens hun opstelling ter zitting de telastlegging ook in die zin begrepen. De rechtbank acht het meermalen plegen van dit feit bewezen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmaatverweer.

Ter terechtzitting heeft de raadsman aangevoerd dat er in casu sprake was van doorlating in de zin van artikel 126ff van het Wetboek van Strafvordering, hetgeen in zijn optiek dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat politie en/of justitie in het kader van onderhavig onderzoek cocaïne op de markt hebben laten komen. De rechtbank verwerpt dan ook dit verweer.

Strafmotivering.

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft deel uitgemaakt van een organisatie die op grote schaal cocaïne invoerde en afzette in Nederland. Daarnaast heeft verdachte ook zelf zich schuldig gemaakt aan de import en handel in cocaïne. Cocaïne is een voor de gezondheid van gebruikers daarvan zeer schadelijke stof en het gebruik ervan is ook bezwarend voor de samenleving, onder andere vanwege de daarmee gepaard gaande door verslaafden gepleegde criminaliteit en door hen veroorzaakte overlast. Kennelijk heeft verdachte zich laten leiden door het oogmerk van financieel gewin ten koste van anderen. Handelingen die erop zijn gericht om cocaïne binnen het grondgebied van Nederland te brengen en het vervolgens hier op de markt brengen ervan dienen dan ook krachtig te worden bestreden, zodat slechts een vrijheidsbenemende straf van aanzienlijke duur in aanmerking komt. Daarnaast was verdachte betrokken bij de vrijheidsberoving van een drugskoerier en heeft zij meerdere goederen geheeld. Ook dit zijn ernstige strafbare feiten

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een op naam van verdachte staand uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 22 juli 2003. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, doch niet voor soortgelijke feiten als de onderhavige.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 5 en 8 verbeurdverklaren, zijnde deze voorwerpen voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien:

deze aan verdachte toebehorende voorwerpen geheel of grotendeels door middel van de bij de Opiumwet strafbaar gestelde en bewezenverklaarde feiten zijn verkregen;

De rechtbank zal de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 10 onttrekken aan het verkeer, zijnde deze voorwerpen voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien:

met betrekking tot deze voorwerpen het bij dagvaarding I onder feit 2 bewezenverklaarde feit is begaan en het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en met het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave aan verdachte gelasten van de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 2, 3, 4, 6 en 7, te weten: 1 afhaalbewijs Rabobank, 1 vliegticket Amsterdam - Curaçao, rekeningafschriften ten name van [verdachte], 1 Rabobank afschrift en 1 Fortisbank afschrift.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie de blijkens de Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 11 tot en met 19, te weten: 1 spijkerbroek met label en weaver, 1 mengpaneel Tascam, 1 versterker Yamaha, 1 autoradio Blaupunkt, 1 autoradio Blaupunkt, 1 versterker Philips, 2 huistelefoons Wave 400 pocketline Swing, 1 fiets Palomar Triple Triangle kl: zwart/wit en 1 step met motor GS Moon E-scooter, in eigendom toebehoren.

De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 63, 140, 282, 416 van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende Lijst I.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar bij dagvaarding II onder feit 2 primair, 3 primair en 3 subsidiar telastgelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding I onder feit 1, 2 en 3 telastgelegde feiten en bij dagvaarding II onder feit 1, 2 subsidiair 1e en 2e cumulatief en 4 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER A VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER B VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 3:

OPZETTELIJK HANDELEN IN STRIJD MET HET IN ARTIKEL 2, EERSTE LID, ONDER C VAN DE OPIUMWET GEGEVEN VERBOD, MEERMALEN GEPLEEGD;

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

HET DEELNEMEN AAN EEN ORGANISATIE DIE TOT OOGMERK HEEFT HET PLEGEN VAN MISDRIJVEN;

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 2 subsidiair 1e en 2e cumulatief:

OPZETHELING, MEERMALEN GEPLEEGD;

Ten aanzien van dagvaarding II, feit 4 primair:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK IEMAND WEDERRECHTELIJK VAN DE VRIJHEID BEROVEN EN BEROOFD HOUDEN.

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 3 JAREN;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 11 februari 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 14 februari 2003,

verklaart verbeurd de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 5 en 8, te weten: Nederlands geld waarde 300 euro, Nederlands muntgeld in zakjes waarde 52 euro en diverse zakjes met muntgeld;

verklaart onttrokken aan het verkeer de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 10, te weten: 27 bolletjes cocaïne;

gelast de teruggave aan verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 2, 3, 4, 6 en 7, te weten: 1 afhaalbewijs Rabobank, 1 vliegticket Amsterdam - Curaçao, rekeningafschriften ten name van [verdachte], 1 Rabobank afschrift en 1 Fortisbank afschrift.

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de blijkens de aan dit vonnis gehechte Beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 11 tot en met 19, te weten: 1 spijkerbroek met label en weaver, 1 mengpaneel Tascam, 1 versterker Yamaha, 1 autoradio Blaupunkt, 1 autoradio Blaupunkt, 1 versterker Philips, 2 huistelefoons Wave 400 pocketline Swing, 1 fiets Palomar Triple Triangle kl: zwart/wit en 1 step met motor GS Moon E-scooter;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Elkerbout, voorzitter,

Sentrop en Van Wezel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Bröcheler, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 oktober 2003.