Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL7260

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-10-2003
Datum publicatie
06-10-2003
Zaaknummer
AWB 03/2327 BESLU en AWB 03/3642 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sloop blauwe aanslag te Den Haag

(...) Artikel 7 van de Monumentenverordening Zuid-Holland bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een beschermd provinciaal monument af te breken. Ingevolge artikel 8 wordt voor de toepassing van artikel 7 met beschermde monumenten gelijkgesteld monumenten ten aanzien waarvan Gedeputeerde Staten te kennen hebben gegeven de procedure als bepaald in artikel 4 te starten (de zogenaamde ‘voorbescherming’). Artikel 4 regelt een procedure die onder meer inhoudt dat Gedeputeerde Staten over de plaatsing van onroerende monumenten besluiten nadat de monumentencommissie om advies is gevraagd, waarvan in spoedeisende gevallen kan worden afgeweken, en dat Gedeputeerde Staten bij een voornemen tot plaatsing, na kennisgeving daarvan, belanghebbenden in de gelegenheid stellen hun zienswijzen naar voren te brengen. De voorbescherming eindigt op het moment waarop onherroepelijk vaststaat dat geen aanwijzing als provinciaal monument plaatsvindt.. (...)

Wetsverwijzingen
Flora- en faunawet
Flora- en faunawet 75
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2004/7 met annotatie van Van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de Rechtbank ’s-Gravenhage

sector bestuursrecht

Reg. nrs. AWB 03/2327 BESLU en AWB 03/3642 BESLU

UITSPRAKEN

als bedoeld in artikelen 8:84 en 8:86

van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Uitspraken op het verzoek om een voorlopige voorziening en in beroep van

[eiseres], gevestigd te Den Haag, eiseres,

ten aanzien van het besluit van 31 juli 2003, met kenmerk 2.2003.0079.001, van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder.

Derde partij: de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Den Haag, vergunninghouder.

Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 24 januari 2003 heeft verweerder aan de Dienst Stedelijke Ontwikkeling van de gemeente Den Haag, op grond van het bepaalde in artikel 8.1.1, eerste lid van de bouwverordening van de gemeente Den Haag (hierna: de Bouwverordening) vergunning verleend voor het slopen van de percelen aan het Buitenom 212-216 (het voormalige belastingkantoor, thans De Blauwe Aanslag) te Den Haag, kadastraal bekend gemeente Den Haag, sectie K, nummers 2915 en 3182 (gedeeltelijk).

Overeenkomstig het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Den Haag van 30 juli 2003, heeft verweerder bij besluit van 31 juli 2003 het hiertegen door (onder meer) eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 29 augustus 2003, ingekomen bij de rechtbank op 1 september 2003, beroep ingesteld. Tevens heeft eiseres bij brief van 29 augustus 2003 de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening voornoemde sloopvergunning te schorsen.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van

30 september 2003. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M. Schuckink Kool, advocaat te Den Haag. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. L. Vayssier en de heer drs. L.A. Oosterling.

Beoordeling

Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

Er bestaat aanleiding om in dit geval van laatstgenoemde bevoegdheid gebruik te maken.

Gezien haar statutaire doelstelling moet eiseres als rechtstreeks belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, derde lid, Awb worden beschouwd bij de op 24 januari 2003 afgegeven sloopvergunning. Verweerder heeft eiseres dus terecht in haar bezwaren ontvangen bij het thans bestreden besluit.

Artikel 8.1.6 van de Bouwverordening bepaalt dat een sloopvergunning moet worden geweigerd indien:

a. voor het slopen een vergunning ingevolge de Monumentenwet (1988) of een provinciale of een gemeentelijke Monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend;

b. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;

c. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken en hun gebruikers in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en deze ook door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd.

Eiseres heeft aangevoerd dat de sloopvergunning moet worden geweigerd, omdat op grond van de provinciale Monumentenverordening een vergunning is vereist en deze niet is verleend (artikel 8.1.6, aanhef en onder a).

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt:

Artikel 7 van de Monumentenverordening Zuid-Holland bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een beschermd provinciaal monument af te breken. Ingevolge artikel 8 wordt voor de toepassing van artikel 7 met beschermde monumenten gelijkgesteld monumenten ten aanzien waarvan Gedeputeerde Staten te kennen hebben gegeven de procedure als bepaald in artikel 4 te starten (de zogenaamde ‘voorbescherming’). Artikel 4 regelt een procedure die onder meer inhoudt dat Gedeputeerde Staten over de plaatsing van onroerende monumenten besluiten nadat de monumentencommissie om advies is gevraagd, waarvan in spoedeisende gevallen kan worden afgeweken, en dat Gedeputeerde Staten bij een voornemen tot plaatsing, na kennisgeving daarvan, belanghebbenden in de gelegenheid stellen hun zienswijzen naar voren te brengen. De voorbescherming eindigt op het moment waarop onherroepelijk vaststaat dat geen aanwijzing als provinciaal monument plaatsvindt.

Na een aanvraag om de te slopen panden als provinciaal monument aan te wijzen, hebben Gedeputeerde Staten bij besluit van 21 juli 2003 geoordeeld dat er voor hen geen rol is weggelegd inzake de instandhouding van deze panden, zodat de procedure als bepaald in artikel 4 van de Monumenten-verordening niet gestart wordt.

Doordat er geen procedure als bepaald in artikel 4 gestart is, worden de te slopen panden momenteel niet gelijk gesteld met een beschermd monument. De verbodsbepaling van artikel 7 van de Monumentenverordening geldt dus niet en een vergunning ingevolge de provinciale Monumentenverordening is thans niet vereist.

Anders dan eiseres heeft aangevoerd dat zou moeten, oordeelt de voorzieningenrechter niet dat Gedeputeerde Staten na een aanvraag in alle gevallen verplicht zijn te kennen te geven dat zij de procedure als bepaald in artikel 4 starten waardoor er na een aanvraag altijd voorbescherming is. In de provinciale Monumentenverordening zelf staat dat Gedeputeerde Staten de monumentencommissie niet om advies hoeven te vragen in spoedeisende gevallen en de verdere procedure (zoals inspraak) geldt bij een voornemen tot plaatsing, waarvan in dit geval geen sprake is. Ook het feit dat eiseres een bezwaarschrift tegen de beslissing van Gedeputeerde Staten heeft ingediend, maakt niet dat er voorbescherming moet zijn.

Gelet op het voorgaande vormt artikel 8.1.6 onder a, van de Bouwverordening geen grond om de sloopvergunning te weigeren.

Eiseres heeft voorts aangevoerd dat de sloopvergunning moet worden geweigerd omdat de kans redelijk groot is dat er zich dwergvleermuizen (Pipistrellus pipistrellus) in de Blauwe Aanslag bevinden.

Genoemde vleermuizen zijn beschermd door Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (hierna: de Habitatrichtlijn). Artikel 12, eerste lid, van deze richtlijn bepaalt:

De Lid-Staten treffen de nodige maatregelen voor de instelling van een systeem van strikte bescherming van de (…) vermelde diersoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied, waarbij een verbod wordt ingesteld op:

a) het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten;

b) het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering en trek;

c) (…)

d) de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.

Dit is in het nederlandse recht geïmplementeerd door de Flora- en Faunawet.

Eiseres heeft aangevoerd dat dit betekent dat op grond van artikel 75 van de Flora- en Faunawet van de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit een ontheffing voor het verstoren van de rust- en verblijfplaatsen van de vleermuizen moet zijn verkregen, voordat verweerder een sloopvergunning kan afgeven. Bovendien had volgens eiseres moeten worden onderzocht of er nog andere beschermde dieren en planten zijn waarvoor hetzelfde kan gelden.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende:

Nadat verweerder had vernomen dat er dwergvleermuizen in de te slopen panden kunnen zitten, heeft hij de Vereniging voor Zoogdierkunde en Zoogdierbescherming (VZZ) gevraagd dit te onderzoeken.

Blijkens de rapportage van de VZZ van 30 juni 2003 zijn op

vrijdagavond 27 juni 2003 en zaterdagmorgen 28 juni 2003 in totaal drie vleermuizen in de te slopen panden gezien. Er kon echter door de VZZ niet worden vastgesteld waar deze vleermuizen vandaan kwamen. De geziene vleermuizen zouden zowel in het gebouw, als ook in de directe omgeving hun vaste rustplaats kunnen hebben. De VZZ kon wel vaststellen dat er in elk geval geen kraamkolonies in de te slopen panden huizen.

Tot op heden heeft niemand kunnen vaststellen dat er daadwerkelijk dwergvleermuizen in de bedoelde panden een rustplaats hebben. Eiseres heeft ook zelf geen enkel stuk overgelegd dat in deze richting wijst.

Melding van andere beschermde dier- of plantensoorten op de te slopen locatie is nimmer gedaan. De te slopen panden liggen ook niet in een speciale beschermingszone die gebiedsbescherming geniet.

Gelet op het voorgaande kon verweerder er vanuit gaan dat de Habitatrichtlijn niet aan de sloop in de weg staat.

Ten slotte heeft eiseres aangevoerd dat het stadsvernieuwingsplan Vaillantplein/Buitenom, op grond waarvan deze sloop nodig zou zijn, in strijd is met het recht en het algemeen belang en inmiddels voor vernietiging bij de Kroon voorligt. Dit treft in deze zaak geen doel. De inhoud en juistheid van het bestemmingsplan is niet bepalend voor het al dan niet weigeren van de sloopvergunning.

Gelet op het hiervoor overwogene is er geen grond te oordelen dat verweerder de sloopvergunning moet weigeren.

Daarom moet het beroep van eiseres ongegrond worden verklaard.

Gegeven deze beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, staat voor partijen binnen zes weken na datum van verzending hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Aldus gegeven door mr. G. Dulek, als voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 oktober 2003, in tegenwoordigheid van de griffier G.J. Buitendijk.

Voor eensluidend afschrift,

de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage,