Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL6460

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-08-2003
Datum publicatie
13-11-2003
Zaaknummer
AWB 03/20605
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking visum / meldplicht / bevoegdheid.

Aan de orde is of artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, Vb 2000 eiseres vrijstelt van meldplicht bij de korpschef. De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking van een visum ambtshalve wordt genomen. De eisen die artikel 3:2 Awb stelt aan de besluitvorming door de overheid worden niet worden gemitigeerd of genuanceerd door artikel 4:2, tweede lid, Awb. Verweerder dient aannemelijk te maken dat grond bestaat voor intrekking van een visum. De rechtbank acht artikel 4.48, derde lid, Vb 2000 van doorslaggevend belang. Het gaat om een bevoegdheidstoedelende bepaling die ondubbelzinnig is geredigeerd. In artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, Vb 2000 wordt uitdrukkelijk de bevoegdheid tot aanwijzing van de autoriteit toegekend aan de gemeenteraad. In dit geval heeft de gemeenteraad heeft de burgemeester aangewezen als autoriteit aan wie moet worden kennis gegeven en niet de chef van het regionale politiekorps waarbinnen de gemeente valt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 4.48
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/464
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/20605 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1976, van Oekraïense nationaliteit, eiseres,

gemachtigde: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A.W. van ‘t Westeinde, advocaat bij Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn, advocaten en notarissen te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 28 oktober 2002 heeft eiseres bezwaar gemaakt/beroep ingesteld bij verweerder tegen de annulering van haar Schengenvisum. Dit is bij besluit van 11 maart 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 3 april 2003 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 14 april 2003. Op 25 april 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 27 juni 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2003. Eiseres is aldaar vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Eiseres stelt op onbekende datum Nederland te zijn binnengekomen. Zij was in het bezit van een Schengenvisum voor meerdere reizen voor 75 dagen, afgegeven door het consulaat van Duitsland in Kiev op 19 augustus 2002, geldig tot 3 november 2002. Eiseres is op 13 september 2002 het Schengengebied ingereisd.

2. Op 22 oktober 2002 is eiseres bij een groepsaanhouding door ambtenaren van de Vreemdelingendienst Noord-Holland staande gehouden op grond van een redelijk vermoeden van onrechtmatig verblijf in Nederland. Bij de staandehouding bleek dat eiseres zich niet bij de Vreemdelingendienst had gemeld. Het visum van eiseres is door verweerder geannuleerd.

3. Bij brief van 22 oktober 2002 heeft eiseres een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening teneinde uitzetting te voorkomen. Bij uitspraak van 22 oktober 2002 heeft deze rechtbank, zittingplaats Arnhem, het verzoek afgewezen (AWB 02/80511).

4. In het proces-verbaal van bevindingen van 18 november 2002 is onder meer het volgende opgenomen:

‘Blijkens informatie bij de gemeente Zijpe, werd mij door de betreffende ambtenaar meegedeeld dat op camping “Kees en Trijnie”, gelegen aan de Bosweg 48 te ’t Zand, eveneens geen nachtregister, als bedoeld in artikel 2.3.2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening wordt bijgehouden.’

‘De betrokken camping zou kunnen worden aangemerkt als een nachtregisterhoudende camping. Echter, de betreffende gemeenten verstrekken geen nachtregisters meer en leggen ook de verplichting het nachtregister bij te houden niet meer op aan de betreffende campings (..).’

5. Op 23 oktober 2002 is eiseres per vliegtuig naar de Oekraïne uitgezet.

6. Bij brief van 14 november 2002 heeft eiseres opnieuw een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Bij uitspraak van 21 januari 2003 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek afgewezen (AWB 02/80510).

7. Bij brief van 4 november 2003 heeft eiseres verzocht een voorlopige voorziening te treffen ertoe strekkende verweerder – onder meer – te bevelen eiseres te behandelen als ware zij nog in het bezit van een geldig visum, verweerder te gelasten eiseres op kosten van de Staat te laten terugkeren naar Nederland en vervolgens aan het einde van de visumtermijn weer naar de Oekraïne. Bij uitspraak van 7 april 2003 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzoek afgewezen (AWB 02/83757).

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is genomen en dat derhalve geen aanleiding bestaat om een eventuele schadevergoedingsverplichting aan te nemen. Eiseres heeft niet voldaan aan de verplichting opgenomen in artikel 22, tweede lid, van de Schengenuitvoeringsovereenkomst (SUO). Op grond van dit artikel dient de vreemdeling die op het grondgebied van één van de Overeenkomstsluitende Partijen verblijft en zich naar het grondgebied van één der overige Overeenkomstsluitende Partijen begeeft, aan de meldplicht zoals bedoeld in het eerste lid van voornoemd artikel te voldoen. Uit het paspoort van eiseres blijkt echter niet dat zij zich heeft aangemeld bij de Nederlandse autoriteiten.

Voorts verbleef eiseres onrechtmatig in Nederland, aangezien zij niet heeft voldaan aan de voorwaarden zoals neergelegd in artikel 12 van de Vw 2000. Zij heeft zich namelijk niet gehouden aan de meldplicht ex. artikel 4.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). De stelling van eiseres dat voor haar op grond van artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 geen meldplicht bestond, kan niet worden gevolgd aangezien niet is gesteld, noch is gebleken dat de camping waar eiseres verbleef kan worden aangemerkt als een hotel of een inrichting als bedoeld in die bepaling.

2. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de annulering van haar Schengenvisum onrechtmatig is geschied. Daartoe voert zij aan dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen zoals opgenomen in artikel 22 van de SUO, aangezien zij zich allereerst heeft gemeld aan de buitengrens, te weten Duitsland. In haar paspoort is hiervan een inreisstempel aanwezig. Daarnaast heeft eiseres ook voldaan aan de verplichting als bedoeld in het tweede lid van voornoemd artikel, daar zij in Nederland verbleef in een inrichting die voldoet aan het bepaalde in artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Camping “Kees en Trijnie” is blijkens artikel 2.3.2.3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Zijpe verplicht een nachtregister bij te houden. Eiseres is derhalve vrijgesteld van een meldplicht. Dat de verplichting een nachtregister bij te houden in de praktijk niet wordt nageleefd, kan niet aan eiseres worden tegengeworpen.

Voorts verzoekt eiseres om schadevergoeding. Rechtsherstel kan plaatsvinden door eiseres in de gelegenheid te stellen naar Europa te reizen. De kosten die daar mee gemoeid gaan, worden als schade gevorderd.

3. Ter zitting is namens verweerder nog aangevoerd dat het niet de bedoeling kan zijn van artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 om de bevoegdheid van de Vreemdelingendienst uit te hollen. De burgemeester van Zijpe is niet de korpschef die (mede) het vreemdelingentoezicht in zijn portefeuille heeft. Met melding bij die burgemeester is het vreemdelingentoezicht dan ook niet gediend.

4. Namens eiseres is ter zitting nog aangevoerd dat de voorgaande stellingname van verweerder niet kan afdoen aan de duidelijke tekst van artikel 4.48 van het Vb 2000. Voorts is desgevraagd medegedeeld dat eiseres haar personalia heeft opgegeven aan de houder van de camping “Kees en Trijnie”.

IV. OVERWEGINGEN

1. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in de kern in geschil is of artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 eiseres vrijstelt van haar meldplicht bij de korpschef van het regionale politiekorps waarin de gemeente is gelegen waar zij woon- of verblijfsplaats heeft. In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

2. Op grond van artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 is het eerste lid niet van toepassing op de vreemdeling die zijn intrek neemt in een hotel of in een inrichting, waarvan de eigenaar, houder of beheerder bij of krachtens gemeentelijke verordening verplicht is aan de daartoe aangewezen autoriteit kennis te geven van het verschaffen van nachtverblijf aan personen.

3. In paragraaf 2 van de APV van de gemeente Zijpe, onder ‘Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf’, zijn onder meer de volgende artikelen opgenomen.

Artikel 2.3.2.3

Nachtregister

1 De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat is ingericht volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

2 De houder van een inrichting of een voor hem handelend persoon is verplicht het in het eerste lid bedoelde register aan de burgemeester of aan een door hem aangewezen ambtenaar over te leggen op een door de burgemeester te bepalen wijze.

Artikel 2.3.2.4

Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

4. De rechtbank stelt voorop dat een besluit tot intrekking van een visum niet op aanvraag, maar ambtshalve wordt genomen. Dat betekent dat de eisen die artikel 3:2 van de Awb stelt aan de besluitvorming door de overheid in een dergelijk geval niet worden gemitigeerd of genuanceerd door een bepaling als het tweede lid van artikel 4:2 van de Awb, dat bepaalde verplichtingen op de betrokken justitiabele legt. Dientengevolge is het in casu niet aan eiseres om aannemelijk te maken dat geen sprake is van grond voor intrekking van haar visum, maar aan verweerder om aannemelijk te maken dat die grond er wel is.

5. Blijkens het proces-verbaal van bevindingen van 18 november 2002 is onderzoek verricht naar het voeren van een nachtregister door de camping “Kees en Trijnie”.

6. Met dat onderzoek is echter geenszins komen vast te staan dat niet is voldaan aan de uitdrukkelijke bewoordingen van artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Van de zijde van verweerder is zulks ook niet gesteld. Wel is betoogd dat gekeken zou moeten worden naar doel en strekking van die bepaling.

7. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze niet de tekst van deze bepaling doorslaggevend te laten zijn. Verweerders beroep op de context waarbinnen deze bepaling zou moeten worden gelezen, slaagt niet. Daartoe stelt de rechtbank voorop, dat het in casu gaat om een bevoegdheidstoedelende bepaling die ondubbelzinnig is geredigeerd. In artikel 4.48, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 wordt uitdrukkelijk de bevoegdheid tot aanwijzing van de autoriteit toegekend aan de gemeenteraad (die bij gemeentelijke verordening de autoriteit aanwijst aan wie kennis moet worden gegeven van het verblijf). De gemeenteraad heeft de burgemeester van Zijpe, en niet de chef van het regionale politiekorps waarbinnen de gemeente Zijpe valt, aangewezen als autoriteit aan wie moet worden kennis gegeven.

Dat deze bepaling problemen kan opleveren bij het vreemdelingentoezicht, is voorstelbaar, maar aan die problemen (waarbij ook de positie van gemeenten in het geding is) kan slechts een einde worden gemaakt door wets- of verordeningswijziging.

Voorzover verweerder heeft bedoeld te betogen dat deze bepaling een dode letter bevat, die om die reden buiten beschouwing zou dienen te blijven, volgt de rechtbank verweerder daarin niet, reeds omdat artikel 4.48, derde lid, aanhef en sub b, van het Vb 2000 correspondeert met een ander algemeen verbindend voorschrift, te weten de artikelen 2.3.2.3 en 2.3.2.4 van de APV van de gemeente Zijpe.

8. Gelet op het voorgaande wordt het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit als ondeugdelijk gemotiveerd vernietigd wegens strijd met artikel 7:12 c.q. 7:26 van de Awb. Verweerder dient met inachtneming van het voorgaande opnieuw te beslissen.

9. Voor zover eiseres heeft verzocht om toekenning van schadevergoeding, overweegt de rechtbank dat daar thans geen enkele aanleiding toe is. Het is aan verweerder om op dit punt, indien daarom namens eiseres wordt verzocht, nader in te gaan bij een nieuw te nemen besluit.

10. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

11. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb wijst de rechtbank de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter ver-goeding van het door eiseres betaalde griffierecht.

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met in-achtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan eiseres.

5. wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door eiseres betaalde griffierecht ad € 116,-- (zegge: honderd en zestien euro).

Gewezen door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.E Kolk, griffier en openbaar gemaakt op 26 augustus 2003.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 26 augustus 2003.

Conc: MK

Coll: CH

Bp: -

D: C

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.