Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL3261

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-01-2003
Datum publicatie
30-09-2003
Zaaknummer
AWB 01/44802
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Inzake het toepasselijke materiële recht wordt in de MvT bij artikel 118 van de Vw 2000 opgemerkt dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet, maar dat zulks niet bepaald is "omdat het reeds volgt uit de hoofdregel van het algemene bestuursrecht dat in bezwaar ex-nunc wordt beslist". De Vw 2000 kent ten aanzien van de buiten behandelingstelling van een aanvraag niet een overgangsrechtelijke bepaling met een andere strekking, in aanmerking genomen dat een dergelijke buitenbehandelingstelling bezwaarlijk kan worden geduid als betrekkelijk tot de behandeling van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 118, tweede lid van de Vw 2000.

Gelet hierop had verweerder het bij en krachtens de Vw 2000 vigerende recht dienen toe te passen. Het specifieke karakter van een besluit tot buiten behandelingstelling waaraan (mede) artikel 4:5 van de Awb ten grondslag ligt, doet hier niet aan af.

Verweerder heeft ten onrechte aan het bestreden besluit artikel 16a, eerste en vierde lid van de Vw ten grondslag gelegd in plaats van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid en vierde lid, van het Vb 2000.

Het toepasselijke artikel 16, eerste lid onder a en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van de Vb 2000 bevat niet een ander beoordelingskader en kan niet tot een andere uitkomst kan leiden, hetgeen ook geldt ten aanzien van artikel 3.71, vierde lid van de Vb 2000.

Het besluit wordt vernietigd metmet instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

zitting houdende te Dordrecht

Reg.nr : AWB 01/44802

Uitspraak in de zaak van

[eiser], eiser

gemachtigde mr. L.F. Portier, advocaat te Eindhoven

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, als ambtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie te 's Gravenhage, verweerder

gemachtigde mr. G.W. de Graaf, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser heeft bij faxbericht van 7 september 2001 beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 15 augustus 2001, waarbij het bezwaar van eiser van 30 maart 1999 tegen de buiten behandelingstelling bij besluit van 16 maart 1999 van zijn aanvraag om verlening van een vergunning voor verblijf bij partner ongegrond is verklaard. Bij brief van 4 oktober 2001 heeft eiser dit beroep van nadere gronden voorzien.

2. Het beroep is op 13 november 2002 ter zitting van een meervoudige kamer behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

1. Artikel 16a , eerste lid, van de Vreemdelingenwet (hierna: Vw) bepaalt - voor zover hier van belang - dat een aanvraag slechts in behandeling genomen wordt indien de vreemdeling beschikt over een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv). Artikel 16a, derde lid, van de Vw noemt een zestal categorieën waarbij vrijstelling van het mvv-vereiste plaatsvindt. Artikel 16a, zesde lid, van de Vw - voor zover hier van belang - bepaalt dat in zeer bijzondere, individuele gevallen voor het in behandeling nemen van de aanvraag om toelating de Minister van Justitie kan afzien van het eisen van het bezit van een geldige mvv. Dit is de zogeheten hardheidsclausule.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) juncto artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op reguliere gronden afgewezen, indien de aanvrager niet beschikt over een geldige mvv. Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan verweerder het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de buiten behandelingstelling van de aanvraag om verlening van een vergunning voor verblijf bij partner gehandhaafd, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv. Verweerder heeft het beroep van eiser op de hardheidsclausule, zoals neergelegd in artikel 16a, zesde lid van de Vw, niet gehonoreerd. Hiertoe heeft verweerder aangevoerd - samengevat en voorzover van belang - dat de gestelde omstandigheid dat eiser, behoudens het mvv-vereiste, voldoet aan de voorwaarden die overigens gelden om in aanmerking te komen voor de gevraagde vergunning, niet relevant is en geen grond vormt om af te wijken van het mvv-vereiste zoals omschreven in artikel 16a, eerste lid, van de Vw. Kern van dit artikel is juist te bewerkstelligen dat het eerste onderzoek naar het voldoen aan de verblijfsvoorwaarden wordt uitgevoerd als de vreemdeling verblijft in zijn land van herkomst of bestendig verblijf en dat niet middels het inreizen op de resultaten van dit onderzoek wordt vooruitgelopen. Voorts is van belang dat bij een buiten behandelingstelling niet wordt toegekomen aan een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag. De handhaving van het mvv-vereiste houdt niet noodzakelijkerwijs in dat aan het gezinsleven nimmer inhoud kan worden gegeven. Er bestaat derhalve geen positieve verplichting in het kader van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna te noemen: EVRM). Gelet op de omstandigheid dat eiser geen rechtmatig verblijf was toegestaan, komt het voor eigen rekening en risico dat het gezinsleven vooralsnog niet in Nederland kan worden voortgezet, aldus verweerder.

3. Eiser heeft zich - samengevat en voorzover van belang - op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij behoudens het mvv-vereiste voldoet aan de voorwaarden van de gevraagde vergunning. Het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste is ineffectief en brengt hoge kosten en tijdverlies met zich mee. Voorts heeft het onverkort vasthouden aan het mvv-vereiste een scheiding tussen eiser en zijn partner tot gevolg. De praktijk leert dat een mvv-procedure onredelijk lang duurt, hetgeen een schending van het bepaalde in artikel 8 van het EVRM betekent, aldus eiser.

4. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit dateert van na de inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001. Ten aanzien van het toepasselijke recht heeft verweerder in het bestreden besluit overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 de procedurele regels van de Vw van toepassing zijn. Verweerder heeft het primaire besluit waarbij de aanvraag met toepassing van artikel 16a, eerste lid, van de Vw buiten behandeling is gesteld, vervolgens gehandhaafd.

Ingevolge artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 blijft het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing op de behandeling van een bezwaarschrift tegen een besluit op grond van de Vw dat is bekend gemaakt voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Vw 2000 op 1 april 2001. Inzake het toepasselijke materiële recht wordt in de Memorie van Toelichting bij artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 opgemerkt dat op het bezwaarschrift moet worden beslist met inachtneming van de nieuwe wet, maar dat zulks niet bepaald is "omdat het reeds volgt uit de hoofdregel van het algemene bestuursrecht dat in bezwaar ex-nunc wordt beslist". De Vw 2000 kent ten aanzien van de buiten behandelingstelling van een aanvraag niet een overgangsrechtelijke bepaling met een andere strekking, in aanmerking genomen dat een dergelijke buitenbehandelingstelling bezwaarlijk kan worden geduid als betrekkelijk tot de behandeling van een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 118, tweede lid van de Vw 2000.

Gelet op het vorenstaande had verweerder in het bestreden besluit het bij en krachtens de Vw 2000 vigerende recht dienen toe te passen. Het specifieke karakter van een besluit tot buiten behandelingstelling waaraan (mede) artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ten grondslag ligt, doet hier niet aan af. Dit karakter brengt met zich dat gegevens en bescheiden die na het (primaire) besluit tot buiten behandelingstelling zijn overgelegd niet tot de wijzigingen behoren die bij de heroverweging ingevolge artikel 7:11 van de Awb in aanmerking behoeven te worden genomen (Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State 4 januari 2002, gepubliceerd in JB 2001, nr. 36). Zulks kan echter, zonder uitdrukkelijke overgangsrechtelijke bepaling, niet gelden voor een algehele wettelijke wijziging in de bevoegdheid als thans aan de orde.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte aan het bestreden besluit artikel 16a, eerste en vierde lid van de Vw ten grondslag gelegd in plaats van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid en vierde lid, van het Vb 2000.

Het beroep is derhalve gegrond wegens strijd van het bestreden besluit met de artikelen 7:11 van de Awb en artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000, zodat dit besluit voor vernietiging in aanmerking komt.

De rechtbank ziet evenwel aanleiding onder toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen geheel in stand te laten.

Daartoe overweegt de rechtbank dat het toepasselijke artikel 16, eerste lid onder a en tweede lid, van de Vw 2000 in samenhang met artikel 3.71, eerste lid, van de Vb 2000 niet een ander beoordelingskader bevat en evenmin tot een andere uitkomst kan leiden. Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van artikel 3.71, vierde lid van de Vb 2000.

Hetgeen eiser heeft aangevoerd kan voorts niet leiden tot het oordeel dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3.71, vierde lid Vb 2000. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op de in het bestreden besluit vermelde gronden in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de gestelde omstandigheid dat eiser voldoet aan de voorwaarden van de gevraagde verblijfsvergunning niet kan leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste.

Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank evenmin gehouden af te zien van het mvv-vereiste vanwege het bepaalde in artikel 8 van het EVRM. De rechtbank markeert hierbij allereerst, dat eiser zijn stelling dat sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM slechts summier heeft onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van inmenging in het gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Eiser is immers geen verblijfstitel ontnomen die hem in staat stelde het gezinsleven hier te lande uit te oefenen. Voorts heeft verweerder terecht geoordeeld dat op hem geen positieve verplichting rust om in het kader van het respect voor het familie- en gezinsleven ontheffing van het mvv-vereiste te verlenen, nu handhaving van het mvv-vereiste niet noodzakelijkerwijs inhoudt dat aan het gezinsleven niet te eniger tijd hier te lande inhoud kan worden gegeven. Gesteld noch gebleken is tenslotte, dat sprake is van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in het land van herkomst uit te oefenen.

5. De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het beroepschrift, met een waarde per punt van € 322,- en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het besluit;

3. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

1. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 322,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

5. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door eiser betaalde griffierecht ad

€ 109,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. Bedee, voorzitter en mrs. L de Loor Alwin en E.C.R. Schut, leden en door de voorzitter en mr. J. Bergen, griffier, ondertekend.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 28 januari 2003

afschrift verzonden op:

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.