Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1794

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/39326
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / gronden beroep.

Eiser is van Joegoslavische nationaliteit. De rechtbank stelt vast dat het beroep zich blijkens het overleggen van een kopie van de maatregel (mede) richt tegen de vrijheidsbeperking die eiser gedurende drie kwartier heeft ondergaan. De aanhef van de brief van de gemachtigde van eiser verwijst naar artikel 6 Vw 2000 dat op deze maatregel betrekking heeft. Op zichzelf kan dit het indienen van beroep rechtvaardigen. In casu is beroep ingesteld nadat de maatregel was opgeheven. Het enige processuele belang is dan slechts gelegen in vergoeding van de schade die eiser zou hebben geleden. In het beroepschrift wordt echter niet om zodanige vergoeding verzocht. Evenmin zijn nadere gronden ingediend. De gemachtigde is niet ter zitting verschenen zonder daartoe een plausibele verklaring te geven.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gronden voor het beroep onbegrijpelijk zijn, zodat reeds op deze grond het beroep ongegrond wordt verklaard. De rechtbank is van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en ingevolge artikel 8:75, eerste lid, Awb in de kosten zal worden veroordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

op grond van artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 94 en 106 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/39326 VRONTN

IND-nr.: 0307.18.0303

inzake: A, geboren op [...] 1967, van (gestelde) Joegoslavische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. M.N.R. Nasrullah, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr. J. Laros, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Op 19 juni 2003 is eiser op grond van artikel 3 van de Vw 2000 op de luchthaven Schiphol de verdere toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eiser is op dezelfde datum de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 toegepast.

Op 19 juni 2003 heeft verweerder de vrijheidsbeperkende maatregel opgeheven.

Bij beroepschrift van 16 juli 2003 heeft de gemachtigde van eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder tot oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van 22 juli 2003. Eiser noch zijn gemachtigde is aldaar verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. OVERWEGINGEN

Verweerder heeft het volgende -zakelijk weergegeven- aangevoerd. De oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel is rechtmatig geweest. Eiser stond in het NSIS/OPS systeem gesignaleerd als ongewenst vreemdeling voor het Schengengebied. Nu de maatregel reeds na drie kwartier is opgeheven en de gemachtigde niet heeft verzocht om schadevergoeding is het onduidelijk waar het beroep zich tegen richt. Door de IND Grensbewaking is het beroep opgevat als een administratief beroep tegen de toegangsweigering op grond van artikel 3 van de Vw 2000 en als zodanig zal er op worden beschikt.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder is op grond van artikel 6, eerste lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

De rechtbank stelt vast dat het beroep zich blijkens het overleggen van een kopie van de maatregel (mede) richt tegen de vrijheidsbeperking die eiser gedurende drie kwartier heeft ondergaan. De aanhef van de brief van de gemachtigde van eiser verwijst naar artikel 6 van de Vw 2000 dat op deze maatregel betrekking heeft. Op zichzelf kan dit het indienen van beroep rechtvaardigen. In casu is beroep ingesteld nadat de maatregel was opgeheven. Het enige processuele belang is dan slechts gelegen in vergoeding van de schade die eiser zou hebben geleden. In het beroepschrift wordt echter niet om zodanige vergoeding verzocht. Evenmin zijn nadere gronden ingediend. De gemachtigde is niet ter zitting verschenen zonder daartoe een plausibele verklaring te geven.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de gronden voor het beroep onbegrijpelijk zijn, zodat reeds op deze grond het beroep ongegrond wordt verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht en ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb in de kosten zal worden veroordeeld.

Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb worden bij algemene maatregel van bestuur nadere regels gesteld over de kosten waarop een veroordeling uitsluitend betrekking kan hebben en over de wijze waarop bij de uitspraak het bedrag van de kosten wordt vastgesteld. In artikel 1, aanhef en onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht staat dat de veroordeling betrekking kan hebben op de reis- en verblijfkosten van een partij. Blijkens artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van dit besluit wordt het bedrag van de kosten in de uitspraak vastgesteld overeenkomstig artikel 6, eerste lid, onderdeel III, van het Besluit tarieven in strafzaken. Daarin wordt bepaald dat de reiskosten worden vergoed per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Derhalve bedragen de reiskosten de kosten van een tweede klas treinkaartje, te weten een bedrag van € 12,90.

De rechtbank overweegt voorts dat de gemachtigde van verweerder niet uitsluitend voor deze zaak naar de rechtbank is vertrokken maar dat er 24 zaken op de rol stonden. De uiteindelijke kosten die verweerder in de onderhavige zaak heeft gemaakt bedragen derhalve 1/24 deel van € 12,90, te weten een bedrag van € 0,54.

III. BESLISSING:

De rechtbank

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt eiser in de proceskosten van verweerder tot een bedrag groot € 0,54 (zegge: vier en vijftig eurocent), te betalen door eiser aan de Staat der Nederlanden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Salomon, voorzitter, en door deze in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J.E. Nicolai, griffier.

Afschrift verzonden op: 29 juli 2003

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, derde lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.