Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1743

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-07-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/34330
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / ongewenstverklaring / onttrekking aan uitzetting.

Eiser is veroordeeld ter zake van een misdrijf en is ongewenst verklaard. Eiser stelt dat desondanks geen reden bestaat om gevaar voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig te achten. Verweerder heeft niet aangegeven waarom ondanks de door eiser gestelde omstandigheden sprake is voor vrees voor onttrekking aan de uitzetting. Blijkens een brief van verweerder van 1 juli 2003 is verweerder van oordeel dat de openbare orde enkel vanwege de veroordeling wegens een misdrijf en de ongewenstverklaring de inbewaringstelling vordert, ook indien geen reële vrees voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig is. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het systeem van de wet mee dat de openbare orde ex artikel 59 Vw 2000 slechts in het geding is indien sprake is van vrees voor onttrekking aan de uitzetting. Weliswaar zal ingeval de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en ongewenst verklaard is, snel een dergelijke vrees voor onttrekking aanwezig kunnen worden geacht, doch daarvan is niet zonder meer in alle gevallen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eiser gestelde omstandigheden aanleiding vormen om gevaar voor onttrekking aan de uitzetting niet aanwezig te achten. Nu eiser heeft onderbouwd dat voor genoemde vrees geen aanleiding is, had het op de weg van verweerder gelegen nader te onderbouwen dat wel sprake is van vrees voor onttrekking. Nu verweerder dat niet heeft gedaan en van mening lijkt te zijn dat een dergelijke vrees geheel niet vereist is voor een inbewaringstelling is het besluit onvoldoende gemotiveerd en daarmee onrechtmatig. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/34330 VRONTN S4

uitspraak: 17 juli 2003

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1968

van Chinese nationaliteit,

IND-dossiernummer: 9104.02.0151,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Demirtas, advocaat te Arnhem,

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: dhr. P. Mulder, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 juni 2003 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Namens eiser is op 18 juni 2003 beroep ingesteld tegen het voornoemde besluit waarbij is verzocht om schadevergoeding.

Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, op 25 juni 2003 ter zitting gehoord.

Ter zitting was een tolk in de Chinese taal aanwezig.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

Bij brief van 27 juni 2003 is partijen medegedeeld dat besloten is het onderzoek ingevolge artikel 8:86 Awb te heropenen teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de stelling van eiser dat hij over een vaste woon- of verblijfplaats beschikt. Tevens is verweerder verzocht de rechtbank te informeren over de stand van zaken met betrekking tot de procedures die lopen inzake de verblijfsstatus van eiser. De rechtbank heeft vervolgens kennisgenomen van de brief van 1 juli 2003 van verweerder. De gemachtigde van eiser heeft bij brief van 1 juli 2003 gereageerd op voornoemde brief van verweerder.

De rechtbank heeft bij brief van 1 juli 2003 de gemachtigde van eiser verzocht nadere informatie te verstrekken aan de rechtbank inzake de contacten van eiser met zijn gezin en de daadwerkelijke mogelijkheid van terugkeer en verblijf bij zijn gezin. De rechtbank heeft kennisgenomen van de brief met bijlage van 4 juli 2003 van de gemachtigde van eiser.

De rechtbank heeft vervolgens bij brief van 4 juli 2003 de gemachtigde van eiser verzocht de reclasseringsrapportages van eiser te overleggen. De gemachtigde van eiser heeft bij brief met bijlage op 14 juli 2003 gereageerd op dit verzoek. Verweerder heeft bij brief van 15 juli 2003 gereageerd op voornoemde reacties van de gemachtigde van eiser.

De rechtbank heeft bepaald dat nadere zitting achterwege blijft nu partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. De rechtbank heeft het onderzoek op 16 juli 2003 gesloten.

OVERWEGINGEN

Eiser is in aansluiting op een strafrechtelijke detentie op 18 juni 2003 op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000 opgehouden op een plaats bestemd voor gehoor. Eiser is vervolgens in bewaring gesteld.

Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd zijn.

De rechtbank overweegt als volgt.

De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

De rechtbank stelt vast dat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft, zodat eiser valt onder de in artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel berust aldus op de juiste grondslag.

Door eiser is naar voren gebracht dat de in bewaring stelling onrechtmatig is te achten omdat er geen vrees voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig is. Eiser heeft daartoe aangevoerd dat hij gehuwd is en zijn echtgenote met zijn vier kinderen hier in Nederland woont. Het lag in zijn bedoeling om na zijn strafrechtelijke detentie weer bij zijn gezin te gaan wonen. Voorts heeft hij een aanbod van een werkgever om na zijn detentie in loondienst te gaan werken. Tegen zijn ongewenst verklaring loopt een beroepsprocedure bij de rechtbank te Arnhem, terwijl er daarnaast nog een procedure over een verblijfsvergunning regulier in verband met verblijf bij zijn echtgenote loopt. Hij heeft er, aldus zijn verklaring, geen enkel belang bij om zich aan het toezicht en de uitzetting te onttrekken.

Na heropening van het onderzoek heeft eiser desgevraagd stukken ingezonden ten bewijze van zijn stellingen dat hij steeds contact heeft gehouden met zijn gezin en dat hij bij zijn gezin terug zal keren. Eiser heeft een overzicht toegezonden van de bezoeken die zijn echtgenote heeft gebracht aan de penitentiaire inrichting en een schrijven van zijn echtgenote.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, ook als eiser terug zou kunnen keren naar zijn gezin, de openbare orde nog steeds de inbewaringstelling vordert, omdat eiser veroordeeld is terzake van een misdrijf, ongewenst is verklaard en niet over een identiteitspapier beschikt.

De rechtbank komt tot het volgende oordeel.

Eiser heeft, met nadere stukken onderbouwd, aangegeven dat er ondanks het feit dat hij veroordeeld is terzake van een misdrijf en ondanks de ongewenst verklaring, geen reden is om gevaar voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig te achten. Eiser heeft hierbij gewezen op zijn gezinssituatie en de nog lopende beroepsprocedures. Zijdens verweerder is niet betwist dat eiser naar zijn gezin terug kan keren, noch dat de door hem genoemde procedures inzake zijn verblijfsrechtelijke positie lopen. Ook is niet door verweerder aangegeven waarom er ondanks de door eiser gestelde omstandigheden toch sprake is voor vrees voor onttrekking aan de uitzetting. Blijkens de inhoud van het schrijven van verweerder van 1 juli 2003, is verweerder van oordeel dat de openbare orde enkel vanwege de veroordeling wegens een misdrijf en de ongewenst verklaring, de in bewaring stelling vordert, ook indien er geen reële vrees voor onttrekking aan de uitzetting aanwezig is.

De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Het systeem van de wet brengt mee dat de openbare orde zoals bedoeld in artikel 59 slechts in het geding is indien er sprake is van vrees voor onttrekking aan de uitzetting. De maatregel van bewaring is immers een maatregel ter fine van uitzetting. Zulks staat eveneens verwoord in de Vreemdelingencirculaire in hoofdstuk A5/5.1.

Ook blijkens de formulering die is gehanteerd in de maatregel van bewaring is eiser in bewaring gesteld wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting. In het besluit waarbij de maatregel is opgelegd staat vermeld::

"legt de bewaring op aan de vreemdeling, zich noemende ....

Op grond van de volgende overwegingen:

- het belang van de openbare orde vordert de in bewaringstelling

wegens het vermoeden van onttrekking aan de uitzetting ......etc."

Weliswaar zal ingeval de vreemdeling zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf en ongewenst verklaard is, snel een dergelijke vrees voor onttrekking aanwezig kunnen worden geacht, doch daarvan is niet zonder meer in alle gevallen sprake. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden aanleiding vormen om gevaar voor onttrekking aan de uitzetting niet aanwezig te achten.

Nu eiser met kracht van argumenten heeft onderbouwd dat er voor genoemde vrees geen aanleiding is, had het op de weg van verweerder gelegen met een nadere onderbouwing te komen van zijn standpunt dat er wel sprake is van vrees voor onttrekking. Nu verweerder zulks niet heeft gedaan, sterker nog verweerder van mening lijkt te zijn dat een dergelijke vrees geheel niet vereist is voor een in bewaring stelling van een persoon als eiser, is het besluit onvoldoende gemotiveerd en daarmee onrechtmatig.

Het beroep is derhalve gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding de vreemdeling ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 Vw 2000 toe te kennen. Nu de vreemdelingenrechtelijke vrijheidsbeneming van aanvang af, derhalve met ingang van 18 juni 2003 onrechtmatig is geweest, komt de vreemdeling een bedrag toe van 5 x € 95,- voor de ten onrechte op het politiebureau doorgebrachte dagen, vermeerderd met een bedrag van 24 x € 70,- voor de ten onrechte in het huis van bewaring doorgebrachte dag. In totaal wordt een bedrag van € 2155,- toegekend.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard bestaat aanleiding verweerder te veroordelen tot vergoeding van de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van heden;

- kent aan eiser ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding toe van € 2155 (zegge: eenentwintighonderd en vijf en vijftig euro);

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad.€ 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Krachtens artikel 95, Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van deze uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Bij de indiening van het beroepschrift dient tegelijkertijd een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Hofman als griffier en uitgesproken op 17 juli 2003.

Afschrift verzonden:

De voorzitter van de rechtbank te 's-Gravenhage beveelt de tenuitvoerlegging van de in deze uitspraak toegekende schadevergoeding ten bedrage van € 2155,- .

Aldus gedaan op 17 juli 2003 door mr. B.I. Klaassens, fungerend voorzitter.