Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1729

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/34398
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / onttrekking aan uitzetting / opvang.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument, terwijl eiser voorts verdacht wordt van het plegen van een misdrijf. Verweerder heeft niet tot de conclusie kunnen komen dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verblijfplaats van eiser (opvang door het COA dan wel een psychiatrische inrichting) steeds bij het COA bekend is (geweest) en verweerder aldus bekend geacht werd te zijn met eisers verblijfplaats. Voorts blijkt op geen enkele wijze uit de stukken dat het COA heeft besloten eiser verdere opvang te onthouden. De enkele opmerking in het proces-verbaal van verbalisant onder de datum 17 juni 2003 als zou eiser zijn recht op verblijf op het AZC hebben verspeeld, is hiertoe onvoldoende.

De grond dat eiser geen vaste woon- of verblijfplaats heeft komt naar het oordeel van de rechtbank derhalve te ontvallen. De rechtbank overweegt voorts dat eiser in Nederland verblijft in afwachting van een lopende beroepsprocedure. De rechtbank concludeert dat na het wegvallen van de grond van het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats de nog resterende grondslag van de bewaring onvoldoende is om een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting te rechtvaardigen. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Assen

Vreemdelingenkamer

Regnr.: Awb 03/34398 VRONTN A R03 G32 S4

uitspraak: 27 juni 2003

U I T S P R A A K

op het beroep tegen de maatregel van bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), toegepast ten aanzien van de vreemdeling genaamd althans zich noemende:

A,

geboren op [...] 1976

van Burundische nationaliteit,

IND-dossiernummer: 0112.24.2018,

alias A, van Amerikaanse nationaliteit,

thans verblijvende in het huis van bewaring

te Ter Apel,

eiser,

gemachtigde: mr. G.W. Milet de St. Aubin, advocaat te Zwolle

tegen

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: dhr. F. Egbers, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

PROCESVERLOOP

Bij besluit van 17 juni 2003 is eiser op de voet van artikel 59, eerste lid en onder a, Vw 2000 in bewaring gesteld.

Namens verweerder is de rechtbank op 19 juni 2003 op grond van artikel 94, eerste lid, Vw 2000 in kennis gesteld van dit besluit, tegen welk besluit eiser geen beroep heeft ingesteld. Deze kennisgeving moet worden gelijkgesteld met een eerste door eiser ingesteld beroep tegen de maatregel van bewaring.

Eiser is, bijgestaan door zijn gemachtigde, op 26 juni 2003 ter zitting gehoord.

Ter zitting was een tolk in de Engelse taal aanwezig.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

Eiser is op 17 juni 2003 om 13:21 uur aangehouden op het asielzoekerscentrum te Wapenveld ter zake vermoedelijke overtreding van de artt. 350, 300 en 285 wetboek van Strafrecht. Na heenzending op 17 juni 2003 om 18:15 uur is eiser aansluitend in vreemdelingenbewaring gesteld.

Beoordeeld dient te worden of de toepassing of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de wet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd zijn.

Eisers gemachtigde heeft aangevoerd dat ten onrechte artikel 59, eerste lid onder a, Vw 2000 is toegepast. Nu eiser nog een beroepsprocedure aanhangig heeft, had hij rechtmatig verblijf en was de b-grond van toepassing. Dat eiser na de inbewaringstelling geen rechtmatig verblijf meer had, laat onverlet dat de b-grond van toepassing is. Reeds op grond van dit punt is de bewaring onrechtmatig.

Voorts is er geen sprake van dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Dat eiser zich mogelijk enkele keren niet aan de meldplicht heeft gehouden, laat zich verklaren doordat eiser verschillende keren in een psychiatrische inrichting is opgenomen. Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) is steeds op de hoogte geweest van eisers verblijfplaats. Naar het standpunt van eisers gemachtigde valt voorts niet in te zien hoe de voorgenomen uitzetting naar Burundi zich verhoudt tot artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Voorts is verweerder gehouden te wachten met de aanvraag van een laissez passer tot de rechter uitspraak heeft gedaan in de beroepsprocedure asiel.

De rechtbank overweegt als volgt.

De procedure leidend tot het besluit tot oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de wettelijke vereisten. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.

Niet in geschil is dat eiser, voorafgaand aan zijn inbewaringstelling, rechtmatig verblijf genoot op grond van artikel 8, aanhef en onder h, gelezen in samenhang met artikel 82, eerste lid, Vw 2000. Ingevolge het vierde lid van laatstvermelde bepaling vervalt de zogeheten schorsende werking van het eerste lid en daarmee de rechtmatigheid van het verblijf als bedoeld in artikel 8, aanhef en onder h, indien de vreemdeling op de voet van artikel 59 van de Vw 2000 rechtens zijn vrijheid is of wordt ontnomen.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat uit het vorenoverwogene volgt dat het rechtmatig verblijf van eiser is geëindigd op het moment waarop deze in bewaring werd gesteld (ABRvS 200301032/1 van 17 april 2003). Van een situatie als bedoeld in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000, was derhalve geen sprake. De bewaring is derhalve niet op die grond onrechtmatig.

Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser niet beschikt over een identiteitsdocument als bedoeld in artikel 4.21 Vreemdelingenbesluit 2000, terwijl eiser voorts wordt verdacht van het plegen van een misdrijf.

De rechtbank is evenwel, anders dan verweerder, van oordeel dat verweerder niet tot de conclusie heeft kunnen komen dat eiser geen vaste woon-of verblijfplaats heeft. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de verblijfplaats van eiser (een COA-opvanglocatie dan wel een psychiatrische inrichting) steeds bij het COA bekend is (geweest) en verweerder aldus bekend geacht werd te zijn met eisers verblijfplaats, terwijl voorts op geen enkele wijze uit de stukken blijkt dat het COA heeft besloten hem verdere opvang te onthouden. De enkele opmerking in het proces-verbaal van 24 juni 2003 van verbalisant onder de datum '17 juni 2003' als zou eiser zijn recht op verblijf op het AZC te Wapenveld hebben verspeeld, is hiertoe onvoldoende.

De grond dat eiser geen vaste woon-of verblijfplaats heeft komt naar het oordeel van de rechtbank derhalve te ontvallen.

De rechtbank overweegt voorts dat eiser hier te lande verblijft in afwachting van een lopende beroepsprocedure en hij er aldus belang bij heeft dat verweerder op de hoogte is van zijn verblijfplaats. De rechtbank neemt mede in aanmerking de persoonlijke omstandigheden van eiser wiens psychische problematiek - die mogelijk verband houdt met het gepleegde strafbare feit - bij verweerder bekend is.

Het vorenstaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat na het wegvallen van de grond van het ontbreken van een vaste woon-of verblijfplaats de nog resterende grondslag van de bewaring onvoldoende is om een vermoeden van onttrekking aan de uitzetting te rechtvaardigen. Het beroep is derhalve gegrond.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van eisers overige bezwaren.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de opheffing van de maatregel van de bewaring met ingang van heden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van Euro 322,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank moet vergoeden.

Krachtens artikel 95, Vw 2000 staat tegen deze uitspraak voor zover het betreft het beroep tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel, voor partijen hoger beroep open. Het beroepschrift dient binnen één week na verzending van deze uitspraak te worden ingediend bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. Bij de indiening van het beroepschrift dient tegelijkertijd een afschrift van de bestreden uitspraak te worden gevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.I. Klaassens, rechter, in tegenwoordigheid van drs. E. ten Houten als griffier en uitgesproken op 27 juni 2003.

Afschrift verzonden: 8 juli 2003