Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1714

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-08-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/35645, e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublinclaim / medische behandeling / artikel 3 EVRM.

Eisers zijn een gezin afkomstig uit Irak. De vader van het gezin heeft een aanvraag ingediend voor het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking medische behandeling. De moeder heeft een aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij echtgenoot ingediend en de andere eisers hebben een aanvraag voor verblijf onder de beperking gezinshereniging bij vader ingediend. De aanvragen zijn afgewezen. Ten aanzien van de aanvraag van de vader heeft verweerder overwogen dat overdracht naar Duitsland in het kader van een Dublinclaim kan plaatsvinden. Uit de door eiser aangedragen medische rapportage blijkt dat bij het onderbreken van de psychiatrische behandeling een acute medische noodsituatie dreigt. Eiser stelt dat bij overdracht aan Duitsland zijn behandeling zal worden onderbroken gezien de wachtlijsten aldaar. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of voor eiser bij overdracht naar Duitsland directe medische zorg beschikbaar is. Eiser heeft gesteld dat zijn psychische problemen zijn te wijten aan problemen in Duitsland met neo-nazi’s en dat door overdracht aan Duitsland zijn ziektebeeld zal verslechteren. De overdracht is daarmee in strijd met artikel 3 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat in deze procedure niet met succes een beroep kan worden gedaan op artikel 3 EVRM, maar dat eiser daarvoor een asielaanvraag onder de werking van de Vw 2000 zal moeten indienen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingkamer

Regnr.: AWB 02/35645 BEPTDN C, AWB 02/35651 BEPTDN C, AWB 02/41036 BEPTDN C, AWB 02/40982 BEPTDN C, AWB 02/41024 BEPTDN C

uitspraak: 13 augustus 2003

U I T S P R A A K

inzake:

A,

geboren op [...] 1950,

B,

geboren op [...] 1952,

alsmede hun minderjarige kinderen,

C,

geboren op [...] 1988, en

D,

geboren op [...] 1996,

allen IND dossiernummer 9807-23-2150,

en

E,

geboren op [...] 1978,

IND dossiernummer 9807-013-2152,

F,

geboren op [...] 1984,

IND dossiernummer 9807-23-2150,

G,

geboren op [...] 1982,

IND dossiernummer 9807-23-2151,

allen van Iraakse nationaliteit,

allen verblijvende te H,

gemachtigde: mr. M.A. Buys, advocaat te Leeuwarden.

tegen:

DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. E.A. Lukkien, werkzaam bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 3 december 1999 hebben eisers een aanvraag tot verlening van vergunningen tot verblijf gedaan; eiser A, verder te noemen; 'de vader', onder de beperking 'medische behandeling', eiseres B, verder te noemen; 'de moeder', onder de beperking 'verblijf bij echtgenoot A', voor de overige eisers onder de beperking 'gezinshereniging bij vader A'. Bij beschikkingen van 24 oktober 2001 heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd.

1.2 Eisers hebben hiertegen bij brieven van 16 november 2001 bezwaar gemaakt. Bij beschikkingen van 10 april 2002, verzonden 15 april 2002, heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschriften van 8 mei 2002 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikkingen. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eisers gezonden en hen in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 30 juni 2003. Eisers zijn daarbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Verweerder heeft de aanvraag van de vader afgewezen, omdat Nederland niet het meest aangewezen land is voor de medische behandeling. De vader kan, in het kader van een asielprocedure, worden overgedragen aan Duitsland. De medische behandeling behoeft, bij overdracht aan Duitsland, niet te worden gestaakt. Het niveau van medische zorg is in Duitsland en Nederland vergelijkbaar. De vader heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat zijn psychische problematiek het gevolg is van de problemen die hij in dat land zou hebben ondervonden. Verweerder heeft de overige aanvragen afgewezen, omdat de aanvragen een afhankelijk karakter hebben van het verblijfsrecht van de echtgenoot respectievelijk vader van eisers, en de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning aan deze is afgewezen.

2.2 De vader stelt zich op het standpunt dat het risico bestaat dat ten gevolge van overdracht aan Duitsland zijn medische behandeling zal worden onderbroken, nu de behandelcentra daar overvol zijn, waardoor voor hem een acute medische noodsituatie dreigt. Daartoe heeft de vader brieven van zijn psychiater alsmede informatie van Vluchtelingenwerk Duitsland overgelegd. Hij heeft Duitsland verder verlaten vanwege confrontaties met neo-nazi's aldaar. Uitzetting naar Duitsland zou hem in een medische noodtoestand brengen. De overige eisers stellen zich, samengevat, op het standpunt dat de aanvraag van de vader, en daarmee ook hun eigen aanvraag, ten onrechte is afgewezen.

2.3 Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het beroep

2.4 Onder meer gelet op het bepaalde in het Koninklijk Besluit van 22 juli 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 25 juli 2002, nr.140, is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie. Daar waar in deze uitspraak voor wat betreft de periode tot 22 juli 2002 wordt gesproken van verweerder dient te worden bedacht dat hiermede wordt bedoeld de (voormalige) Staatssecretaris van Justitie, wiens handelingen en besluiten, voor zover deze tot stand zijn gekomen voor 22 juli 2002, rechtens dienen te worden toegerekend aan voornoemde Minister.

2.5 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan. Daarbij is van belang dat, ingevolge artikel 117, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000 (Vw), de aanvraag om verlenging van een vergunning tot verblijf na de inwerkingtreding op 1 april 2001 van de Vw wordt aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 Vw.

2.6 De verblijfsvergunning regulier, zoals bedoeld in artikel 14 van de Vw, kan worden afgewezen op de gronden genoemd in artikel 16, eerste lid, Vw. De bijzondere voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking, verband houdend met het verblijfsdoel "verblijf bij echtgenoot respectievelijk vader", wordt verleend zijn nader uitgewerkt in Vc 2000 B2.

2.7 Het beroep van eisers is gebaseerd op twee pijlers; de vader heeft gelet op zijn medische toestand ononderbroken behandeling nodig en deze ononderbroken behandeling is bij uitzetting naar Duitsland niet gewaarborgd terwijl tevens overdracht aan Duitsland het ziektebeeld van de vader, gelet op de ervaringen in dat land, drastisch zal doen verergeren.

2.8 De rechtbank zal bij de beoordeling van de beroepen uitgaan van de navolgende feiten. De vader heeft te kampen met ernstige psychische klachten welke door de medisch adviseur van het Bureau Medische Advisering zijn omschreven als depressieve klachten met psychotische kenmerken. De door de vader ingeschakelde psychiater Oostveen spreekt van een psychose met suïciderisico. Bij het achterwege blijven of onderbreken van behandeling zal een acute medische noodsituatie ontstaan.

Niet ter discussie tussen partijen staat het feit dat het niveau van de medische zorg in Duitsland als voldoende en vergelijkbaar met die in Nederland moet worden beschouwd.

2.9 Eisers stellen zich op het standpunt dat niet is gewaarborgd dat de behandeling van de vader bij overdracht aan Duitsland ononderbroken kan worden gecontinueerd nu er in Duitsland wachtlijsten bestaan. Eisers beroepen zich daarbij op van een medewerkster van Vluchtelingenwerk Duitsland verkregen informatie. Het ononderbroken voortzetten van de behandeling is noodzakelijk omdat anders een medische noodsituatie zal ontstaan.

2.10 Verweerder heeft in de bestreden beschikking onder meer gesteld; "Bovendien wordt overwogen dat de overgelegde e-mail geen informatie is van de Duitse autoriteiten zelf of anderszins objectieve bron zodat hieraan niet de waarde kan worden toegekend die gemachtigde hieraan gehecht had willen zien. Overwogen wordt dat enkel de in de e-mail genoemde omstandigheid dat centra in Duitsland, waar betrokkene zijn posttraumatisch stess-stoornis zou kunnen laten behandelen, meestal overboekt zijn, onvoldoende is om te komen tot de conclusie dat betrokkene in Duitsland niet zou kunnen worden behandeld voor zijn psychische klachten. Gemachtigde wordt derhalve niet gevolgd in zijn stelling dat derhalve verblijf in Duitsland voor betrokkene zou leiden tot een acute medische noodsituatie". In de beschikking in primo overweegt verweerder onder meer, voor zover van belang; "Uit het rapport (van de BMA) blijkt voorts dat gelet op de ernst van de psychische klachten van betrokkene een acute medische noodsituatie zal ontstaan bij het achterwege blijven van behandeling. (...) Uit het rapport van de BMA blijkt tevens dat het niveau van medische zorg in Duitsland vergelijkbaar is met dat in Nederland. De medische behandeling behoeft derhalve, bij overdracht aan Duitsland, niet gestaakt te worden. Dat een medische noodsituatie zal ontstaan is gelet hierop niet aannemelijk".

Op 31 januari 2000 hebben eisers bij verweerder een rapport dd. 27 januari 2000 van I.Ch. Oostveen, psychiater te H, ingediend. Deze rapporteert onder meer dat behandeling van de vader direct nodig is omdat deze psychotisch is en er suïciderisico is.

2.11 De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het algemeen kan volstaan met een onderzoek naar het niveau van medische zorg in het land waarnaar wordt beoogd uit te zetten. In Duitsland mag dit niveau in het algemeen adequaat worden verondersteld. Verweerder heeft echter miskend dat er ten aanzien van de vader sprake is van een bijzonder geval. Verweerder heeft zelf overwogen dat bij achterwege blijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Nu er van de zijde van eisers zodanige signalen kwamen dat het ononderbroken voortzetten van de behandeling in Duitsland niet gewaarborgd zou (kunnen) zijn, had verweerder er, gelet op de door verweerder zelf onderkende ernst van de medische situatie, niet zonder meer van uit mogen gaan dat het ontstaan van een medische noodsituatie bij uitzetting niet aannemelijk zou zijn. Door slechts te stellen dat het niveau van de zorg in Duitsland vergelijkbaar is met dat in Nederland en dat de behandeling bij overdracht niet behoeft te worden gestaakt, en geen onderzoek te doen naar de vraag of de behandeling in Duitsland direct zou kunnen worden aangevangen, heeft verweerder zich weliswaar uitgelaten over de kwaliteit van de in Duitsland geboden zorg maar niet over de directe (noodzakelijke) beschikbaarheid daarvan terwijl nu juist dit aspect uitdrukkelijk door eisers naar voren was gebracht. De bestreden beslissing is hierdoor onvoldoende gemotiveerd waarbij door verweerder tevens niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen. De rechtbank neemt hierbij tevens in overweging dat uit het behandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij de besluitvorming slechts uit is gegaan van veronderstellingen en geen enkel onderzoek heeft verricht naar hetgeen uitdrukkelijk door eisers naar voren is gebracht. Dat de door de vader in dit kader gegeven informatie met betrekking tot wachttijden in de zorg niet van een overheidsinstantie afkomstig was acht de rechtbank in dit geval, gezien de ook door verweerder onderkende ernst van de situatie, niet relevant. Voor zover verweerder zich, zonder nader onderzoek, beroept op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, er in casu op neer komend dat verweerder ervan uit zou kunnen gaan dat de behandeling in Duitsland wel direct zou worden aangevangen, oordeelt de rechtbank dat dit beginsel verweerder niet ontslaat van zijn eigen verantwoordelijkheid. Gelet op het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat er sprake is van schending door verweerder van zowel het bepaalde in artikel 3:2 Awb als 7:12 Awb.

2.12 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank de beroepen, ook die ingediend door de moeder en de kinderen nu de door hen gevraagde verblijfstitels zijn afgeleid van de vader, gegrond verklaren.

2.13 De rechtbank begrijpt de beroepsgronden van eisers aldus dat gesteld wordt dat de overdracht van de vader aan Duitsland reeds op zichzelf zijn ziektebeeld zou doen verergeren en daarmee in strijd zou kunnen komen met artikel 3 EVRM. Mede gelet op hetgeen daaromtrent door eisers reeds in bezwaar is gesteld deelt de rechtbank verweerders ter zitting geuite opvatting dat het beroep op artikel 3 EVRM eerst ter zitting is gedaan niet. Gelet op hetgeen door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen in rechtsoverweging 2.5.3 van haar uitspraak van 11 april 2003, (JV 2003, 225), is de rechtbank echter van oordeel dat de door eisers voorgestane toetsing aan artikel 3 EVRM in de onderhavige procedure niet aan de orde kan komen. Indien eisers zich wensen te beroepen op de door dat artikel geboden bescherming zal een aanvraag als bedoeld in artikel 28 Vw moeten worden ingediend.

2.14 Voor zover de suikerziekte van eiseres F in beroep naar voren is gebracht is ter zitting vastgesteld dat dit bij de beoordeling van onderhavige beroepen geen rol kan spelen en dat eiseres F in verband daarmee indien gewenst een nieuwe aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier zal moeten indienen.

2.15 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bestreden beschikkingen niet met de nodige zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen en voorts niet berusten op een deugdelijke motivering en derhalve dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.16 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding waarbij de beroepen worden beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

3. BESLISSING

De rechtbank

-verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

-draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eisers van het betaalde griffierecht ad € 218,-

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Keuning en door hem in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2003 in tegenwoordigheid van mr. O.J. Bergsma als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 13 augustus 2003