Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1712

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-07-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/69653
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang / China.

Verweerder heeft op basis van het beleid inzake Chinese minderjarige asielzoekers, zoals neergelegd in TBV 2002/13, de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken. De rechtbank stelt voorop dat het beleid om een verblijfsvergunning onder de beperking amv in te trekken indien blijkt dat in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is, op zichzelf niet onredelijk kan worden geacht.

Verweerder heeft uit het ambtsbericht van 9 april 2001 inzake minderjarigen in China afgeleid dat in China adequate opvang voor minderjarigen aanwezig is, ongeacht hun leeftijd. De rechtbank is van oordeel dat de summiere informatie in het ambtsbericht over slechts één verzorgingshuis, waar geen minderjarigen verbleven, niet de conclusie van verweerder rechtvaardigt dat ook voor de minderjarigen in de leeftijd van zestien tot achttien jaar die niet in een weeshuis kunnen wonen, adequate opvang in China bestaat. Aangezien in de overgelegde stukken ook overigens geen grondslag is te vinden voor de juistheid van het standpunt van verweerder, komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de verplichting ex artikel 3:2 Awb om bij de voorbereiding van zijn besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zitting houdende te Dordrecht

Reg.nr :AWB 02/69653

Uitspraak in de zaak van

A, eiser,

gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht,

tegen

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Hofland, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Verweerder heeft bij besluit van 27 juni 2002 de aan eiser verleende verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling' ingetrokken.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 2 juli 2002 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 5 september 2002 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 10 september 2002 beroep ingesteld.

De zaak is op 13 mei 2003 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen Y.C.Tong, tolk.

II. OVERWEGINGEN

Op grond van artikel 19 Vw 2000 in samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 Vw 2000 worden ingetrokken indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden.

Ingevolge artikel 3.57 Vreemdelingenbesluit (Vb) wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van Vw 2000, behoudens artikel 3.68 Vb, voor ten hoogste één jaar verleend en kan deze telkens weer met ten hoogste één jaar worden verlengd.

Op grond van het gestelde in hoofdstuk B1/2.2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) wordt een vergunning ingetrokken, indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden, tenzij bij het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) of in de toepasselijke materiehoofdstukken van de Vc 2000 anders is bepaald.

Ten aanzien van alleenstaande minderjarige vreemdelingen is in dit verband het volgende van belang.

Een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling' wordt op grond van C2/7.4.1 Vc 2000 verleend aan alleenstaande minderjarige vreemdelingen die niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel, die adequate opvang behoeven en voor wie geen adequate opvang beschikbaar is.

Op grond van C2/7.6 Vc 2000 kan de verblijfsvergunning onder bovengenoemde beperking met toepassing van artikel 19, juncto artikel 18, eerste lid, onder f, Vw 2000 worden ingetrokken indien gedurende de looptijd van de vergunning nieuwe informatie beschikbaar komt, waaruit zou blijken dat er opvangmogelijkheden bestaan in het land van herkomst of in ieder ander land waar de minderjarige vreemdeling redelijkerwijs naar toe kan gaan.

In het Tussentijdsbericht Vreemdelingencirculaire TBV 2002/13 van 24 april 2002 heeft verweerder onder meer zijn beleid inzake Chinese minderjarige asielzoekers neergelegd, welk beleid is gebaseerd op een ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001 over de positie van minderjarigen in China (zelfredzaamheid, opvang en terugkeer). Op grond van de daarin vervatte informatie heeft verweerder geconcludeerd dat in China adequate opvang voor Chinese minderjarigen aanwezig is, ongeacht hun leeftijd. Verweerder heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat Chinese alleenstaande minderjarige asielzoekers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van het speciale beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers. Verweerder voert thans een actief intrekkingsbeleid. Dit betekent dat een geldige verblijfsvergunning regulier onder de beperking 'verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling' wordt ingetrokken op de grond dat adequate opvang in China aanwezig is.

Verweerder heeft op basis van dit beleid eisers verblijfstitel ingetrokken. Verweerder is van opvatting dat er geen sprake is van een beleidswijziging, noch van een nieuwe intrekkingsgrond, zoals eiser stelt, maar van nieuwe feiten of omstandigheden. Verweerder heeft daarbij benadrukt dat nieuwe feiten en omstandigheden reeds onder het oude beleid een intrekkingsgrond vormden.

Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat het aan eiser is om aan te tonen dat er in zijn geval geen mogelijkheid is tot adequate opvang. De enkele opmerking van eiser dat onbekend is naar welke instelling hij zou moeten afreizen, acht verweerder daartoe onvoldoende.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet is ingegeven door gewijzigde omstandigheden inzake adequate opvang, doch door een beleidswijziging. In de visie van eiser is het niet zo dat de kindertehuizen waarvan de opvang thans adequaat wordt geacht onlangs zijn ontdekt of opgericht. Er is in zijn ogen slechts sprake van een nieuwe opvatting bij verweerder over de kwaliteit van de aldaar geboden opvang.

Eiser meent dat een beleidswijziging alleen zou dienen te gelden voor nieuwe gevallen, gelet op het beginsel van de eerbiedigende werking van wet en beleid. Voorts leidt toepassing van het nieuwe beleid tot schending van het vertrouwensbeginsel, aldus eiser.

Eiser heeft verder aangevoerd dat verwijdering van Chinese vreemdelingen in de praktijk buitengewoon moeizaam verloopt.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat verweerders beleid om een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling' in te trekken indien blijkt dat in het land van herkomst adequate opvang aanwezig is, op zichzelf niet onredelijk kan worden geacht. Ook verweerders standpunt dat het alsdan aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling is om aannemelijk te maken dat in zijn geval die adequate opvang ontbreekt wordt door de rechtbank onderschreven.

Verweerder heeft in de onderwerpelijke zaak uit de inhoud van het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 april 2001 inzake minderjarigen in China afgeleid dat in China adequate opvang voor minderjarigen aanwezig is, ongeacht hun leeftijd.

Eiser behoort tot de categorie van 16 tot 18-jarigen. Blijkens het ambtsbericht bestaat voor die categorie minderjarigen, indien opvang in eigen kring ontbreekt, opvang in verzorgingshuizen. Eiser komt niet in aanmerking voor opvang in een weeshuis, want weeshuizen nemen uitsluitend kinderen tot 16 jaar op, waarbij de mogelijkheid bestaat om na het bereiken van de 16-jarige leeftijd langer in het weeshuis te verblijven. In het ambtsbericht staat verder, dat het ministerie van Burgerzaken van China de afgelopen jaren extra aandacht heeft besteed aan het management van weeshuizen en verzorgingshuizen. Er zijn standaard managementregels opgesteld voor bestaande instellingen, en regels voor het oprichten van nieuwe opvanginstellingen door particuliere organisaties. Opgemerkt is voorts, dat de kwaliteit van de opvang in China niet overal van hetzelfde niveau is en sterk afhankelijk is van de lokale omstandigheden en de welvaart in de betrokken provincie of regio. Door medewerkers van de Nederlandse ambassade te Beijing en van het Consulaat-generaal te Shanghai zijn bezoeken afgelegd aan een zevental opvangtehuizen in de regio's waar in de praktijk de meeste Chinese minderjarigen in Nederland vandaan komen. Uit de bij het ambtbericht gevoegde bijlage 3 blijkt dat het hier vooral weeshuizen betrof. De daar geboden opvang werd adequaat geacht. Er is één verzorgingshuis bezocht, alwaar bejaarden en een licht geestelijk gehandicapte jongen zaten, maar geen kinderen in de leeftijd van 16 tot 18 jaar. Van dit tehuis is gezegd dat het er netjes uitzag, men er met drie of vier op een kamer slaapt, er beneden in de eetzaal een televisiehoek is, en er voorts een activiteitenruimte is en een gymzaaltje.

De rechtbank is van oordeel dat de summiere informatie over slechts één verzorgingshuis, waar geen minderjarigen verbleven, niet de conclusie van verweerder rechtvaardigt dat ook voor de leeftijdsgroep 16 tot 18-jarigen die niet in een weeshuis kunnen wonen, adequate opvang in China bestaat. Aangezien in de overgelegde stukken ook overigens geen grondslag is te vinden voor de juistheid van dit standpunt van verweerder komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan de op hem ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rustende verplichting om bij de voorbereiding van zijn besluit de nodige kennis te vergaren omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.

Gelet op het voorgaande komt het bestreden besluit wegens strijd met voornoemd artikel in aanmerking voor vernietiging en is het beroep van eiser gegrond.

De rechtbank ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende bijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,= (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,= en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op voet van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht ad € 109,= te voldoen.

III. BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder met inachtneming van het in de uitspraak gestelde een nieuw besluit dient te nemen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 644,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.

5. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,00 vergoedt;

Aldus gegeven door mr. B.M. van Dun, rechter, en door deze en drs. S.R. Jonkergouw, griffier, ondertekend.

De griffier, De rechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 29 juli 2003

Afschrift verzonden op: 29 juli 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Men dient een afschrift van de uitspraak mee te zenden.