Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AL1708

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-07-2003
Datum publicatie
24-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/73303
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Amv / adequate opvang.

Verweerder stelt dat eiser niet voor een verblijfsvergunning amv in aanmerking komt, nu boven iedere twijfel verheven is dat eiser zonder hulp van of opvang door derden zelf in zijn onderhoud kan voorzien. De rechtbank maakt de overwegingen van de REK-uitspraak AWB 97/3056 van 3 juli 1997 tot de hare, hetgeen betekent dat getoetst dient te worden of boven iedere redelijke twijfel verheven is dat de alleenstaande minderjarige zich in het land van herkomst zonder hulp of opvang van anderen zelfstandig staande zal kunnen houden en of een uitzondering kan worden gemaakt op het uitgangspunt dat in het land van herkomst enigerlei vorm van opvang aanwezig moet zijn. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank betekenis worden toegekend aan de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de alleenstaande minderjarige zich zelfstandig moest redden en de situatie waarin hij verkeerde.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich dat de normen die gesteld kunnen worden aan het criterium zelfstandig staande kunnen houden ten aanzien van de primaire levensbehoeften niet minder kunnen zijn dan de normen die gesteld worden bij het criterium adequate opvang. Immers, het zich zelfstandig staande kunnen houden is een uitzondering op de toetsingsverplichting van verweerder aan de vraag of adequate opvang aanwezig is. De rechtbank merkt dienaangaande op dat verweerder deze toetsing heeft geplaatst in het kader van de plaatselijke maatstaven, waarbij verweerder verwezen heeft naar het ambtsbericht van 15 februari 2002 waarin gesteld wordt dat er sprake is van zelfstandig handhaven indien een minderjarige voldoende geld verdient om zichzelf in leven te houden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

enkelvoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr. : AWB 02/73303

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. H.C.Ch. Kneuvels, advocaat te Dordrecht,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. M. Verweij, ambtenaar ten departemente te 's-Gravenhage.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, die stelt te zijn geboren op [...] 1983, bezit de Guinese nationaliteit. Hij verblijft naar eigen zeggen sedert onbekende datum als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 29 april 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 7 juni 2002 afwijzend beslist. Ten aanzien van toelating als alleenstaande minderjarige vreemdeling heeft verweerder ambtshalve eveneens afwijzend beslist.

2. Op 19 juni 2002 heeft eiser tegen de beschikking inzake het niet verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd regulier op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 bezwaar ingesteld. Verweerder heeft bij beschikking van 28 augustus 2002 het bezwaarschrift ongegrond verklaard.

3. Op 24 september 2002 heeft eiser hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.

4. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 30 juni 2003. Ter zitting zijn verschenen eiser in persoon, bijgestaan door mr. H.J. Naber, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is ter zitting verschenen I. Bensmail, tolk in de Franse taal.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb. 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen: Vw 2000). De Vreemdelingenwet (Vw), Stb. 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt in hoofdlijnen met zich mee dat de aanvraag wordt aangemerkt als een aanvraag op grond van de Vw 2000, op welke aanvraag het oude procedurele recht van toepassing blijft, maar het nieuwe materiële recht.

Echter ingevolge Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2000/30 blijven in de gevallen waarin de aanvraag is ingediend voor 4 januari 2001 paragraaf B7/13 Vc (oud) en TBV's 1996/1, 2000/6 en 2000/7 van toepassing.

2. Eiser stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.

Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij als minderjarige recht heeft op een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling. Primair stelt hij zich op het standpunt dat hij in het bezit van een vergunning als alleenstaande minderjarige gesteld moet worden nu verweerder de beslistermijn van zes maanden ruimschoots heeft overschreden. Subsidiair heeft eiser onder meer aangevoerd dat hij zich gelet op zijn leeftijd niet zelfstandig staande kan houden in het land van herkomst. Dat hij enkele maanden op de markt in Madian heeft gewerkt, en een zwervend bestaan leidde, waarmee hij net genoeg verdiende om wat rijst te kopen kan bezwaarlijk als zodanig worden aangemerkt. Er is voor hem geen opvang in Guinee, nu hij daar helemaal geen familie meer heeft. De ratio van het beleid is bescherming van de minderjarige. Tot slot doet eiser een beroep op het bijzonder overgangsrecht voor achttienplussers.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor toelating in aanmerking komt. Daartoe is onder meer aangevoerd dat het enkele overschrijden van de beslistermijn geen aanspraak geeft op een vergunning tot verblijf. Verweerder verwijst daartoe naar de uitspraak van de rechtseenheidskamer (REK) van 3 juli 1997. Voorts komt eiser niet in aanmerking voor een vergunning als alleenstaande minderjarige nu, in navolging van een REK-uitspraak van eveneens 3 juli 1997 boven iedere twijfel verheven is dat eiser zonder hulp of opvang van derden zelf in zijn onderhoud kan voorzien. Daartoe wordt overwogen dat eiser lange tijd op de markt gewerkt heeft en hij naar plaatselijke maatstaven gemeten voldoende geld verdiende om zichzelf in leven te houden. Eiser hield zelfs geld over om soms wat aan zijn oma te geven. Bovendien meldt het ambtsbericht van 15 februari 2002 dat er de facto sprake is van zelfstandigheid wanneer iemand in de stad werkt en daarmee voldoende geld verdient om zichzelf in leven te houden. Op grond van sociaal-culturele factoren worden zestienplussers als zelfstandig aangemerkt. De vraag naar eventuele opvang hoeft derhalve niet aan de orde te komen.

4. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat op eiser het oude beleid van toepassing is. Ten aanzien van de vraag of aan eiser een vergunning als alleenstaande minderjarige toekomt enkel vanwege het ruimschoots overschrijden van de beslistermijn door verweerder, maakt de rechtbank de overwegingen van de REK van 3 juli 1997 inzake Awb 96/12136 tot de hare, in het bijzonder rechtsoverweging 10.3. De rechtbank ziet in de door eiser overgelegde jurisprudentie geen aanleiding hiervan af te wijken. Dit betekent dat verweerder eiser terecht enkel vanwege deze omstandigheid niet in het bezit heeft gesteld van een verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige.

Ten aanzien van de vraag of verweerder terecht heeft afgezien van de vraag of eiser opvang behoeft, maakt de rechtbank de overwegingen van de REK van 3 juli 1997 inzake Awb 97/3056 eveneens tot de hare, in het bijzonder rechtsoverweging 8.1. Dit betekent dat getoetst dient te worden of "boven iedere redelijke twijfel verheven is dat de alleenstaande minderjarige asielzoeker zich in het land van herkomst zonder hulp of opvang van anderen zelfstandig staande zal kunnen houden, een uitzondering kan worden gemaakt op het uitgangspunt dat in het land van herkomst enigerlei vorm van opvang aanwezig moet zijn. Daarbij moet naar het oordeel van de rechtbank , behalve aan de leeftijd van betrokkene, betekenis worden toegekend aan de omstandigheden die ertoe hebben geleid dat de alleenstaande minderjarige asielzoeker zich zelfstandig moest gaan redden en de situatie waarin hij verkeerde." Naar het oordeel van de rechtbank brengt dit met zich mee dat de normen die gesteld kunnen aan het criterium "zelfstandig staande kunnen houden" wat betreft de primaire levensbehoeften nooit minder kunnen zijn dan de normen die gesteld worden bij het criterium "adequate opvang". Immers, het zich zelfstandig staande kunnen houden is een uitzondering op de toetsingsverplichting van verweerder aan de vraag of adequate opvang aanwezig is.

De rechtbank merkt dienaangaande op dat verweerder deze toetsing heeft geplaatst in het kader van de plaatselijke maatstaven, waarbij verweerder verwezen heeft naar het ambtsbericht van 15 februari 2002 waarin gesteld wordt dat er sprake is van zelfstandig handhaven indien een minderjarige voldoende geld verdient om zichzelf in leven te houden. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee een onjuiste toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd. In het oude beleid is hiervoor geen enkele aanleiding te vinden. Ter zitting heeft verweerder hiervoor geen duidelijkheid kunnen verschaffen. Slechts in het nieuwe beleid is hiervoor een aanknopingspunt te vinden, maar dat is in casu niet van toepassing. Voorts acht de rechtbank relevant dat niet duidelijk is vanaf wanneer eiser op de markt heeft gewerkt. Eiser heeft desgevraagd geantwoord "een paar maanden", doch niet al een paar jaar. Blijkens eisers verklaringen heeft eiser in mei dan wel juni 2000 zijn land van herkomst verlaten en tot die tijd heeft hij op de markt gewerkt. Zijn vader is naar zijn zeggen in december 1999 gearresteerd. De rechtbank stelt vast dat dit een tijdsverloop van enkele maanden is. Niet uit te sluiten valt derhalve dat de arrestatie van eisers vader de aanleiding voor eiser is geweest om op de markt te gaan werken. Verweerder zal daartoe nader onderzoek dienen te verrichten. Deze omstandigheid acht de rechtbank van belang, nu de REK heeft bepaald dat de omstandigheden die aanleiding waren voor het zelfstandig in het onderhoud gaan voorzien mede bepalend zijn voor de vraag of opvang achterwege kan blijven. Voorts is de situatie waarin eiser verkeerde van belang. Eiser heeft daaromtrent verklaard dat hij op de markt sliep en genoeg verdiende om wat rijst te kopen. In navolging van eiser is de rechtbank van oordeel dat dit bezwaarlijk kan worden aangemerkt als zich zelfstandig staande kunnen houden. Dit klemt temeer gelet op de ratio van het beleid dat de minderjarige bescherming behoeft.

5. De rechtbank is concluderend van oordeel dat de bestreden beschikking niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en in strijd is met artikel 3:2 Awb en tevens berust op een ondeugdelijke motivering zoals vereist door artikel 7:12 Awb. De beschikking komt derhalve voor vernietiging in aanmerking.

6. Het beroep is derhalve gegrond.

7. Gelet op de gegrondverklaring behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

8. De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322, wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644 onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;

IV. RECHTSMIDDEL

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet geadresseerd worden aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage.

Aldus gedaan door mr. A. van 't Laar en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. J. van Dort, griffier.

Afschrift verzonden op: 9 juli 2003