Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AK8185

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2003
Datum publicatie
19-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/14002, 02/14009
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

FRJ / Sandjak / vrees voor vervolging.

Uit het feit dat de vrees voor vervolging ingevolge artikel 1A VSV gegrond dient te zijn, volgt dat aan de subjectieve vrees niet een doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. In de situatie van het land van herkomst dienen, naar objectieve maatstaven gemeten, gegronde redenen te zijn voor die vrees. Weliswaar hebben eisers het bestaan van een subjectieve vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt, de door eisers aangevoerde objectieve feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat de situatie in de voormalige FRJ naar objectieve maatstaven gemeten zodanig is, dat de vrees voor vervolging gegrond is. De ervaringen van discriminatie en ongelijke behandeling zijn onvoldoende ernstig om te oordelen dat sprake is van een zodanige systematische, zeer ingrijpende bejegening van discriminatoire aard dat eisers hierdoor in hun bestaansmogelijkheden worden beperkt.

De aangevoerde omstandigheden, gelegen in het feit dat eisers negen jaar lang in angst en onder psychische druk hebben geleefd, zijn niet op enigerlei wijze zijn te brengen onder het beleid van verweerder ten aanzien van traumata, zoals neergelegd in hoofdstuk C1/4.4.2.1 Vc 2000. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/14002 OVERIO

AWB 02/14009 OVERIO

inzake: A, geboren op [...] 1951, eiser, en B, geboren op [...] 1953, eiseres, beiden van Joegoslavische nationaliteit, wonende te C, eisers,

gemachtigde: mr. J.Th.A. Bos, advocaat te Utrecht,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. A. van Blankenstein, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 29 oktober 1999 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf ingediend, aan te merken als aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij afzonderlijke besluiten van 23 november 2000, uitgereikt op 7 december 2000, heeft verweerder de aanvragen niet ingewilligd. Bij bezwaarschriften van 4 januari 2001 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 1 februari 2001. Het bezwaar is bij afzonderlijke besluiten van 24 januari 2002 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 21 februari 2002 hebben eisers tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 27 maart 2002. Bij brieven van 17 januari 2003 en 21 maart 2003 hebben eisers nadere stukken ingediend. Op 6 juni 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 5 november 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2003. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eisers hebben aangevoerd dat zij in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Vw 2000. Zij hebben hiertoe - samengevat - het volgende asielrelaas naar voren gebracht.

Eisers zijn moslims, afkomstig uit de Sandjak-regio in de voormalige Federale Republiek Joegoslavië (FRJ) en vrezen vervolging vanwege hun etniciteit. Ze hebben de negen jaren voor hun vlucht voortdurend in angst en onder psychische druk geleefd. Eiser moest tot 1995, zonder dat hij dat wist en zonder betaling, een aantal klussen verrichten voor de partij van Milosevic en is in 1995 door Servische reservisten in een café beroofd. De kinderen van eisers ondervonden veel problemen en hadden geen recht op sociale voorzieningen. Na het vertrek van de kinderen naar Nederland in augustus 1998, hebben eisers last gekregen van dagelijkse dreigtelefoontjes en eiseres heeft schriftelijk anonieme bedreigingen ontvangen. Ook is de politie tweemaal aan de deur geweest om te vragen naar de zoon van eisers. Tijdens de bombardementen in 1999, gedurende de NAVO-interventie, zijn eisers voor een week gevlucht naar Sarajevo. Na terugkeer is eiser ontslagen, evenals alle andere moslimwerknemers bij zijn werkgever.

Eisers hebben cumulatieve redenen om te vrezen voor vervolging als bedoeld in het UNHCR Handboek paragraaf 53. De vervolging van eisers is gelegen in een vergaande discriminatie. Het is in zijn algemeenheid onjuist dat sprake moet zijn van een bepaalde intensiteit aan mensenrechtenschendingen wil van vervolging sprake zijn, zo volgt uit paragraaf 52 van het UNHCR Handboek. Gelet op het Handboek dient aan de subjectieve vrees van eisers een doorslaggevende betekenis te worden toegekend. Bovendien zijn er wel degelijk aanknopingspunten aanwezig om tevens te spreken van een geobjectiveerde vrees. Deze aanknopingspunten zijn te vinden in de algemene situatie in de voormalige FRJ, in het feit dat - tijdens de oorlog in Bosnië - moslims afkomstig uit de Sandjak-regio door de Nederlandse overheid als prima facie vluchteling werden beschouwd en in de eigen ervaringen alsmede de discriminatoire ervaringen van de kinderen en kennissen van eisers. Er kan nog lang niet gesproken worden van vergaande stabilisatie van de regio. Een reden voor de afgenomen discriminatie van moslims in de Sandjak-regio is dat het aantal moslims in de regio drastisch is afgenomen. Dat de algehele situatie voor minderheden in de Sandjak-regio nog immer slecht is volgt uit het overgelegde rapport van de International Helsinki Federation over 2002 en de brief van deze organisatie van 19 november 2001 alsmede uit de overgelegde krantenartikelen van 10 december 2002. Voorts is in het kader van het traumatabeleid van belang dat het in het beleid niet slechts om traumata gaat en bovendien dat de door eisers aangevoerde humanitaire redenen asielgerelateerd zijn. Tenslotte zijn eisers ten onrechte niet gehoord op hun bezwaar. Er waren voldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van vluchtelingenrechtelijke vervolging (in de sfeer van bedreigingen, intimidaties en ontslag), waardoor niet gezegd kon worden dat er twijfel was over de vraag of vervolging uitgesloten was.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde verblijfsvergunning. In de door eisers aangevoerde omstandigheden zijn geen objectieve aanknopingspunten te vinden die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat in hun geval sprake is van gegronde vrees voor vervolging. Het individuele relaas is onvoldoende zwaarwegend voor een geslaagd beroep op vluchtelingenschap. Ten aanzien van eisers was geen sprake van een onhoudbare situatie. Uit het ambtsbericht van 24 januari 2000 blijkt dat er in de Sandjak-regio geen sprake meer is van ernstige, specifiek op de Sandjak-moslims betrekking hebbende mensenrechtenschendingen. Uit het ambtsbericht van 12 juli 2001 blijkt voorts dat voor moslims in het Servische deel van de Sandjak-regio geldt dat sprake is van verdergaande stabilisatie in deze regio. De door eisers gestelde discriminatoire bejegening door medeburgers levert niet een dusdanige beperking van de bestaansmogelijkheden op dat het voor eisers onmogelijk is op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. De aangevoerde omstandigheid dat moslims alle sociale voorzieningen worden onthouden en uiteindelijk vrijwel alle moslims zijn ontslagen, past binnen het beeld van de ambtsberichten. De overgelegde productie van de Helsinki International Federation geeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de ambtsberichten, nu hieruit geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan de actualiteit op hoofdlijnen van de in de ambtsberichten neergelegde situatie in de Sandjak-regio blijkt. Het beeld dat de krantenartikelen geven, past eveneens binnen het algehele beeld dat bestaat over de onzekere situatie in de Sandjak-regio. Verweerder is, bij zijn beoordeling van de vraag of een vreemdeling gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging, niet gebonden aan de regels van het UNHCR Handboek, zo volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 september 2002, gepubliceerd in JV 2002, nummer 358. Eisers komen niet in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning wegens klemmende redenen van humanitaire aard. De aangevoerde redenen worden als onvoldoende zwaarwegend aangemerkt. Hierbij is in aanmerking genomen dat eisers in de negen jaren gedurende welke zij in angst zouden hebben geleefd nimmer aanleiding hebben gezien hun land van herkomst te verlaten. Gelet op het bepaalde in artikel 32, tweede lid, van de Vw (oud) bestond geen verplichting tot het horen van eisers en werd dit evenmin door de zorgvuldigheid gevorderd. Omdat niet is voldaan aan de criteria van artikel 32, eerste lid, van de Vw (oud) zijn de bepalingen over de hoorplicht in de Awb op grond van artikel 32, tweede lid, van de Vw (oud) niet van toepassing.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is; (...)

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de daar genoemde omstandigheden betrokken.

5. Vooropgesteld moet worden dat de situatie in de voormalige FRJ niet zodanig is dat asielzoekers afkomstig uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Beslissend is derhalve de individuele situatie van eisers, bezien in het licht van de algehele situatie in het land van herkomst. In dat licht zal aannemelijk moeten worden dat er feiten en omstandigheden bestaan met betrekking tot eisers persoonlijk, die hun vrees voor vervolging rechtvaardigen

6. Ingevolge artikel 1-A van het Vluchtelingenverdrag (hierna: het Verdrag) - voor zover hier van belang - geldt als „vluchteling“ elk persoon die gegronde vrees heeft voor vervolging. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het feit dat de vrees gegrond dient te zijn dat aan de subjectieve vrees niet een doorslaggevende betekenis kan worden toegekend bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een vluchteling in de zin van het Verdrag. In de situatie van het land van herkomst dienen, naar objectieve maatstaven gemeten, gegronde redenen te zijn voor die vrees. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat in de door eiser aangevoerde gebeurtenissen en omstandigheden geen objectieve aanknopingspunten zijn te vinden die het oordeel kunnen rechtvaardigen dat in hun geval sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Weliswaar hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank het bestaan van een subjectieve vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt, de door eisers aangevoerde objectieve feiten en omstandigheden zijn echter onvoldoende om tot het oordeel te leiden dat de situatie in de voormalige FRJ naar objectieve maatstaven gemeten zodanig is, dat de vrees voor vervolging gegrond is. Hierbij betrekt de rechtbank dat uit de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van onder meer 24 januari 2000 en 12 juli 2001 blijkt dat de Sandjak-moslims als gevolg van hun afkomst tot op zekere hoogte in hun bestaansmogelijkheden worden beïnvloed, maar dat uit dezelfde ambtsberichten blijkt dat er geen ernstige, specifiek op Sandjak-moslims betrekking hebbende mensenrechtenschendingen plaatsvinden. De ervaringen van discriminatie en ongelijke behandeling, zoals gerelateerd door eisers, zijn onvoldoende ernstig om te oordelen dat sprake is van een zodanige systematische, zeer ingrijpende bejegening van discriminatoire aard dat eisers hierdoor in hun bestaansmogelijkheden worden beperkt. De door eisers overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel, nu deze stukken passen binnen het algehele beeld zoals dat bestaat ten aanzien van de voormalige FRJ.

7. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht geen aanleiding heeft gezien eisers op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 een verblijfsvergunning te verlenen.

8. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de aangevoerde omstandigheden, gelegen in het feit dat eisers negen jaar lang in angst en onder psychische druk hebben geleefd, niet op enigerlei wijze zijn te brengen onder het beleid van verweerder ten aanzien van traumata, zoals neergelegd in hoofdstuk C1/4.4.2.1 e.v. van de Vc 2000. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van zodanig bijzondere omstandigheden dat verweerder aanleiding had moeten zien een vergunning te verlenen wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

9. Gelet op het bepaalde in artikel 118, tweede lid, van de Vw 2000 en artikel 32, tweede lid, van de Vw (oud), bestond naar het oordeel van de rechtbank geen verplichting eisers te horen, aangezien verweerder hen bij brief van 27 juni 2001 heeft medegedeeld dat aan het bezwaar geen schorsende werking werd verleend en dat eisers derhalve de beslissing op het bezwaarschrift niet in Nederland mochten afwachten. Daarbij heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank, gelet op het vorenoverwogene, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er in redelijkheid geen twijfel kon bestaan over gevaar voor vervolging. Het horen van eisers werd dan ook evenmin door de zorgvuldigheid gevorderd.

10. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

11. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

12. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

IV. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. H.B. van Gijn, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Slijkhuis, griffier, en openbaar gemaakt op: 12 juni 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 12 juni 2003

Conc.: SaS

Coll: JQ

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.