Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AK3549

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-07-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/34742
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring / asielaanvraag / schorsende werking.

Artikel 82, vierde lid, Vw 2000 brengt met zich dat aan verweerders besluit inzake de afwijzing van het asielbesluit geen schorsende werking toekomt, nu de vreemdeling in bewaring is gesteld.

Het betreft een in het nationale recht neergelegde procedureregel, waarbij (slechts) onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden de noodzaak kan bestaan om deze regel niet tegen te werpen. Niet gebleken is dat verweerder in de asielprocedure te kennen heeft gegeven deze bepaling niet tegen te werpen en evenmin is om een voorlopige voorziening verzocht. Voorzover wordt beoogd te bewerkstelligen dat bij het vervolgberoep tegen de bewaring alsnog schorsende werking in de asielprocedure wordt verleend, gaat dit verzoek het kader van de onderhavige procedure te buiten.

Derhalve dient thans onverkort te worden uitgegaan van de werking van artikel 82, vierde lid, Vw 2000 en blijft uitgangspunt dat de vreemdeling het beroep in de asielzaak niet in Nederland mag afwachten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 03/34742

Datum uitspraak: 18 juli 2003

Uitspraak van de rechtbank ingevolge artikel 96 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in het geschil tussen:

A, volgens zijn verklaring geboren op [...] 1982 en van Mongolische nationaliteit, thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Tilburg, hierna te noemen:

de vreemdeling,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, hierna te noemen: verweerder.

Zitting: 11 juli 2003.

De vreemdeling is niet verschenen, doch vertegenwoordigd door zijn gemachtigde,

mr. I.K. Kolev, advocaat te Hapert.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. W.J. van Blaricum.

I. PROCESVERLOOP

Op 10 januari 2003 is de vreemdeling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

De vreemdeling had op 13 april 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Bij beschikking van 10 februari 2003 is de door de vreemdeling ingediende aanvraag om toelating als vluchteling niet ingewilligd. In verband hiermee is de vreemdeling op 21 februari 2003 opnieuw in bewaring gesteld op de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 bedoelde grond.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te 's-Hertogenbosch, van 28 januari 2003, 28 maart 2003 en 23 mei 2003, zijn eerdere beroepen, strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring, ongegrond verklaard.

Bij kennisgeving ex artikel 96 van de Vw 2000 van 20 juni 2003, diezelfde datum ontvangen ter griffie van de rechtbank, heeft verweerder de rechtbank in kennis gesteld van het voortduren van de vrijheidsontneming.

Naar aanleiding van deze kennisgeving heeft verweerder op 23 juni 2003 een voortgangsrapportage ingezonden. De gemachtigde van de vreemdeling heeft hierop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet gereageerd.

De rechtbank heeft op 27 juni 2003 het vooronderzoek gesloten en bepaald dat het onderzoek ter zitting niet achterwege kan blijven.

Bij schrijven van 27 juni 2003, ter griffie van de rechtbank ontvangen op 30 juni 2003, heeft de gemachtigde van de vreemdeling een reactie ingediend op de voortgangsrapportage.

II. OVERWEGINGEN

Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of er - nog steeds - voldoende perspectief bestaat op uitzetting van de vreemdeling en of verweerder voldoende voortvarend handelt teneinde de uitzetting te effectueren. Voorts is van belang te beoordelen of voortzetting van de bewaring ook overigens, bij afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid nog gerechtvaardigd is.

Namens de vreemdeling is aangevoerd dat tegen de afwijzende beschikking op het asielverzoek tijdig beroep is ingesteld. Nu aan het ingestelde beroep geen schorsende werking is onthouden heeft de vreemdeling het recht de uitslag van het beroep in de asielzaak in Nederland af te wachten. Derhalve is er geen sprake van een mogelijkheid tot uitzetting van de vreemdeling in de nabije toekomst, in verband waarmee de bewaring dient te worden opgeheven.

Ter zitting is in dit verband nog verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 24 april 2003, nr. 200300506/1, gepubliceerd in NAV 2003/160. Namens de vreemdeling is opgemerkt dat artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000 weliswaar met zich brengt dat aan het beroep in de asielzaak geen schorsende werking toekomt, maar dat uit de vorenbedoelde uitspraak kan worden afgeleid dat het verweerder vrij staat deze bepaling niet aan de vreemdeling tegen te werpen. Nu verweerder in de asielprocedure niet expliciet heeft medegedeeld dat aan een in te stellen beroep geen schorsende werking toekomt, moet het er voor worden gehouden dat eerdervermeld artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000 niet aan de vreemdeling mag worden tegengeworpen, zolang niet door de beoordeling van het beroep in de asielzaak is komen vast te staan dat er geen sprake is van dreigende schending van het refoulementverbod.

De rechtbank overweegt als volgt.

Zoals reeds blijkt uit de uitspraak van deze rechtbank van 28 maart 2003, AWB 03/11995, brengt artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000 met zich dat in casu aan verweerders besluit inzake het asielverzoek geen schorsende werking toekomt, zodat de vreemdeling het beroep niet in Nederland mag afwachten.

Met de gemachtigde van de vreemdeling moet, in het verlengde van de hiervoor genoemde uitspraak van de Raad van State, worden vastgesteld dat het ook hier gaat om een in het nationale recht neergelegde procedure-regel, waarbij (slechts) onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden de noodzaak kan bestaan om deze regel niet tegen te werpen. Wat hiervan ook zij, niet gebleken is dat verweerder in de asielprocedure te kennen heeft gegeven dat er aanleiding is om meervermeld artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000 niet aan de vreemdeling tegen te werpen. Evenmin is hangende het beroep in de asielzaak een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend teneinde te bewerkstelligen dat een rechterlijke beslissing wordt genomen op grond waarvan de vreemdeling het beroep inzake de afwijzing van zijn asielverzoek alsnog in Nederland mag afwachten. Voorzover de gemachtigde van de vreemdeling zou beogen dat in het kader van het hier voorliggende vervolgberoep inzake de inbewaringstelling alsnog wordt bepaald dat aan verweerders besluit in de asielprocedure schorsende werking wordt toegekend, moet worden geoordeeld dat dit verzoek het kader van de onderhavige procedure te buiten gaat, nu deze procedure uitsluitend betrekking heeft op de rechtmatigheid van het laten voortduren van de bewaring en geen betrekking heeft op het asielverzoek als zodanig.

Het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat in de huidige beroepsprocedure ten aanzien van de bewaring onverkort dient te worden uitgegaan van de werking van artikel 82, vierde lid, van de Vw 2000, zodat ook thans het uitgangspunt blijft dat de vreemdeling het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek niet in Nederland mag afwachten. De hierop betrekking hebbende bezwaren leiden dan ook niet tot opheffing van de bewaring bij gebreke aan voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is voorts gebleken dat het onderzoek door de Mongolische autoriteiten, waar de vreemdeling op 25 april 2003 is gepresenteerd, nog gaande is. Verweerder, in de persoon van de heer Oei, rappelleert één maal per twee weken. Eventuele nieuwe feiten en omstandigheden, zoals het (nieuwe) geboortejaar 1982 van de vreemdeling dat hij tijdens een gehoor op 5 juni 2003 heeft opgegeven, worden hierbij doorgegeven aan de Mongolische autoriteiten.

Gelet op het voorgaande bestaat er naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog voldoende zicht op uitzetting en kan niet worden gesteld dat verweerder onvoldoende voortvarend aan de uitzetting van de vreemdeling werkt.

Aangezien de bewaring reeds meer dan zes maanden voortduurt, dient te worden beoordeeld of het belang van de vreemdeling om in vrijheid te worden gesteld thans zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting in bewaring te houden. In beginsel geldt dat na zes maanden het belang van de vreemdeling bij opheffing van de bewaring zwaarder weegt dan het belang van verweerder om de vreemdeling ter fine van uitzetting nog in bewaring te houden. Onder bijzondere omstandigheden kan het belang van verweerder zwaarder wegen dan het belang van de vreemdeling. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan onder meer sprake wanneer de vreemdeling het onderzoek ter vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit frustreert.

Er is sprake van frustratie van het onderzoek door de vreemdeling. Uit de gedingstukken is immers gebleken dat de vreemdeling geen medewerking heeft verleend bij de presentatie bij de Mongoolse autoriteiten op 25 april 2003. Voorts heeft hij tijdens het gehoor op 5 juni 2003 verklaard dat hij niet wil mee te werken aan zijn uitzetting. Ondanks het verzoek van de Mongolische consul wenst hij niet te bellen naar Mongolië om zo aan originele papieren te komen. Niet is gebleken dat de vreemdeling zelf iets heeft gedaan wat zou kunnen bijdragen aan de bespoediging van het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, ondanks het feit dat hij op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht verplicht is aan een dergelijk onderzoek zijn medewerking te verlenen. Door deze non-coöperatieve houding heeft de vreemdeling het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit (welbewust) aanzienlijk vertraagd.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring zwaarder dient te wegen dan het belang van de vreemdeling bij invrijheidstelling. Ook na ommekomst van de termijn van zes maanden is de bewaring nog gerechtvaardigd te achten.

Ook overigens is de rechtbank van oordeel, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, dat de voortduring van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000 en evenmin bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.

Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.P.J. Tillie als griffier op 18 juli 2003.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 18 juli 2003