Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AK3449

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2003
Datum publicatie
12-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/26021, 02/26023
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Wijziging beperking verblijfsvergunning / motivering.

Verzoeker, met de Chinese nationaliteit, heeft verzocht de beperking van de vtv te wijzigen in klemmende redenen van humanitaire aard. Vervolgens heeft verzoeker nog twee beperkingen genoemd, te weten de beperkingen verblijf bij partner en de vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Verweerder heeft de aanvraag getoetst aan de beperking gezinsvorming met zijn Chinese partner. De aanvraag is afgewezen.

In artikel 3.4, eerste lid, Vb 200 zijn de beperkingen neergelegd waaronder een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat het onder de Vw 2000 niet mogelijk is een verblijfsvergunning zonder beperkingen te verlenen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan voorts niet gezegd worden dat verweerder verzoekers aanvraag in materiële zin niet getoetst heeft aan de door verzoeker naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waaronder begrepen de door verzoeker als klemmende redenen van humanitaire aard gekwalificeerde feiten en omstandigheden. Evenmin kan, mede gelet op een daartoe strekkende grond in het bezwaarschrift van verzoeker en op basis van het verhandelde ter zitting, gezegd worden dat de overige door verzoeker aangehaalde beperkingen in het onderhavige geval geen enkele rol hebben gespeeld. Verweerder heeft evenwel verzuimd dit (expliciet) in het bestreden besluit op te nemen. Dit maakt dat aan het besluit een formeel motiveringsgebrek kleeft. De rechter ziet aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 Awb aan dit formele gebrek geen consequenties te verbinden. Beroep ongegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ROERMOND

Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

Vreemdelingenkamer

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank inzake toepassing van artikel 8:81 en 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Proc.nrs.: AWB 02/26021 BEPTDN (voorlopige voorziening) en AWB 02/26023 BEPTDN (beroepszaak)

Inzake: A, verzoeker,

gemachtigde mr. M.A. Collet, advocaat te Waalwijk,

Tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder.

--------------------------

I. PROCESVERLOOP

Met ingang van 22 juli 2002 is de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de plaats getreden van de Staatssecretaris van Justitie als het bevoegde bestuursorgaan inzake vreemdelingenzaken. In deze uitspraak wordt onder verweerder tevens verstaan de Staatssecretaris van Justitie.

Bij fax van 5 april 2002 heeft verzoeker beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 21 maart 2002. Bij dat besluit is het bezwaarschrift van verzoeker van 7 januari 2002 tegen het besluit van verweerder van 18 december 2001 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een reguliere verblijfsvergunning afgewezen.

Voorts heeft verzoeker bij verzoekschrift van 5 april 2002 de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege wordt gelaten tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 18 juni 2003, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. M.A. Collet. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. F. Ticheler. Als tolk was ter zitting aanwezig de heer T.M. Gip.

II. OVERWEGINGEN

Verzoeker, geboren op [...] 1965 en van Chinese nationaliteit heeft op 23 januari 2001 een "aanvraag om wijziging van de beperking van een vergunning tot verblijf " ingediend en verzocht om wijziging van de beperking in: humanitaire redenen. Voorafgaand aan deze aanvraag, te weten op 12 juni 1991 en op 8 november 1994 heeft verzoeker aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en om verlening van een vergunning tot verblijf. Beide aanvragen zijn onherroepelijk afgewezen.

Bij brief van 3 oktober 2001 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat het sedert de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) per 1 april 2001 niet langer mogelijk is een verblijfsvergunning zonder beperking te verlenen. Het is uitsluitend mogelijk verblijfsvergunningen te verlenen onder één van de beperkingen zoals genoemd in artikel 3.4 Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) en zoals genoemd in B1/2.1.1., van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000). Aangezien "klemmende redenen van humanitaire aard" niet wordt genoemd in artikel 3.4 van het Vb 2000 en deswege door verweerder niet wordt gezien als verblijfsdoel, heeft verweerder verzoeker bij voornoemde brief in de gelegenheid gesteld om een beperking bekend te maken zoals neergelegd in artikel 3.4, van het Vb 2000 dan wel zoals genoemd in Hoofdstuk B1/2.1.1. van de Vc 2000.

In zijn reactie bij brief van 24 oktober 2001 heeft verzoeker de aanvraag om klemmende redenen van humanitaire aard als zodanig gehandhaafd. Daarnaast heeft hij de beperkingen 'verblijf bij partner' (artikel 3.4, eerste lid, onder a, van het Vb 2000) en de beperking 'de vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken' (artikel 3.4, eerste lid, onder w, van het Vb 2000) genoemd. Tevens heeft verzoeker gewezen op de in het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000 vervatte mogelijkheid om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

Bij besluit van 18 december 2001 heeft verweerder vervolgens op de aanvraag van verzoeker beslist. Zoals hierna nog nader zal worden overwogen heeft verweerder verzoekers aanvraag (met name) getoetst aan de beperking "gezinsvorming met Chinese partner B".

Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker tegen de afwijzing van zijn aanvraag ongegrond verklaard, aangezien in het geval van verzoeker niet is voldaan aan de in het kader van het beleid ten aanzien van gezinshereniging of gezinsvorming gestelde voorwaarden. Voorts is het standpunt dat "klemmende redenen van humanitaire aard" niet (meer) worden gezien als een op zichzelf staand verblijfsdoel gehandhaafd. Tegen dit thans bestreden besluit is beroep aangetekend en verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit beroep is ingesteld bij de rechtbank, de voorzieningenrechter (hierna: de rechter) van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Het verzoek als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb is gedaan terwijl beroep is ingesteld bij de rechtbank. Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de rechter alsdan onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien hij na de behandeling van het verzoek ter zitting van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Op deze bevoegdheid van de rechter is partijen gewezen in de kennisgeving van behandeling ter zitting.

Na de kennisneming van de stukken en na de behandeling van het verzoek ter zitting is de rechter van oordeel dat nader onderzoek aan de behandeling van de zaak niet kan bijdragen. Ook overigens is niet gebleken van feiten of omstandigheden die zich tegen de toepassing van het bepaalde in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb verzetten. De rechter doet dan ook onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak. Daarbij ligt mitsdien de vraag voor of het besluit van 21 maart 2002 in rechte stand kan houden. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb 2000, 495 (Vw 2000). De Vreemdelingenwet, Stb. 1965, 40 (hierna Vw) is per deze datum ingetrokken.

Op grond van artikel 117, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 wordt een op de datum van inwerkingtreding van die wet (1 april 2001), in behandeling zijnde aanvraag om toelating als vluchteling, aangemerkt als een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning op grond van de Vw 2000.

In beroep heeft verzoeker betoogd dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid is, omdat verweerder niet is ingegaan op alle bij brief van 24 oktober 2001 door verzoeker genoemde gronden voor verlening van een verblijfsvergunning. Verder richt het beroep zich tegen het bestreden besluit voor zover daarbij is bepaald dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking "gezinsvorming met partner B". Tot slot heeft verzoeker aangevoerd dat het niet verlenen van een verblijfsvergunning in zijn geval leidt tot schending van artikel 8 EVRM.

Ingevolge het tweede lid, van artikel 14 van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

In artikel 3.4, eerste lid, onder "a" tot en met "y", van het Vb 2000 zijn beperkingen opgenomen waaronder de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, kan worden verleend. Voor het onderhavige geval is van belang dat onder "a" de beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming wordt genoemd en onder "w" de beperking verband houdend met verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

In artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 is bepaald dat de Minister de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14, van de Vw 2000 kan verlenen onder een andere beperking dan genoemd in het eerste lid.

Het door verzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feitencomplex bestaat zakelijk weergegeven uit drie componenten: (1) zijn relatie met mevrouw B en de daaruit geboren kinderen, (2) het niet beschikken over identiteits- en andere papieren als gevolg van gebrek aan medewerking vanwege de Chinese autoriteiten en (3) verzoekers lange verblijfsduur in Nederland c.q. zijn integratie in de Nederlandse samenleving.

Tussen partijen is niet in geschil dat niet is beoogd om meerdere afzonderlijke aanvragen in te dienen dan wel dat verweerder gehouden zou zijn om ten aanzien van iedere aangegeven beperking een afzonderlijk besluit te nemen. Uit hetgeen in de stukken is aangevoerd en het verhandelde ter zitting leidt de rechter voorts af dat partijen er evenmin over twisten dat verweerder op basis van het aangereikte feitencomplex dient te bezien of een verblijfsvergunning kan worden verleend. De rechter acht dit standpunt onder verwijzing naar uitspraak van 11 juli 2002 van deze rechtbank zittinghoudende te Utrecht (MR 2002,61) juist.

Naar de mening van verzoeker dient verweerder bij zijn besluitvorming vervolgens wel deugdelijk gemotiveerd aan te geven waarom niet gekomen kan worden tot vergunningverlening onder de door hem genoemde beperking(en) dan wel enige andere beperking.

Verweerder heeft, zoals door verweerders gemachtigde ter zitting is verwoord - en zijdens verzoeker onbestreden is gebleven -, het bezwaar van verzoeker bekeken in het licht van het totale feitencomplex. Daarbij is nagegaan onder welke van de in artikel 3.4, eerste lid, van het Vb 2000 genoemde beperkingen verzoekers aanvraag gebracht zou kunnen worden. Vervolgens is naar zeggen van verweerders gemachtigde de meest kansrijke beperking gekozen en is verzoekers aanvraag getoetst aan de beperking "gezinsvorming met Chinese partner B".

De rechter is allereerst van oordeel dat gezien bovenstaande bepalingen verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het onder de Vw 2000 niet mogelijk is om een verblijfsvergunning zonder beperkingen te verlenen.

Op grond van het vorenstaande is de rechter voorts van oordeel dat niet gezegd kan worden dat verweerder verzoekers aanvraag in materiële zin niet getoetst heeft aan de door hem naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waaronder begrepen de door verzoeker als klemmende redenen van humanitaire aard gekwalificeerde feiten en omstandigheden. Evenmin kan, mede gelet op het ontbreken van een daartoe strekkende grond in het bezwaarschrift van verzoeker en op basis van het verhandelde ter zitting, gezegd worden dat de overige door verzoeker aangehaalde beperkingen in het onderhavige geval geen enkele rol hebben gespeeld. Verweerder heeft evenwel, zoals door de gemachtigde ter zitting ook is toegegeven, verzuimd dit (expliciet) in het bestreden besluit op te nemen. Dit maakt dat aan het besluit een formeel motiveringsgebrek kleeft, nu een kenbare motivering ten aanzien van de in heroverweging gehandhaafde weigering tot vergunningverlening onder de beperking zoals genoemd in artikel 3.4, lid 1 onder "w" van de Vb 2000, alsmede de niet verlening op grond van het derde lid van voormeld artikel, ontbreekt. Nu echter de door verweerders gemachtigde ter zitting geschetste gang van zaken zijdens verzoeker niet is bestreden en ook anderszins gesteld noch gebleken is dat verzoeker daardoor in zijn belangen is geschaad, ziet de rechter aanleiding om met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit formele gebrek geen consequenties te verbinden. Vervolgens overweegt de rechter ten aanzien van de door de gemachtigde ter zitting verwoorde materiële motivering als volgt.

De beperking als bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, onder w, van het Vb 2000 is blijkens deel C2/8 van de Vc 2000 uitsluitend bedoeld voor staatloze vreemdelingen, hetgeen in het geval van verzoeker gesteld noch gebleken is.

Het op grond van het derde lid, van artikel 3.4 van het Vb 2000 verlenen van een vergunning onder een andere beperking dan vermeld in het eerste lid, is eerst aan de orde indien een beperking als genoemd in het eerste lid niet wordt gevonden. Dat het in het onderhavige geval zou gaan om een bijzonder onvoorzienbaar geval is niet gebleken, aldus verweerders gemachtigde ter zitting. De situatie van verzoeker verschilt immers niet van die van vele andere (nog) hier te lande verblijvende Chinezen, of van elders afkomstige vreemdelingen aan wie (na een langdurende procedure) een vergunning op asielgerelateerde gronden is geweigerd. Blijkens TBV 2001/32 van 10 oktober 2001, dat terugwerkt tot en met 1 april 2001 zal van de bij artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 gegeven bevoegdheid terughoudend gebruik worden gemaakt. Voornoemd TBV vermeldt verder dat de in het derde lid van artikel 3.4 van het Vb 2000 vervatte bevoegdheid niet ziet op situaties, waarin de vreemdeling in Nederland wil verblijven op een grond die wel in het Vb is opgenomen, maar aan een of meer van de voorwaarden niet wordt voldaan. In een dergelijke situatie wordt de verblijfsvergunning als regel niet verleend, aldus voornoemd TBV.

De rechter overweegt dat het derde lid van artikel 3.4 Vb een bevoegdheid behelst, zodat verweerder bij de uitoefening daarvan een zekere (beleids)vrijheid toekomt. De rechter is van oordeel dat verweerder met voormeld beleid niet buiten een redelijke bevoegdheidsuitoefening is getreden. Voorts is de rechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in het onderhavige geval geen sprake is van een bijzonder onvoorzienbaar geval in vorenbedoelde zin.

Gelet op vorenstaande overwegingen is de rechter van oordeel dat verweerder in heroverweging op goede gronden de weigering strekkende tot vergunningverlening onder de beperking 'de vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken' alsmede vergunningverlening op grond van het derde lid van artikel 3.4, van het Vb 2000 heeft gehandhaafd.

Voor zover het beroep zich richt tegen het onderdeel van het bestreden besluit waarbij in heroverweging het standpunt is gehandhaafd dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier in het kader van gezinshereniging of gezinsvorming overweegt de rechter als volgt.

Ingevolge artikel 3.14 van het Vb 2000 en B2/4.4 van de Vc 2000 wordt de verblijfsvergunning niet verleend indien de vreemdeling of de hoofdpersoon met een ander een in Nederland geregistreerd partnerschap is aangegaan of gehuwd is, tenzij het huwelijk of het geregistreerd partnerschap door wettelijke beletselen, waarop geen invloed kan worden uitgeoefend, niet is ontbonden.

Ingevolge B2/4.5 van de Vc 2000 wordt de (ongehuwde) burgerlijke staat aangetoond met officiële gelegaliseerde bescheiden, tenzij een van de uitzonderingen genoemd in B2/12 van toepassing is. Dat is ook het geval indien de vreemdeling zich erop beroept dat aan alle voorwaarden van artikel 3.13 t/m 3.22 Vb 2000 wordt voldaan. De verblijfsvergunning wordt niet op grond van een relatie verleend indien de (ongehuwde) burgerlijke staat niet is aangetoond.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

Ingevolge artikel 3.72 van het Vb 2000 wordt de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, niet op grond van artikel 16, eerste lid onder b, van de Vw 2000 afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Het op dit punt door verweerder gevoerde beleid is neergelegd in B1/2.2 van de Vc 2000, waarin onder meer als volgt is bepaald.

"De vreemdeling die zich erop beroept dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, toont dat, voor zover redelijkerwijs mogelijk, aan."

(..)

Het feit dat de vreemdeling vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding, wordt aangetoond aan de hand van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten van dat land, waarin gemotiveerd wordt aangegeven waarom de vreemdeling niet in het bezit wordt gesteld van een geldig document voor grensoverschrijding. Indien een dergelijke verklaring niet door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in Nederland wordt afgegeven en de vreemdeling ook overigens geen genoegzaam bewijs kan leveren, dient de vreemdeling in beginsel naar zijn land van herkomst terug te reizen om daar de afgifte van een geldig document voor grensoverschrijding te bewerkstelligen."

Verweerder heeft het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard aangezien verzoeker zijn ongehuwde staat niet heeft aangetoond en niet heeft voldaan aan het paspoortvereiste dan wel niet heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van zijn land niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig nationaal paspoort.

Onbestreden staat vast dat verzoeker zowel ten tijde van het primaire besluit als ten tijde van het besluit in heroverweging niet in het bezit was van een geldig document voor grensoverschrijding. Verzoeker heeft derhalve een zodanig document ook niet aan verweerder overgelegd bij zijn aanvraag.

Dit maakt, gelet op de hiervoor weergegeven wettelijke bepalingen en het door verweerder terzake gevoerde en als redelijk aan te merken beleid, dat verzoeker dient aan te tonen dat hij niet meer in het bezit gesteld kan worden van een zodanig geldig document en wel - voor zover redelijkerwijs mogelijk - aan de hand van een schriftelijke verklaring van de autoriteiten dan wel op andere genoegzame wijze.

Verzoeker heeft zich evenwel uitsluitend beperkt tot het innemen van de stelling dat het hem onmogelijk is om in het bezit te komen van het door verweerder vereiste document. Noch in bezwaar, noch in beroep heeft verzoeker zijn stelling dat de Chinese autoriteiten niet reageren op zijn verzoeken, zijn brieven, zijn bezoeken en de brieven van zijn gemachtigde met enig schriftelijk stuk onderbouwd. Verzoekers stelling dat verweerder hem niet in de gelegenheid heeft gesteld om aanvullende informatie te overleggen, wordt niet gevolgd. Niet valt in te zien waarom verzoeker de hem ter beschikking staande stukken aangaande zijn gestelde pogingen om in het bezit te komen van de benodigde documenten door toedoen van verweerder niet zou hebben kunnen overleggen. Bovendien berust ingevolge het bepaalde in artikel 3.102, lid 3, van het Vb 2000 de "bewijslast" om aan te tonen dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld bij de betrokken vreemdeling. Bij het ontbreken van de beweerdelijk bij verzoeker voorhanden zijnde correspondentie met de Chinese ambassade is evenmin gebleken dat verzoeker niet langer gehouden zou kunnen worden aan zijn verklaring afgelegd in het terugkeergesprek van 6 oktober 1998. Tijdens dit gesprek heeft verzoeker desgevraagd verklaard dat hij gedurende zijn verblijf in Nederland nooit iets heeft ondernomen om de Nederlandse autoriteiten aan te geven wie hij is en waar hij vandaan komt.

Gelet op het vorenstaande is de rechter van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van zijn land niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig nationaal paspoort.

Voor wat betreft de vereiste ongehuwdverklaring heeft verzoeker betoogd dat verweerder ten aanzien zijn burgerlijke staat altijd en immer heeft aangenomen dat hij ongehuwd is. In dit verband heeft verzoeker gewezen op de eerder door hem doorlopen asielprocedure, waarin zulks ook altijd onomstotelijk en onbetwist zou zijn gehandhaafd. Ook dit betoog gaat naar het oordeel van de rechter niet op, reeds omdat het aantonen van de ongehuwde staat in de asielprocedure geen zelfstandig vereiste is, hetgeen in de onderhavige procedure wel het geval is.

Waar ter zitting nog is aangevoerd dat verzoeker inmiddels met zijn partner in ondertrouw is, kan dit gelet op de ex-tunc beoordeling in reguliere vreemdelingenzaken, niet bij de beoordeling worden betrokken.

Ten aanzien van verzoekers stelling dat het, nu de Chinese autoriteiten kennelijk niet wensen mee te werken aan het verkrijgen van de vereiste bescheiden, van onredelijke hardheid getuigt om vast te houden aan bovenstaande formele vereisten overweegt de rechter dat op geen enkele wijze is vast komen te staan dat verzoeker al het mogelijke gedaan heeft om aan de benodigde papieren te komen. Evenmin is gebleken van concrete aanwijzingen dat de Chinese autoriteiten niet zouden willen meewerken dan wel (bewust) de procedure ter verkrijging van de benodigde documenten zouden frustreren. Op basis van de eerder door verzoeker doorlopen asielprocedures kan voorts niet worden aangenomen dat verzoeker vanwege asielgerelateerde gronden niet zou kunnen terugkeren naar China om alsnog is het bezit te komen van de vereiste bescheiden.

Ter zitting heeft verzoeker nog verwezen naar informatie betreffende het opschonen van de bevolkingsregistratie uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van maart 2003. Uit het terzake vermelde begrijpt de rechter dat de gemachtigde doelt op de in paragraaf 3.3.5 van dit ambtsbericht opgenomen informatie omtrent de hukou-registratie. De rechter is evenwel van oordeel dat ook voornoemd ambtsbericht gelet op de ex-tunc beoordeling van het thans betreden besluit buiten beschouwing dient te blijven. Gezien het voorgaande heeft verweerder derhalve in redelijkheid geen grond hoeven vinden om gebruik te maken van de hem bij artikel 4:84, van de Awb gegeven inherente afwijkingsbevoegdheid.

Ook van schending van artikel 8 EVRM acht de rechter in het geval van verzoeker geen sprake. In dit artikel is - voor zover hier van belang - bepaald dat een ieder recht heeft op respect voor zijn familie- en gezinsleven ("family life"). Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde, het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Volgens vaste jurisprudentie is geen sprake van inmenging in de uitoefening van het recht op familie- en gezinsleven indien de bestreden beschikking er niet toe strekt de vreemdeling een verblijfstitel op grond van artikel 9 of 10 Vw te ontnemen die hem tot uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande in staat stelde. Aangezien het in dit geval gaat om een aanvraag om eerste toelating, is geen sprake van inmenging als hierboven bedoeld. Indien geen sprake is van inmenging, dan rijst de vraag of zich zodanige feiten en omstandigheden voordoen dat uit het recht op respect voor het familie- en gezinsleven niettemin voor verweerder de positieve verplichting voortvloeit aan de vreemdeling verblijf hier te lande toe te staan. Teneinde die vraag te beantwoorden, dient een op de individuele zaak toegespitste belangenafweging te worden gemaakt, waarbij de Nederlandse Staat een "certain margin of appreciation" toekomt. Daarbij moet in elk geval worden vastgesteld of sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen.

In het onderhavige geval is niet gebleken van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. De rechter overweegt daartoe dat verzoeker zijn stelling dat het hem uitsluitend in Nederland mogelijk is om zijn recht op gezinsleven uit te oefenen met zijn partner en kinderen onvoldoende heeft onderbouwd. Ook in dit verband acht de rechter van belang dat het verloop van de twee door verzoeker doorlopen asielprocedures er niet op duidt dat terugkeer naar China voor verzoeker niet tot de mogelijkheden behoort. De omstandigheid dat ook de partner van verzoeker China verlaten heeft en in Nederland verblijf heeft verkregen, is eveneens op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat er in het onderhavige geval sprake is van beletselen om het gezinsleven in China uit te oefenen. De ter zitting aangevoerde stelling dat de partner van verzoeker inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft verworven en dat de Chinese overheid bepaalde voorwaarden aan haar toelating zal stellen, waaronder het hebben van betaald werk, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op geen enkele wijze is immers onderbouwd dat het de partner van verzoeker niet mogelijk zou zijn om aan deze toelatingseisen te voldoen.

De rechter overweegt voorts nog dat verzoeker, op het moment dat hij en zijn partner hier te lande de relatie zijn aangegaan - uit welke relatie hun kinderen zijn geboren - (en ook nadien) in een hoogst onzekere verblijfsrechtelijke positie verkeerde. Tot slot kan - te meer nu zoals in het voorgaande reeds is overwogen, op geen enkele wijze is komen vast te staan dat verzoeker al het mogelijke heeft gedaan om aan de benodigde papieren te komen - niet worden uitgesloten dat binnen afzienbare tijd alsnog aan alle toelatingsvoorwaarden voldaan kan gaan worden. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ter zitting is gesteld dat verzoeker en zijn partner voornemens zijn om op 22 juli 2003 in het huwelijk te treden, waarmee de noodzaak van het overleggen van de tot dusverre vereiste ongehuwdverklaring zou komen te vervallen en dat verzoeker sinds enige tijd beschikt over betaald werk.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat artikel 8 EVRM ertoe noopt dat verweerder aan de belangen van verzoeker en zijn partner tot uitoefening van hun gezinsleven hier te lande een groter gewicht had dienen toe te kennen dan aan het belang van de Staat bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.

Het vorenstaande leidt de rechter tot het oordeel dat het bestreden besluit van 21 maart 2002 in rechte stand houdt.

In de stelling van verzoeker dat hij niet in de gelegenheid is gesteld om op zijn bezwaar gehoord te worden, ziet de rechter geen aanleiding om daar anders over te oordelen. Uitgangspunt is de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb vervatte regel dat er voor het bestuur een hoorplicht is in de bezwaarprocedure. Artikel 7:3 van de Awb somt de uitzonderingen op deze algemene regel op. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb kan onder meer van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Blijkens de Memorie van Toelichting op het ontwerp van de Awb is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer reeds aanstonds uit het bezwaarschrift blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel over die conclusie is. De Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken(REK) heeft in haar uitspraak van 11 juli 1996 (AWB 96/1770) aangegeven dat er sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar, wanneer uit het bezwaarschrift zelf, in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beslissing, reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over de conclusie. Gelet op het hierboven overwogene omtrent hetgeen door verzoeker is aangevoerd alsmede omtrent de besluitvorming van verweerder, kan naar het oordeel van de rechter er van worden uitgegaan dat deze situatie zich hier voordeed. De stelling van verzoeker dat hij gehoord had moeten worden, wordt niet voor juist gehouden.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep ongegrond is. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is aan het verzoek om voorlopige voorziening het spoedeisend belang komen te ontvallen, zodat deze reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechter niet gebleken.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter:

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. L.M.J.A. Dassen in tegenwoordigheid van mr. E.M.J. Clermonts als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2003.

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen, voor zover het betreft de uitspraak op het beroep, binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te 's-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.

Tegen de uitspraak op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.