Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AK0004

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-06-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/4936, 03/4935
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Opvang / beëindiging verstrekkingen.

Eiser is afkomstig uit Angola en valt onder de werking van de Herziene Werkwijze Stappenplan III. Verweerder heeft besloten de Rva-verstrekkingen met onmiddellijke ingang te beëindigen op grond van de overweging dat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan zijn terugkeer naar Angola, nu eiser gebruik maakt van het Zelfzorgarrangement. Bij brief van 2 juni 1999 heeft de staatssecretaris van Jusititie eiser uitstel van vertrek verleend. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het uitstel van vertrek het rechtmatig verwijderbaar zijn in bepaalde omstandigheden opschort, doch dat het rechtmatig verwijderbaar zijn continueert na een negatieve beslissing in beroep. Eiser voert aan dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel III van de Wijziging Rva 1997, voor beëindiging opvang is voldaan. Niet is gebleken dat de korpschef de dag heeft medegedeeld waarop eiser Nederland dient te verlaten. Gelet op de brief van de staatssecretaris van Justitie van 2 juni 1999 waarin aan eiser uitstel van vertrek is verleend en waarin eiser is medegedeeld dat indien tot effectuering van verwijdering zal worden overgegaan eiser daarvan vooraf bericht ontvangt, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gesteld dat de aanzeggingen van de korpschef die zich in het dossier bevinden nog opgeld doen. In ieder geval had enige mededeling aan eiser na de beëindiging van het uitstel-van-vertrekbeleid verwacht mogen worden. Nu de mededeling van de korpschef dat eiser Nederland moet verlaten een van de voorwaarden is voor inwerkingtreding van het Stappenplan, kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. Beroep gegrond, afwijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nrs.: AWB 03/4936 COA (beroepszaak)

AWB 03/4935 COA (voorlopige voorziening)

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter, inzake het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van:

A, geboren op [...] 1960, van Angolese nationaliteit, eiser/verzoeker,

gemachtigde: mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg,

tegen een besluit van

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), verweerder,

gemachtigde: mr. R.F.C. Kleine Deters, werkzaam bij de Afdeling Juridische Zaken van het COA te Rijswijk.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 7 januari 2003 heeft verweerder de verstrekkingen als bedoeld in de Regeling Verstrekkingen Asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (hierna: Rva 1997) ten behoeve van eiser/verzoeker (hierna te noemen: eiser) met onmiddellijke ingang beëindigd. Eiser heeft tegen de beslissing van 7 januari 2003 beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft meegedeeld dat het indienen van een beroepschrift geen schorsende werking heeft. Eiser heeft de rechtbank verzocht bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om de verstrekkingen te beëindigen, totdat op het beroep is beslist.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek om voorlopige voorziening.

De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 13 mei 2003. Ter zitting hebben eiser en verweerder bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

Ten aanzien van het beroep

In de hoofdzaak dient te worden beoordeeld of de beslissing om de verstrekkingen met onmiddellijke ingang te beëindigen in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Op grond van artikel 3, eerste lid, Wet Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (hierna: Wet COA) is het COA belast met de opvang van asielzoekers. Ingevolge artikel 12 Wet COA kan de Minister regels stellen met betrekking tot verstrekkingen aan asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen als bedoeld in artikel 3, tweede lid, Wet COA. De Minister van Justitie heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt door de vaststelling, bij ministerieel besluit van 18 december 1997 (Staatscourant (hierna: Stcrt.) 246), van de Rva 1997. Nadien is de Rva meermalen gewijzigd, laatstelijk bij ministerieel besluit van 16 november 2002 (Stcrt. 223).

De Rva 1997 voorziet in de opvang van asielzoekers die niet beschikken over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De opvang omvat de in artikel 5, eerste lid, Rva 1997 genoemde verstrekkingen, waaronder zijn begrepen onderdak, een wekelijkse financiële toelage, een eenmalige bijdrage aan kleedgeld, recreatieve en educatieve activiteiten, de dekking van de kosten van medische verstrekkingen overeenkomstig een daartoe te treffen ziektekostenregeling, een verzekering tegen de financiële gevolgen van wettelijke aansprakelijkheid en betaling van buitengewone kosten.

In artikel 8 Rva 1997 is onder meer geregeld in welke gevallen de verstrekkingen eindigen.

Bij ministerieel besluit van 10 mei 2001 (Stcrt. 92, in werking getreden op 16 mei 2001) is -voor zover hier van belang- het eerste lid van voormeld artikel 8 Rva 1997 als volgt gewijzigd.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en sub b, van de Rva 1997 eindigen de in artikel 5 bedoelde verstrekkingen van een vreemdeling die rechtmatig verwijderbaar is vanwege het niet inwilligen van de asielaanvraag: op de dag na de dag waarop de vreemdeling rechtmatig verwijderbaar is geworden.

Daarnaast is in Artikel III van de Wijziging Rva 1997 het volgende bepaald:

„Indien er ten aanzien van de asielzoeker:

a. vóór 10 februari 2000 op diens asielaanvraag in eerste aanleg of in bezwaar in negatieve zin is beslist,

b. een last tot uitzetting is gegeven en

c. door de korpschef van de politieregio waar de vreemdeling zijn woon- of verblijfplaats heeft is meegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, eindigen de verstrekkingen na inwerkingtreding van deze regeling, in afwijking van artikel 8, op de dag waarop de asielzoeker Nederland ingevolge de mededeling van de korpschef dient te verlaten.“

Ter uitvoering van het besluit in de Ministerraad van 12 november 1993, inhoudende dat de ROA/Rva-verstrekkingen van documentloze uitgeprocedeerde asielzoekers, van wie is vastgesteld dat zij Nederland dienen te verlaten en die weigeren mee te werken aan de verkrijging van vervangende reis- en identiteitsdocumenten, zullen worden beëindigd, heeft de Staatssecretaris van Justitie de circulaire d.d. 24 oktober 1994 opgesteld, welke is aangepast op 3 juli 1997 en is gewijzigd op 8 januari 1999. Ingevolge dit zogenoemde Stappenplan III dienen verschillende stappen te worden gevolgd gedurende de procedure tot het verkrijgen van een reisdocument. Het Stappenplan III is vervangen door de „Herziene werkwijze Stappenplan III (1999)“. De „Herziene werkwijze Stappenplan III (1999)“ is op 8 juli 2002 gepubliceerd in de Staatscourant, waardoor deze in werking is getreden op 10 juli 2002 en wordt sinds dat moment gehanteerd ter vervanging van het Stappenplan III.

Bij de beoordeling van het onderhavige geschil wordt uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, van Angolese nationaliteit, heeft op 8 februari 1995 verzocht om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Bij beslissing van 24 oktober 1996 heeft de Staatssecretaris van Justitie het bezwaar tegen het besluit van 8 februari 1995 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen het besluit van 24 oktober 1996 beroep ingediend bij deze rechtbank. Bij uitspraak van 7 juli 1997 (96/12099) heeft deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, het beroep ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 juni 1999 is aan eiser uitstel van vertrek verleend. De Staatssecretaris van Justitie heeft op 27 juli 1999 de korpschef een last tot uitzetting gegeven.

Verweerder heeft vastgesteld dat blijkens de door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) verstrekte gegevens eiser niet is verschenen op het terugkeergesprek van 31 oktober 2002. Eiser op 18 december 2002 in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze over het voornemen de Rva-verstrekkingen te beëindigen naar voren te brengen. Eiser heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Van medewerking in de zin van het Stappenplan is eerst dan sprake indien eiser alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verlangd kan worden. Verweerder stelt vast dat eiser niet voldoende heeft meegewerkt. Verweerder heeft na marginale toetsing geconstateerd dat de vaststelling van de IND omtrent het niet (voldoende) meewerken van eiser op goede gronden is genomen. Nu verweerder voorts niet is gebleken dat er sprake is van omstandigheden op grond waarvan voortzetting van de verstrekkingen geboden is, worden de verstrekkingen, nu eiser gebruik maakt van het ZelfZorgArrangement, met onmiddellijke ingang stopgezet.

Eiser voert aan dat uit de bestreden niet blijkt dat aan de voorwaarden, zoals genoemd in artikel III van de Wijziging Rva 1997, voor beëindiging van de opvang is voldaan. Niet is gebleken dat de korpschef van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, binnen welke regio eiser woonachtig is, aan eiser de dag heeft medegedeeld waarop eiser Nederland dient te verlaten. Eiser betwist dat hem door de korpschef van de regiopolitie Brabant-Noord is medegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, in tegenstelling tot hetgeen staat vermeld in de bestreden beslissing. Indien de korpschef van regiopolitie Brabant-Noord op een vóór 14 april 1999 (datum waarop eiser naar B is verhuisd) gelegen datum aan eiser zou hebben medegedeeld dat hij Nederland moet verlaten, dan is die mededeling vanaf 20 augustus 1998 niet meer geldig omdat met ingang van dat tijdstip de Staatssecretaris van Justitie aan alle Angolezen uitstel van vertrek heeft verleend. Bij brief van 2 juni 1999 heeft de SvJ aan de gemachtigde van eiser medegedeeld dat aan eiser uitstel van vertrek is verleend. Op 31 december 2002 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor het uitoefenen van familieleven met zijn hier te lande geboren kinderen ingediend. Aangezien een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft zolang niet op zijn aanvraag is beslist kan de korpschef niet meer aan eiser meedelen dat hij Nederland verlaten moet. Verwijdering van eiser uit Nederland levert schending op van artikel 8 EVRM. De mededeling van de korpschef dat een asielzoeker Nederland op een bepaalde dag moet verlaten kan uitsluitend betrekking hebben op een na 1 april 2001 gelegen tijdstip, nu het voornoemde artikel III eerst op 1 april 2001 van kracht is geworden.

In het verweerschrift voert verweerder nog aan dat blijkens de voorbladen bij de negatieve beschikkingen in zijn (asiel)-procedure uitdrukkelijk is vermeld dat eiser Nederland moet verlaten. Zo is eiser op 18 september 1995, 6 november 1996 en 19 november 1997 bij de uitreiking van zijn negatieve beslissingen door de korpschef van regiopolitie Brabant-Noord aangezegd om Nederland „binnen vier weken“ respectievelijk „onmiddellijk“ te verlaten. Voorts is eiser bij de uitreiking van de M-90 (de vordering om te verschijnen op het terugkeergesprek) nogmaals kenbaar gemaakt dat hij Nederland diende te verlaten. Bovendien is ook de korpschef van de politieregio Rotterdam-Rijnmond aangeschreven door de IND en is deze een last tot uitzetting van eiser verstrekt. Het uitstel van vertrek schort het rechtmatig verwijderbaar zijn vervolgens in bepaalde omstandigheden op, doch het rechtmatig verwijderbaar zijn continueert opnieuw na een negatieve beslissing in beroep. De aanzeggingen om Nederland te verlaten verliezen mitsdien niet hun rechtskracht ingeval er een negatieve beslissing volgt in de procedure van eiser.

De rechtbank overweegt als volgt.

Gelet op de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 2 juni 1999 waarin aan eiser uitstel van vertrek is verleend en waarin eiser is medegedeeld dat indien tot effectuering van verwijdering zal worden overgegaan, eiser daarvan vooraf bericht ontvangt, kan niet gesteld worden dat de aanzeggingen van de korpschef van 18 september 1995, 6 november 1996 en 19 november 1997 nog opgeld doen. In ieder geval had, gelet op de inhoud van de brief van 2 juni 1999 van de Staatssecretaris van Justitie, enige mededeling aan eiser na de beëindiging van het uitstel van vertrek beleid verwacht mogen worden. Daarvan is de rechtbank echter niet gebleken. Nu de mededeling van de korpschef dat eiser Nederland moet verlaten één van de voorwaarden is voor inwerkingtreding van het Stappenplan, kan de bestreden beslissing niet in stand blijven. In het dossier is weliswaar een last tot uitzetting aangetroffen van 27 juli 1999, maar deze last kan niet als aanzegging dienen, nu deze last tot uitzetting is verstrekt in het kader van afwijzing van een aanvraag om klemmende redenen van humanitaire aard. Deze last tot uitzetting, verleend aan de korpschef van regiopolitie Rotterdam-Rijnmond, klemt te meer, nu ten tijde van de brief van 27 juli 1999 uitstel van vertrek gold.

Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van de Awb. Derhalve is tevens het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand gekomen hetgeen in strijd is met het bepaalde in artikel 3:2 van de Awb.

Het beroep is mitsdien gegrond.

De bestreden beslissing kan niet in stand blijven. Verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beschikking te nemen met in achtneming van deze uitspraak.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--).

3. BESLISSING

De rechtbank:

ten aanzien van de hoofdzaak:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die als rechtspersoon deze kosten aan eiser dient te vergoeden;

De voorzieningenrechter:

ten aanzien van de gevraagde voorlopige voorziening:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Gorter, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons als griffier.

afschrift verzonden op: 24 juni 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen de uitspraak op het beroep kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen op de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Artikel 85 Vw bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Tegen deze uitspraak staat, voorzover die betreft het verzoek om een voorlopige voorziening, ingevolge artikel 37, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wet op de Raad van State geen hoger beroep open.