Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9998

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-04-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 03/19737
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Opvang / herhaalde aanvraag / vertrekmoratorium.

Op grond van hoofdstuk C5/20.4 Vc 2000 kan aan indieners van een tweede of volgende aanvraag van een verblijfsvergunning asiel in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden opvang worden geboden. In hoofdstuk C5/20.4.3 Vc 2000 is vermeld dat van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden in ieder geval sprake is bij gezinnen met één of meer kinderen beneden de leeftijd van een jaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien dat deze beleidsregel, hoewel niet specifiek geformuleerd voor de situatie dat een herhaalde aanvraag in verband met een vertrekmoratorium is gedaan, in de onderhavige situatie niet evenzeer – middels de toepassing van de in hoofdstuk C1/5.13.2 Vc 2000 neergelegde afwijkingsbevoegheid via artikel 4:84 Awb – zou gelden. De feitelijke situatie van de betrokken asielzoeker verschilt immers niet al naar gelang een herhaalde aanvraag is gedaan naar aanleiding van een vertrekmoratorium of niet. Nu voorts in het onderhavige geval sinds de pleegdatum van het delict ter zake waarvan verzoeker een taakstraf heeft aanvaard bijna drie jaar verstreken zijn zonder dat is gebleken van andere strafbare feiten, kan worden aangenomen dat er geen reëel gevaar voor recidive bestaat. Daarbij komt de door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat zijn vrouw en zijn dochter van zes maanden tot de opvang zijn toegelaten. Dit dient voor verweerder aanleiding te zijn om met toepassing van zijn in hoofdstuk C1/5.13.2 Vc 2000 neergelegde afwijkingsbevoegdheid verzoeker onder het vertrekmoratorium te laten vallen, zodat hij alsdan recht heeft op opvang. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer

UITSPRAAK

ingevolge artikel 8:84 Algemene wet bestuursrecht

Reg.nr : AWB 03/19737 VRWET

Inzake : A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde,

mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde mr.S.A. Ganpat, ambtenaar ten departemente.

I. PROCESVERLOOP

1. Verzoeker, geboren op [...] 1969, bezit de Iraakse nationaliteit en is afkomstig uit Noord-Irak. Hij verblijft sedert 1 december 1997 als vreemdeling in Nederland. Op 28 maart 2003 heeft hij een herhaalde aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 30 maart 2003 heeft verweerder beslist dat verzoeker niet behoort tot de categorie asielzoekers waarvoor het vertrekmoratorium is ingesteld en dat hij niet in aanmerking komt voor opvang. Verzoeker heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

2. Op 31 maart 2003 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting achterwege te laten tot op het bezwaar is beslist, alsmede hem opvang te verlenen.

3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 17 april 2003. Verzoeker is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig Y. Abu Sara tolk Arabisch.

II. OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op 7 februari 2003 heeft verweerder aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal medegedeeld dat er een vertrekmoratorium als bedoeld in artikel 45, vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) is ingesteld voor asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak, geldig voor de duur van een maand. Bij besluit van 21 maart 2003, nr. 5214462/03/DVB (gepubliceerd in Staatscourant 24 maart 2003), heeft verweerder gezien het feit dat naar verwachting voor een korte periode onzekerheid zal bestaan over de situatie in Noord-Irak en op grond daarvan redelijkerwijs niet kan worden beslist of een aanvraag van een verblijfsvergunning asiel op een van de gronden genoemd in artikel 29 Vw 2000 kan worden toegewezen, een besluitmoratorium ingesteld voor de periode tot 1 juli 2003. Voorts is in dit besluit het vertrekmoratorium verlengd tot 1 juli 2003.

Artikel 4 van het besluit van 21 maart 2003 luidt als volgt:

"In afwijking van artikel 4, tweede lid, van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 1997 (RVA 1997), geeft de indiening van een tweede of volgende asielaanvraag door asielzoekers afkomstig uit Noord-Irak recht op opvang".

Artikel 5 van het besluit luidt als volgt:

"Artikel 2, 3, en 4 van dit besluit zijn niet van toepassing op vreemdelingen afkomstig uit Noord-Irak op wie de volgende bepalingen van toepassing zijn: artikel 30, dan wel artikel 31, tweede lid, onder h, i, en k van de Vreemdelingenwet 2000 en het beleid hieromtrent zoals neergelegd in C1/6.4 Vreemdelingencirculaire 2000".

Het beleid aangegeven in C1/6.4 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) luidt als volgt:

"De regelingen van artikel 43 en artikel 45, vierde lid, Vreemdelingenwet worden niet toegepast op vreemdelingen op wie de volgende bepalingen van toepassing zijn:

(...)

- Artikel 31, tweede lid, onder k, Vreemdelingenwet (openbare-ordeaspecten, zie C1/5.13.3), met name indien er sprake is van misdrijven als genoemd in artikel 1F Vluchtelingenverdrag; dit geldt voor de regeling van artikel 43 Vreemdelingenwet. In geval van artikel 45, vierde lid, Vreemdelingenwet geldt het bepaalde in C1/5.13.2 en B1/2.2.4, alsmede artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit".

3. Verweerder heeft in de bestreden beschikking van 30 maart 2003 overwogen dat in het kader van verzoekers verzoek om opvang is onderzocht of hij behoort tot de categorie waarvoor het vertrekmoratorium is ingesteld. Daarbij heeft verweerder geconstateerd dat er in verzoekers geval sprake is van een contra-indicatie als bedoeld in artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit. Derhalve behoort verzoeker, aldus verweerder, niet tot de categorie waarvoor het vertrekmoratorium is ingesteld en komt hij niet in aanmerking voor opvang. Tevens zijn er naar het oordeel van verweerder geen andere gronden bekend of door verzoeker naar voren gebracht die aanleiding vormen tot het verlenen van opvang.

4. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 februari 2003 (nr. 200206154/1), stelt de voorzieningenrechter vast dat de bestreden beschikking strekt tot toepassing van een besluit van algemene strekking - het vertrekmoratorium - in een individueel geval, welke beslissing een besluit als bedoeld in artikel 1:3 Awb is, waartegen ingevolge artikel 8:1 van die wet in beginsel beroep open staat. Op een dergelijk besluit is het in Afdeling 3 van Hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde procesrecht niet van toepassing. Deze afdeling is ingevolge artikel 79, eerste lid, van die wet immers slechts van toepassing indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit omtrent een verblijfsvergunning asiel. In zoverre is het bepaalde bij artikel 80 van de Vw 2000 dan ook niet van toepassing op dit besluit en kan daartegen ingevolge artikel 72, eerste lid, van die wet, gelezen in samenhang met artikel 7:1 van de Awb, bezwaar worden gemaakt. Dit is in casu ook gebeurd.

5. Niet in geschil is dat verzoeker op 8 november 2001 een transactie heeft aanvaard voor het plegen van een strafbaar feit zoals omschreven in artikel 225, eerste lid, Wetboek van Strafrecht. Dit betrof een werkstraf van 48 uur in verband met het niet opgeven van inkomsten aan de sociale dienst.

6. In artikel 3.77 Vreemdelingenbesluit, dat ingevolge artikel 5 van het besluit van 21 maart 2003 in samenhang met het beleid zoals aangegeven in C1/6.4 Vc van toepassing is, is in het eerste lid, onder c, bepaald dat de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Wet, op grond van artikel 16, eerste lid, onder d, van de Wet kan worden afgewezen wegens gevaar voor de openbare orde indien de vreemdeling terzake van een misdrijf is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf of vrijheidsontnemende maatregel, tot een taakstraf of tot een onvoorwaardelijke geldboete, dan wel indien hij terzake van een misdrijf een transactieaanbod heeft aanvaard.

In de toelichting op artikel 5 van het besluit wordt verwezen naar het openbare orde beleid zoals neergelegd in C1/5.13 Vc 2000. Dit hoofdstuk bevat het beleid inzake het afwijzen van aanvragen van vergunningen tot verblijf asiel in geval de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Blijkens C1/5.13.2 is voor de beoordeling van de verblijfsaanspraken een individuele belangenafweging, gericht op het misdrijf en de beoordeling daarvan, niet nodig. Slechts indien de asielzoeker bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 4:84 Awb, stelt en aannemelijk maakt, is er reden of af te wijken van dit beleid. Deze bijzondere omstandigheden kunnen geen verband houden met het gepleegde misdrijf of de beoordeling ervan. Die afweging heeft reeds plaatsgevonden in het kader van de strafrechtelijke vervolging. Het enkele ontbreken van een gevaar voor recidive is onvoldoende om te spreken van bijzondere omstandigheden. Bij de beoordeling van de verblijfsaanspraken nadat een vreemdeling een delict heeft gepleegd gaat het niet om de beoordeling van het toekomstig onzekere feit dat betrokkene niet meer een (soortgelijk) delict zal plegen. Wel kan het ontbreken van een gevaar voor recidive in samenhang met andere bijzondere omstandigheden leiden tot het oordeel dat gebruik moet worden gemaakt van de inherente afwijkingsbevoegdheid.

7. De voorzieningenrechter stelt vast dat het beleid zoals aangegeven in C1/5.13.2 in samenhang met artikel 4:84 Awb een, zij het geringe, mogelijkheid bevat om een strafrechtelijke veroordeling dan wel aanvaarding van een transactieaanbod niet aan de betrokkene tegen te werpen. In het bestreden besluit is verweerder niet ingegaan op de door verzoeker in zijn zienswijze naar voren gebrachte argumenten dat de gevolgen voor verzoeker van het begane delict niet in verhouding staan tot de opgelegde werkstraf. In dit verband heeft verzoeker gewezen op het recht op gezinsleven, nu zijn echtgenote en zijn dochter, geboren op 22 oktober 2002, wél zijn toegelaten tot de opvang.

Op grond van het beleid, neergelegd in hoofdstuk C5/20.4 Vc 2000, kan aan indieners van een tweede of volgende aanvraag van een verblijfsvergunning asiel in zeer schrijnende humanitaire omstandigheden opvang worden geboden. In C5/20.4.3 is vermeld dat van zeer schrijnende humanitaire omstandigheden in ieder geval sprake is bij gezinnen met één of meer kinderen beneden de leeftijd van een jaar. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien dat deze beleidsregel, hoewel niet specifiek geformuleerd voor de situatie dat een herhaalde aanvraag in verband met een vertrekmoratorium is gedaan, in de onderhavige situatie niet evenzeer - middels de toepassing van de in C1/5.13.2 neergelegde afwijkingsbevoegheid via artikel 4:84 Awb - zou gelden. De feitelijke situatie van de betrokken asielzoeker verschilt immers niet al naar gelang een herhaalde aanvraag is gedaan naar aanleiding van een vertrekmoratorium of niet. Nu voorts in het onderhavige geval sinds de pleegdatum van het delict ter zake waarvan verzoeker een taakstraf heeft aanvaard - 1 juni 2000 - bijna drie jaar verstreken zijn zonder dat is gebleken van andere strafbare feiten, kan worden aangenomen dat er geen reëel gevaar voor recidive bestaat. Dit in combinatie met de door verzoeker aangevoerde omstandigheid dat zijn vrouw en zijn dochter van zes maanden tot de opvang zijn toegelaten, dient voor verweerder aanleiding te zijn om met toepassing van zijn in C1/5.13.2 Vc 2000 neergelegde afwijkingsbevoegdheid verzoeker onder het vertrekmoratorium te laten vallen, zodat hij alsdan - op grond van artikel 4 van het besluit van 21 maart 2003 - recht heeft op opvang.

8. Het verzoek komt derhalve voor toewijzing in aanmerking.

9. De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling aan de griffier te geschieden.

III. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. wijst het verzoek toe;

2. schorst het besluit van verweerder van 30 maart 2003;

3. bepaalt dat het bij besluit van verweerder van 21 maart 2003 verlengde vertrekmoratorium voor vreemdelingen uit Noord-Irak op verzoeker van toepassing is;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

Aldus gedaan door mr. E. Dijt en uitgesproken in het openbaar op 24 april 2003, in tegenwoordigheid van mr. A.M. Kelly, griffier.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

afschrift verzonden op: 25 april 2003