Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9979

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-07-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 02/44421, 02/44420
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2003:AN8448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Fictieve weigering / besluit in primo.

Verweerder heeft geen besluit in primo genomen, maar heeft direct inhoudelijk beslist op het bezwaar dat was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit. Naar het oordeel van de rechtbank diende verweerder ingevolge artikel 6:20, eerste lid, Awb, een reëel besluit op de aanvraag te nemen. De fictieve weigering kan voor wat betreft de inhoud niet gelijk worden gesteld met een reëel besluit. Artikel 6:2 Awb is primair een processueel middel. Ook artikel 6:20 Awb moet in deze context worden bezien. Gezien de door verweerder gehanteerde procedure is de rechtbank van oordeel dat de belangen van eiser slechts dan voldoende procedureel zijn gewaarborgd indien het voorliggende besluit wordt aangemerkt als een besluit in primo. Zo geeft het voorliggende besluit geen blijk van een integrale heroverweging. Artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder a, Awb biedt verweerder de bevoegdheid om in afwijking op de in het eerste lid van dit artikel neergelegde verplichting direct een reële beslissing op bezwaar te nemen gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Aangezien de bevoegdheid om in primo op de aanvraag te beslissen ook in dat geval in stand blijft, dient verweerder feitelijk een keuze te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik kon maken van de in artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder a, Awb gegeven bevoegdheid direct en alleen in bezwaar een reëel besluit te nemen. Ook de in artikel 6:20, tweede lid, onder b, Awb opgenomen uitzondering op het eerste lid is hier niet van toepassing nu uit het oordeel van de rechtbank voortvloeit dat de beslissing op bezwaar nog niet is geslagen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd tot kennisname van het beroep en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Proces-verbaal van de zitting van 9 juli 2003 inhoudende mondelinge

Uitspraak

artikel 8:67 jo artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nrs.: AWB 02/44421 OVERIO (beroep)

AWB 02/44420 OVERIO (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1966, van Angolese nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. A.M.J. van der Weide, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. B.F.Th. de Moor, advocaat te ’s-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 19 januari 2000 heeft eiser een (herhaalde) aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 15 januari 2001 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 13 februari 2001. Bij besluit van 15 mei 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 10 juni 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij verzoekschrift van gelijke datum heeft eiser de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening, ertoe strekkende dat het verweerder zal worden verboden eiser uit Nederland te verwijderen alvorens op eisers beroep zal zijn beslist. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 16 juli 2002. Op 21 augustus 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 25 juni 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juli 2003. Eiser is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Grootendorst als tolk in de Portugese taal. Met inachtneming van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de rechtbank onmiddellijk na sluiting van het onderzoek mondeling uitspraak gedaan. De beslissing luidt als onder III. vermeld.

II. OVERWEGINGEN

1. Aan deze uitspraak ligt de navolgende motivering ten grondslag. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar het bijgevoegde proces-verbaal van de zitting, welk proces-verbaal als ingelast dient te worden beschouwd.

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder geen besluit in primo heeft genomen, maar direct inhoudelijk heeft beslist op het bezwaar dat was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Daarnaast is gebleken dat deze beslissing op bezwaar met toepassing van artikel 4:6 van de Awb is afgedaan. Voorts is eiser niet voorafgaand aan het besluit door verweerder gehoord.

3. Eisers gemachtigde heeft ter zitting te kennen gegeven dat een terugverwijzing van de zaak naar verweerder geïndiceerd is, waarbij eiser tevens dient te worden gehoord. Zij acht de belangen van eiser als gevolg van de door verweerder gehanteerde werkwijze geschaad.

4. De rechtbank overweegt dat aan verweerder in bezwaar de vraag naar de (on)tijdigheid van beslissen op de aanvraag voorlag. Het thans voorliggende besluit geeft op deze vraag geen (expliciet) antwoord. Daarnaast diende verweerder, onder meer ingevolge artikel 6:20, eerste lid, van de Awb, een reëel besluit op de aanvraag te nemen. De fictieve weigering kan wat betreft de inhoud niet gelijk worden gesteld met een reëel besluit. Artikel 6:2 van de Awb is primair een processueel middel. Ook artikel 6:20 van de Awb moet in deze context worden bezien. Het voorliggende besluit is het eerste reële besluit op de aanvraag. De rechtbank dient thans de vraag te beantwoorden of verweerder dit besluit terecht heeft aangemerkt als een beslissing op bezwaar.

5. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval eisers belangen slechts dan voldoende (procedureel) zijn gewaarborgd indien het voorliggende besluit wordt aangemerkt als een besluit in primo. Hierbij is mede in aanmerking genomen dat in een asielprocedure, vanwege de zeer verstrekkende gevolgen die een dergelijke procedure kan hebben voor het leven van de vreemdeling, in het bijzonder belang moet worden gehecht aan een (ook procedureel) zorgvuldige afdoening. Verweerder heeft door de gevolgde werkwijze deze maatstaf niet in acht genomen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

6. Van een integrale heroverweging geeft het voorliggende besluit geen blijk. Dat verweerder hiervan heeft afgezien klemt in dit geval des te meer, daar eisers asielaanvraag door verweerder is aangemerkt als een herhaalde aanvraag en in het bestreden besluit, onder verwijzing naar een eerdere beslissing van 30 september 1993, slechts kort wordt ingegaan op de door eiser aangevoerde nieuwe feiten en omstandigheden.

7. Nu de rechtbank van oordeel is dat sprake is van een primair besluit, komt zij niet toe aan de beantwoording van de vraag of hier sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 7:3 van de Awb, op grond van waarvan van de hoorplicht kan worden afgezien. Bij voornoemd oordeel is echter meegewogen dat eiser vanwege het niet horen door verweerder ook op deze wijze niet in staat is gesteld zijn standpunt nader toe te lichten.

8. Artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb biedt verweerder de bevoegdheid om, in afwijking op de in het eerste lid van dit artikel neergelegde verplichting, direct een reële beslissing op bezwaar te nemen gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is. Aangezien de bevoegdheid om in primo op de aanvraag te beslissen ook in dat geval in stand blijft, dient verweerder feitelijk een keuze te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen hiervoor onder 5. en 6. is overwogen, in redelijkheid geen gebruik kon maken van de in artikel 6:20, tweede lid, aanhef en onder a, van de Awb gegeven bevoegdheid direct en alleen in bezwaar een reëel besluit te nemen. Deze bepaling kan dan ook niet met succes worden ingeroepen.

9. Ook de in artikel 6:20, tweede lid, onder b, van de Awb opgenomen uitzondering op het eerste lid is hier niet van toepassing nu uit het oordeel van de rechtbank voortvloeit dat de beslissing op bezwaar nog niet is geslagen.

10. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank zich onbevoegd verklaren tot kennisname van het tegen verweerders besluit van 15 mei 2002 ingestelde beroep en dient het verzoek om een voorlopige voorziening, gelet op de uitspraak in het beroep, niet-ontvankelijk te worden verklaard.

11. De rechtbank zal de zaak derhalve terugverwijzen naar verweerder, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een beslissing op bezwaar te nemen, waarbij tevens moet worden beoordeeld of eiser dient te worden gehoord. Gelet op artikel 118 Vw 2000 en artikel 6:20, vierde lid, van de Awb dient eisers beroepschrift te worden aangemerkt als aanvulling op eisers op 15 januari 2001 ingediende bezwaarschrift.

12. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken nu het de rechtbank zelf is geweest die haar bevoegdheid aan de orde heeft gesteld.

III. BESLISSING

De rechtbank

In de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/44421 OVERIO;

verklaart zich onbevoegd tot kennisname;

In de zaak geregistreerd onder nummer AWB 02/44420 OVERIO;

verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal.

mr. J. Gardenier, mr. J. Recourt,

griffier voorzitter

Afschrift verzonden op: 31 juli 2003

D: B

Ingevolgde artikel 120 van de Vw 2000 staat tegen deze uitspraak hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.