Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9971

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-07-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 50/5293, 01/66544
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / vvtv / doorprocederen.

Verweerder heeft het bezwaar tegen de intrekking van de eerder aan eiser verleende vvtv ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten de vvtv in te trekken en verwijst daartoe naar de Afdelingsuitspraak 200104464/1 van 8 november 2001. Het is de rechtbank niet gebleken dat ten aanzien van de humanitaire situatie in Noord-Irak na de beleidswijziging van 20 november 1998 een rechtens relevante wijziging heeft plaatsgevonden als gevolg waarvan Iraakse asielzoekers niet langer in aanmerking komen voor een vvtv. Uit de na het bestreden besluit opgekomen feiten en omstandigheden, te weten de opstelling van de Koerdische autoriteiten in Noord-Irak ten aanzien van teruggekeerde asielzoekers uit Centraal-Irak, kan niet worden afgeleid dat verweerder op of onmiddellijk na 3 maart 2000 in redelijkheid eiser een verblijfsvergunning niet kon onthouden. Eiser is met ingang van 25 november 2002 een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw 2000 verleend.

Voorzover het beroep is gericht tegen de weigering hem een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, b of c, Vw 2000 te verlenen, oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang heeft en verwijst daarbij naar de Afdelingsuitspraak 200105914/1 van 28 maart 2002. Eiser heeft wel procesbelang bij het beroep, voorzover dit is gericht tegen de ingangsdatum van de vergunning.

Het beroep faalt evenwel, omdat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet heeft hoeven besluiten reeds vóór 25 november 2002 een categoriaal beschermingsbeleid te voeren met betrekking tot asielzoekers uit Centraal-Irak. Blijkens de ambtsberichten van april, oktober en november 2002 is in april 2002 gebleken dat de KDP asielzoekers uit Centraal-Irak geen toegang verleent tot haar grondgebied en kort voor 25 november 2002 is gebleken dat ook de PUK dit doet. Uit de door eiser overgelegde informatie blijkt onvoldoende dat de PUK al vóór 25 november 2002 de Centraal-Irakezen niet zou toelaten. Gelet op de ambtsberichten van april en november 2002 is evenmin aannemelijk geworden dat de KDP al vóór november 2002 Centraal-Irakezen geen toestemming verleende om over haar grondgebied naar het grondgebied van de PUK te reizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK te 's-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

sector vreemdelingenrecht

regnr.: Awb 50/5293 en 01/66544

UITSPRAAK

inzake: A,

geboren op [...] 1968,

van Iraakse nationaliteit,

IND dossiernummer 9708.14.8048,

gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen, advocaat te Amsterdam,

eiser;

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE

als rechtsopvolger van de Staatssecretaris van Justitie

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

gemachtigde: mr. B. Th. Moerkoert , advocaat te 'Gravenhage,

verweerder.

1 Procesverloop

1.1 Bij beschikking van 12 februari 1998 heeft verweerder aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend. Bij beschikking van 29 april 1999, aan eiser uitgereikt op 19 juli 1999, heeft verweerder de aan eiser verleende vvtv ingetrokken. Eiser heeft daartegen bij brief van 29 juli 1999 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 3 maart 2000 ongegrond verklaard. Bij brief van 15 maart 2000 is daartegen beroep ingesteld.

1.2 Op 30 mei 2000 heeft eiser een (tweede) aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Bij beschikking van 29 augustus 2000 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd en ambtshalve beslist geen vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij brief van 25 oktober 2000 is daartegen bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar bij beschikking van 8 november 2001 ongegrond verklaard. Bij brief van 7 december 2001 is daartegen beroep ingesteld.

1.3 Bij brief van 24 april 2003, heeft verweerder de rechtbank laten weten dat verweerder de beschikking van 8 november 2001 intrekt. Daarbij heeft verweerder medegedeeld dat aan eiser een vergunning tot verblijf op grond van artikel 29, eerste lid onder d Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), zal worden verleend. Tevens wordt de beschikking van 3 maart 2000 gehandhaafd.

1.4 Bij brief van 25 april 2003 heeft eiser medegedeeld zijn beroep te handhaven.

1.5 De beroepen zijn ter zitting van 6 mei 2003 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

1.6 De rechtbank heeft na de zitting het onderzoek heropend in afwachting van de bekendmaking van de beschikking waarvan verweerder melding maakte in zijn brief van 24 april 2003. Na ontvangst van de beschikking en de mededeling van partijen dat zij instemden met het achterwege blijven van een nadere behandeling ter zitting is het onderzoek wederom gesloten.

1.7 Bij brief van 5 juni 2003 heeft verweerder de beschikking van 8 november 2001 schriftelijk ingetrokken en de nieuwe beschikking op het bezwaar van 5 juni 2003 toegezonden. Bij deze beschikking is aan eiser een vergunning tot verblijf op grond van artikel 29, eerste lid onder d Vw 2000 verleend. De ingangsdatum is met terugwerkende kracht bepaald op 25 november 2002.

2 Toetsingskader

2.1 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikkingen van 3 maart 2000 en 5 juni 2003 toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in werking getreden en is de Vreemdelingenwet (Vw) ingetrokken. Op grond van artikel 117, eerste lid Vw 2000 wordt de aanvraag van 30 mei 2000 aangemerkt als een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.3 Artikel 119 Vw 2000 beperkt de toepassing van het procesrecht dat gold vóór invoering van deze wet tot de mogelijkheid om beroep in te stellen, het griffierecht en de schorsende werking, zodat voor het overige het nieuwe procesrecht van toepassing is.

De rechtbank zal daarom bij de beoordeling van de beroepen toepassing geven aan artikel 83 Vw 2000 en rekening houden met feiten en omstandigheden die na het nemen van de bestreden beschikkingen zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

3 Standpunten

Inzake de beschikking van 3 maart 2000

3.1 Verweerder heeft het bezwaar tegen de beschikking tot intrekking van de vvtv ongegrond verklaard vanwege het volgende.

Uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 20 november 1998 (TK 1998-1999, 19637, nr. 395) blijkt dat Iraakse asielzoekers, gelet op de inhoud van de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse zaken van 31 maart en 13 november 1998 (kenmerk DPC/AM-568758) niet langer in aanmerking komen voor een vvtv. En afkondiging van nieuw beleid dient onmiddellijk te worden toegepast. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij geen vestigingsalternatief in Noord-Irak heeft kan aan hem in het kader van de procedure niet een dergelijke vergunning tot verblijf worden verleend. Eiser heeft wel de mogelijkheid tot het indienen van een nieuwe aanvraag om toelating als vluchteling.

3.2 Eiser stelt zich op het volgende standpunt.

Bij uitspraak van 20 maart 2000 (AWB 99/11805) heeft de Rechtseenheidskamer geoordeeld dat de staatssecretaris een onjuiste maatstaf heeft aangelegd bij de beantwoording van de vraag of er ten aanzien van eiser sprake is van een binnenlands vestigingsalternatief. Eiser is afkomstig uit Centraal-Irak en heeft geen familie-, gemeenschaps- of politieke banden in Noord-Irak. Eiser beroept zich op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. De president heeft niet geoordeeld dat de vraag of betrokkenen al dan niet een vestigingsalternatief hebben in Noord-Irak niet in die procedure aan de orde kon komen maar slechts via een nieuw in te dienen asielaanvraag. Eiser heeft bij het aanvullend beroepschrift van 28 december 2001 de notitie van UNHCR van 25 juni 2001 getiteld :"UNHCR's comments on the Dutch Government's policy letters concerning group based protection and policy with regard to certain countries of origin" alsmede stukken van de Stichting INLIA met betrekking tot terugkeer naar Noord-Irak en overgelegd. Bij aanvullend beroepschrift van 2 mei 2003 heeft eiser de notitie van VluchtelingenWerk Nederland van april 2003 betreffende "Ingangsdatum categoriaal beschermingsbeleid Irak" overgelegd.

Eiser stelt zich onder verwijzing naar deze stukken op het standpunt dat hij in de periode van 3 maart 2000 tot heden voortdurend in aanmerking had moeten komen voor een verblijfsvergunning op grond van door verweerder te voeren categoriaal beschermingsbeleid, althans dat dit met ingang van enige datum gelegen vóór 25 november 2002 het geval is geweest.

Inzake de beschikking van 5 juni 2003

3.3 Verweerder heeft eiser met ingang van 25 november 2002 een vergunning tot verblijf toegekend op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden was met ingang van een datum gelegen vóór 25 november 2002 een categoriaal beschermingsbeleid te voeren met betrekking tot asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak omdat er vóór deze datum geen redenen waren om aan te nemen dat asielzoekers behorende tot deze categorie niet konden terugkeren naar Noord-Irak.

3.4 Eiser stelt zich op het volgende standpunt.

Eiser heeft te vrezen voor de Iraakse autoriteiten. Het feit dat hij nimmer een vluchtelingenstatus heeft ontvangen, is te wijten aan het feit dat zijn beroepschrift niet-ontvankelijk werd verklaard en het vluchtverhaal van eiser nimmer door de rechtbank is getoetst. Uit zorgvuldigheidsoverwegingen dient de rechtbank ook het vluchtverhaal van eiser te toetsen aangezien verweerder het beleid voert dat personen die te vrezen hebben voor vervolging door de Centraal-Iraakse autoriteiten geen vestigingsalternatief hebben in Noord- Irak. Verweerder heeft eiser, in zijn beschikking van 3 maart 2000 zelf verwezen naar het AC Rijsbergen voor het doen van een nieuwe aanvraag. Eiser verwijst naar het uitstel van vertrek beleid dat is verleend aan een Iraakse vluchteling, die net als eiser afkomstig is uit Centraal-Irak en geen banden heeft met Noord-Irak.

De tegemoetkoming op de d-grond is geen (volledige) inwilliging van zijn aanvraag.

Ten aanzien van de ingangsdatum van de verleende vergunning tot verblijf heeft eiser dezelfde argumenten naar voren gebracht als tegen de beschikking van 3 maart 2000 en zich op het standpunt gesteld dat deze eerder had moeten liggen.

4 Overwegingen

Inzake de beschikking van 3 maart 2000

4.1 Op grond van artikel 12b Vw (oud), kan aan een vreemdeling die zich in Nederland bevindt en een aanvraag om toelating heeft ingediend een vvtv worden verleend, indien naar het oordeel van de Minister van Justitie gedwongen verwijdering naar het land van herkomst van bijzondere hardheid voor de vreemdeling zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar. Het bepaalde in artikel 29, eerste lid, onder d Vw 2000 komt hiermee inhoudelijk overeen.

Op grond van artikel 12a, vierde lid, Vw (oud) kan de vvtv worden ingetrokken indien de beletselen voor uitzetting zijn opgeheven.

4.2 De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) heeft in haar uitspraak van 8 november 2001 (kenmerk 200104464/1, JV 2002, 12) met betrekking tot verweerders beleid ten aanzien van Iraakse asielzoekers die niet op individuele gronden in aanmerking komen voor toelating tot Nederland overwogen dat, waar het gaat om categoriale bescherming als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000, verweerder een ruime beoordelingsmarge toekomt, waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien verweerder bij de afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot een bepaalde beoordeling heeft kunnen komen.

De ABRvS heeft voorts vastgesteld dat verweerder reeds in zijn brief van 18 december 1997 (TK 1997-1998, 19637, nr. 308), de zogenaamde indicatorenbrief, betekenis toekent aan de mate van geografische spreiding van het geweld bij de beoordeling of terugzending naar het land van herkomst vanwege de algehele situatie van onevenredige hardheid is, en dat daarom bij die beoordeling ten volle rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van een binnenlands beschermingsalternatief.

De aard van dit beleid alsmede de wet rechtvaardigen naar het oordeel van de ABRvS bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een beschermingsalternatief in het kader van de toepassing van een categoriaal beschermingsbeleid andere maatstaven worden aangelegd dan bij de beoordeling van aanspraken op verblijfsvergunningen asiel op individuele gronden. De ABRvS heeft op dit punt derhalve een ander standpunt ingenomen dan de Rechtseenheidskamer (REK) in haar uitspraak van 20 maart 2000 (Awb 99/11794, JV 2000, 83), die geen onderscheid heeft gemaakt in de verschillende gronden voor beschermingsalternatieven.

4.3 De ABRvS heeft in haar bovengenoemde uitspraak verder overwogen dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een humanitaire noodsituatie, zodat terugkeer naar, dan wel verblijf in Noord-Irak niet in verband met de algemene situatie aldaar van bijzondere hardheid is. De ABRvS heeft zich bij haar oordeel weliswaar met name laten leiden door het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 april 2001, maar de rechtbank is niet gebleken dat terzake van de humanitaire situatie in Noord-Irak een rechtens relevante wijziging heeft plaatsgevonden na de beleidswijziging van november 1998.

4.4 Eiser heeft zich in zijn aanvullende beroepschriften van 28 december 2001 en 2 mei 2003 beroepen op feiten en omstandigheden die zijn opgekomen na de totstandkoming van het bestreden besluit, te weten de opstelling van de Koerdische autoriteiten in Noord-Irak ten aanzien van teruggekeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal Irak.

Verweerder is niet vóór de zitting van 6 mei 2003 in de gelegenheid gesteld zich over deze feiten en omstandigheden schriftelijk uit te laten. Verweerder heeft zich ter zitting wel mondeling over deze feiten en omstandigheden uitgelaten. Nu het gaat om feiten en omstandigheden, die beschreven zijn in de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse zaken van 23 oktober 2002 en 25 november 2002, welke door verweerder in de nadere besluitvorming in deze zaak zijn betrokken en hebben geleid tot verlening van een verblijfsvergunning aan eiser, acht de rechtbank het niet noodzakelijk verweerder alsnog in de gelegenheid te stellen zich nader schriftelijk omtrent deze feiten en omstandigheden uit te laten, zodat de rechtbank ze met toepassing van artikel 83 Vw 2000 bij haar beoordeling zal betrekken.

4.5 Naar het oordeel van de rechtbank kunnen na het besluit tot intrekking van een verblijfsvergunning opgekomen feiten en omstandigheden slechts leiden tot vernietiging van dit besluit, indien uit deze feiten en omstandigheden de conclusie volgt dat de Minister ten tijde van het besluit tot intrekking in redelijkheid niet tot de intrekking heeft kunnen komen.

Indien deze feiten en omstandigheden leiden tot de conclusie dat op enig tijdstip gelegen ná het besluit tot intrekking van de vergunning wel (weer) grond bestond voor het verlenen van een verblijfsvergunning kan hieruit niet worden afgeleid dat de intrekking onrechtmatig was.

Uit de door eiser ingeroepen nieuwe feiten en omstandigheden kan in elk geval niet worden afgeleid dat verweerder op grond hiervan op of onmiddellijk na 3 maart 2000 in redelijkheid aan eiser een vergunning tot verblijf op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d niet kon onthouden.

Voorts heeft eiser in beroep individuele omstandigheden naar voren gebracht ter ondersteuning van zijn standpunt dat de intrekking van de vvtv onterecht is. De rechtbank oordeelt ten aanzien daarvan dat dergelijke omstandigheden geen rol spelen bij de beoordeling van de vraag of een vvtv beleid geïndiceerd was.

4.6 Gezien het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid kunnen besluiten om de aan eiser verleende voorwaardelijke vergunning tot verblijf in te trekken.

Inzake de beschikking van 8 november 2001

Ontvankelijkheid van het beroep.

4.7 Voor zover eiser zijn beroep, gericht tegen de ingetrokken beschikking van 8 november 2001 handhaaft, overweegt de rechtbank dat ingevolge artikel 6:19, derde lid Algemene wet bestuursrecht (Awb), intrekking van het bestreden besluit niet in de weg staat aan vernietiging van dat besluit indien de indiener van het beroepschrift daarbij belang heeft. Eiser heeft geen belang bij vernietiging van de ingetrokken beschikking van 8 november 2001 zodat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Inzake de beschikking van 5 juni 2003

Ontvankelijkheid van het beroep

4.8 De rechtbank stelt voorop dat, aangezien eiser zijn beroep na intrekking door verweerder van zijn beschikking van 8 november 2001 heeft gehandhaafd, dit beroep geacht moet worden mede betrekking te hebben op de beschikking 5 juni 2003.

4.9 Voor zover het beroep van eiser zich richt tegen de weigering hem een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, aanhef en eerste lid onder a, b of c is verleend heeft eiser, gelet op onder meer de uitspraak van de ABRvS van 28 maart 2002 (JV 2002/153) hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning op grond van artikel 29, aanhef en onder d, geen procesbelang.

Weliswaar heeft in de in geding zijnde beschikking geen beoordeling plaats gevonden van de gronden van bezwaar gericht tegen de weigering eiser een verblijfsvergunning op een van de in artikel 29, aanhef en eerste lid onder a,b of c Vw 2000 genoemde gronden te verlenen, doch naar het oordeel van de rechtbank kan deze beoordeling, evenals wanneer het -zoals in genoemde uitspraak van de ABRvS- gaat om een eerste beslissing op een aanvraag, alsnog plaatsvinden indien het mocht komen tot een voornemen tot intrekking van de verleende vergunning.

4.10 Met partijen is de rechtbank, gelet op onder meer de uitspraak van de ABRvS van 22 november 2002 (JV 2003/17) van oordeel dat eiser procesbelang heeft bij het door hem ingestelde beroep voor zover dit zich richt tegen de ingangsdatum van de hem verleende vergunning.

Inhoudelijke beoordeling van het beroep

4.11 Ter beoordeling van de rechtbank is de vraag aan de orde of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat er voor 25 november 2002 geen categoriaal beschermingsbeleid is ingevoerd.

4.12 Zoals hierboven onder 4.2 is overwogen komt verweerder waar het gaat om categoriale bescherming als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d Vw 2000 een ruime beoordelingsmarge toe waarvan de aanwending de toetsing in rechte slechts dan niet kan doorstaan, indien verweerder bij afweging van alle daarvoor in aanmerking komende belangen en gegeven de feitelijke grondslag ervan, niet in redelijkheid tot een bepaalde beoordeling heeft kunnen komen. Deze ruime beoordelingsmarge geldt ook de ingangsdatum van het door verweerder gevoerde categoriaal beschermingsbeleid.

4.13 De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan het volgende.

4.14 Gelet op het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2002/58 werd tot 25 november 2002 geen categoriaal beschermingsbeleid gevoerd omdat het gezien de situatie in Noord-Irak, redelijk was om Noord-Irak als verblijfsalternatief aan te wijzen voor afgewezen uitgeprocedeerde asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak. Blijkens zijn brief van 25 november 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, onder verwijzing naar de ambtsberichten van de Minister van Buitenlandse Zaken van 23 oktober 2002 en 15 november 2002 besloten tot invoering van een categoriaal beschermingsbeleid voor asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak met ingang van 25 november 2002.

4.15 Blijkens genoemde ambtsberichten en het ambtsbericht van 9 april 2002, is in april 2002 gebleken dat de Koerdische Democratische Partij (KDP) asielzoekers afkomstig uit Centraal-Irak geen toestemming verleent zich op haar grondgebied te vestigen; kort voor 25 november 2002 is ook ten aanzien van de Patriottische Unie Koerdistan (PUK) gebleken dat deze partij personen die niet afkomstig zijn uit Noord-Irak geen toegang verleent tot haar grondgebied.

4.16 Eiser heeft hiertegen ingebracht dat ook voor de PUK gold dat dit al eerder het geval was. Eiser verwijst daartoe naar een brief van PUK aan INLIA van 3 september 2001. Met name verwijst eiser naar de passage waarin het volgende is opgenomen "The Kurdish administration in the region have no objection for these people to return to Kurdistan, because they are nationals, but the PUK is unable to guarantee their safe return because the region does not border any European country to enable the Kurdish administration to conclude any agreement with the country concern. In addition, the Kurdish administration is unable to provide living assistance, accomodation or work for those who wish to return. As it is the umemployment that is very high in the region and the Kurdisch administration does not have fixed or continuing budget".

4.17 Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hierboven weergegeven passage onvoldoende dat de PUK al voor 25 november 2002 de Centraal-Irakezen niet zou toelaten. In de brief staat niet, en ook is er niet uit af te leiden dat Centraal-Irakezen niet tot het onder controle van de PUK staande gebied worden toegelaten.

4.18 Voorts heeft eiser (ter zitting) naar voren gebracht dat eiser bij terugkeer uit Nederland naar Noord-Irak via Turkije over KDP-grondgebied dient te reizen hetgeen door de KDP reeds vóór 25 november 2002 niet werd toegestaan.

4.19 Blijkens het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 15 november 2002 (kenmerk DPV/AM-746852) is in de maand november 2002 duidelijk geworden dat Centraal-Irakezen noch door de PUK noch door de KDP worden toegelaten. Uit dit ambtsbericht kan niet worden afgeleid dat de KDP al vóór november 2002 Centraal-Irakezen geen toestemming verleende over haar grondgebied naar het grondgebied van de PUK te reizen. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse zaken van 9 april 2002 (kenmerk DPV-AM/119-02) kan worden afgeleid dat deze toestemming wel werd verleend. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de ambtsberichten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen noch informatie aangedragen waaruit moet worden afgeleid dat de informatie vervat in de ambtsberichten onjuist of onvolledig is.

4.20 Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid niet heeft hoeven besluiten reeds vóór 25 november 2002 een categoriaal beschermingsbeleid te voeren met betrekking tot asielzoekers, afkomstig uit Centraal-Irak.

4.21 Het beroep van eiser, in de brief van 10 juni 2003, op het drie jarenbeleid ligt niet voor nu het besluit van 8 november 2001 niet strekt tot weigering van deze vergunning tot verblijf.

4.22 Er bestaat geen aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5 BESLISSING

De rechtbank verklaart:

- het beroep gericht tegen de beschikking van 3 maart 2000 ongegrond;

- het beroep gericht tegen de beschikking van 8 november 2001 niet ontvankelijk;

- het beroep gericht tegen de beschikking van 5 juni 2003, voor zover dit betrekking heeft op de weigering van een verblijfvergunning asiel op grond van artikel 29, aanhef en eerste lid onder a,b of c Vw 2000 niet ontvankelijk;

- het beroep gericht tegen de beschikking van 5 juni 2003, voor zover dit betrekking heeft op de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, aanhef en eerste lid onder d, Vw 2000 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Steendijk in tegenwoordigheid van mr. G.A. Genee als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 juli 2003

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden: 7 juli 2003