Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AJ9968

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
11-09-2003
Zaaknummer
AWB 01/59853
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Procesbelang / doorprocederen.

Eiser, afkomstig uit Sierra Leone, is op grond van artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000, in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 met ingang van 1 juni 2001 en geldig tot 1 juni 2004. Eiser stelt dat sprake is van procesbelang bij doorprocederen voor een vergunning op een van de gronden genoemd onder a, b, en c van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 gelet op de daaraan verbonden eerdere ingangsdatum. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn procesbelang aangevoerd dat hij door de verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum ook eerder in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiser stelt dat indien hij in het bezit zou zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd voor hem dat mogelijk voordelen zou opleveren bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een huurwoning, een geldlening en (betaald) werk. Voorts is door eiser naar voren gebracht dat hij door de thans gevolgde handelwijze mogelijk later voor naturalisatie in aanmerking komt. De rechtbank overweegt in navolging van Afdelingsuitspraak 200105914/1 van 28 maart 2002 dat niet geheel kan worden uitgesloten dat vreemdelingen op enig moment kunnen aangeven dat hun door het verlenen van een verblijfsvergunning op een andere grond dan de d-grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000, aanvullende of sterkere aanspraken zouden toekomen, zodat alsdan toch een procesbelang dient te worden aangenomen. De rechtbank is evenwel van oordeel dat in casu daarvan niet is gebleken. De enkele verwijzing door eiser naar algemene en uit de wet voortvloeiende rechtsgevolgen biedt onvoldoende grondslag voor de conclusie dat in eisers concrete individuele geval, omstandigheden zoals bedoeld in de uitspraak van de ABRS van 28 maart 2002 dienen te worden aangenomen op grond waarvan voor eiser wel een concreet en actueel procesbelang moet worden aangenomen. Beroep niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE ’S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer : AWB 01/59853

Datum uitspraak: 8 juli 2003

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, eiser,

gemachtigde mr. F.J.M. Schonkeren, advocaat te Tilburg,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 15 juni 1999 heeft eiser, van Sierraleoonse nationaliteit, verzocht om toelating als vluchteling.

Bij besluit van 3 juli 2000 heeft verweerder de aanvraag van eiser niet ingewilligd en ambtshalve besloten eiser geen vergunning tot verblijf te verlenen. Deze beschikking is op 19 juli 2000 aan eiser in persoon uitgereikt.

Bij brief van 14 augustus 2000 heeft eiser tegen voornoemd besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 17 oktober 2001 heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard en is eiser op grond van artikel 29, eerste lid, onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, met ingang van 1 juni 2001 en geldig tot 1 juni 2004.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 9 november 2001 beroep ingesteld. Het beroepschrift is diezelfde dag ter griffie van de rechtbank ontvangen. Bij schrijven van 16 december 2001 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft naar aanleiding van het beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Bij uitspraak van 31 oktober 2002, AWB 01/59853, heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft eiser op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Awb verzet gedaan. Bij uitspraak van 30 januari 2003 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:55, zevende lid, van de Awb vervalt daarmee de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2002 en wordt het onderzoek voortgezet in stand waarin het zich bevond.

Bij brief van 20 mei 2003 heeft eiser aanvullende jurisprudentie aan de rechtbank doen toekomen.

Bij brief van 28 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingestuurd.

Het beroep is behandeld ter zitting van 10 juni 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. R.J.L. van Bokhoven. Als tolk is verschenen mevrouw Hellings.

Het onderzoek is heropend en de behandeling van de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van de rechtbank. Partijen hebben toestemming gegeven om het onderzoek ter zitting achterwege te laten.

II. OVERWEGINGEN

De rechtbank ziet in de onderhavige zaak aanleiding allereerst te beoordelen of eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.

Eiser stelt zich op het standpunt dat het belang bij het doorprocederen is gelegen in de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter zitting is namens eiser dit standpunt nader gespecificeerd. Eisers gemachtigde heeft terzake aangevoerd dat het beroep voor zover het ziet op de ingangsdatum van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid onder d van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), niet langer wordt gehandhaafd. Aan het standpunt dat verweerder ook had moeten toetsen of er zich een situatie voordoet als genoemd onder a,b, of c van artikel 29, eerste lid van de Vw 2000 gelet op de daaraan verbonden eerdere ingangsdatum, houdt eiser evenwel onverkort vast.

Verweerder heeft ter zitting ten aanzien van het resterende beroep betoogd dat er geen sprake is van een procesbelang en heeft in dat verband verwezen naar de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 november 2002, met nummer 200205120/1 (JV 2003, 17).

De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat het beroep enkel nog ziet op de vraag of verweerder had moeten toetsen of eiser op grond van het bepaalde in artikel 29, eerste lid, onder a,b, of c, van de Vw 2000 voor toelating in aanmerking komt, in welk geval hij mogelijk een verblijfsvergunning met een vroegere ingangsdatum zou hebben gekregen. In navolging van de hierboven genoemde uitspraak oordeelt de rechtbank hieromtrent dat eiser, hangende de geldigheidsduur van de hem verleende vergunning, geen concreet en actueel belang heeft bij het instellen van beroep tegen het daaraan ten grondslag liggende besluit. De vraag of een mogelijke verblijfsaanspraak kan worden ontleend aan de gronden als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a t/m c, van de Vw 2000 wordt wel actueel, wanneer verweerder op de voet van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 de aan eiser verleende vergunning zal intrekken. In dat geval zal de terzake bevoegde rechter kunnen beoordelen, niet alleen de grond waarop de verblijfsvergunning is verleend, maar ook de eventuele ingangsdatum, indien zulk een vergunning alsnog op een andere grond wordt verleend.

Eiser heeft aangevoerd dat hij door de verlening van een vergunning voor bepaalde tijd met een eerdere ingangsdatum ook eerder in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Indien eiser in het bezit zou zijn van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zou dat voor hem mogelijk voordelen opleveren bijvoorbeeld bij het verkrijgen van een huurwoning, een geldlening en (betaald) werk. Voorts is door eiser naar voren gebracht dat hij door de thans gevolgde handelwijze mogelijk later voor naturalisatie in aanmerking komt. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Alkmaar, van 14 februari 2003, AWB 01/61613.

De rechtbank overweegt dat in haar uitspraak van 28 maart 2002, met nummer 200105914/1 (JV 2002, 153), de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat niet geheel kan worden uitgesloten dat vreemdelingen op enig moment kunnen aangeven dat hen door het verlenen van een verblijfsvergunning op een andere grond dan onderdeel d van artikel 29, eerste lid van de Vw 2000, aanvullende of sterkere aanspraken zouden toekomen, zodat alsdan toch een procesbelang dient te worden aangenomen. De rechtbank is echter van oordeel dat de enkele verwijzing door eiser naar algemene en uit de wet voortvloeiende rechtsgevolgen, onvoldoende grondslag biedt voor de conclusie dat in zijn concrete individuele geval omstandigheden zoals bedoeld in eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 28 maart 2002 dienen te worden aangenomen op grond waarvan voor eiser wel een concreet en actueel procesbelang moet worden aangenomen.

Het beroep dient dan ook niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

Beslist wordt dan ook als volgt.

II. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. I.L. Haverkate als voorzitter en mr. J.K.B. van Daalen en mr. E.C.M. de Klerk als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.M.L. Wijnen als griffier op 8 juli 2003.

Tegen deze uitspraak staat ingevolge artikel 120 Vw 2000 geen hoger beroep open.

Afschriften verzonden: 16 juli 2003