Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI5640

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-08-2003
Datum publicatie
08-09-2003
Zaaknummer
09/900466-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

(...) Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft gedurende een relatief korte periode, 11 februari 2003 tot en met 24 mei 2003, zeer veel strafbare feiten gepleegd. In die periode heeft zij, samen met haar vriend, een aantal auto's verduisterd. Verdachte en haar vriend bezochten daartoe een autoverkoper en vroeger of zij met een bepaalde auto een proefrit konden maken. Nadat zij de sleutels van de auto in hun bezit hadden, vertrokken zij met de auto voor een "proefrit" om de auto vervolgens niet terug te brengen. Daarnaast hebben zij in diezelfde periode vele winkels en een hotel opgelicht. Daartoe hebben zij zich met een valse naam en een valse hoedanigheid uitgegeven voor werknemers van diverse bedrijven in het Westland, waarvan zij wisten dat werknemers van deze bedrijven op rekening goederen en diensten konden kopen. De buit bestond voornamelijk uit gereedschap, wat na enige tijd door helers in 's-Gravenhage bij verdachte en zijn vriendin werd besteld. (...)

Hangt samen met AI5655

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER

(VERKORT VONNIS)

parketnummer 09/900466-03

rolnummer 0001

's-Gravenhage, 29 augustus 2003

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Noord Holland Noord, Unit Amerswiel te Heerhugowaard.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 15 augustus 2003.

De verdachte, bijgestaan door haar raadsvrouwe mr. J. Lintjer, is verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr Van der Heem heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 3, primair, telastgelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het haar bij dagvaarding onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5, 6 en 7 telastgelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 5.616,= en tot afwijzing van de vordering van de benadeelde partij voor het overige.

De telastlegging.

Aan verdachte is telastgelegd hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A.

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding onder 2 en 3, primair, is telastgelegd, zodat zij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen.

P.M.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen -elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft- staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast en is de rechtbank op grond daarvan tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 3 subsidiair, 4 primair, 5, 6 en 7 primair vermelde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht -en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de telastlegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad- de inhoud van de telastlegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat het na te melden misdrijven oplevert.

Verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

Strafmotivering.

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden, waaronder zij zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt met betrekking tot de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf het volgende overwogen. Verdachte heeft gedurende een relatief korte periode, 11 februari 2003 tot en met 24 mei 2003, zeer veel strafbare feiten gepleegd. In die periode heeft zij, samen met haar vriend, een aantal auto's verduisterd. Verdachte en haar vriend bezochten daartoe een autoverkoper en vroeger of zij met een bepaalde auto een proefrit konden maken. Nadat zij de sleutels van de auto in hun bezit hadden, vertrokken zij met de auto voor een "proefrit" om de auto vervolgens niet terug te brengen. Daarnaast hebben zij in diezelfde periode vele winkels en een hotel opgelicht. Daartoe hebben zij zich met een valse naam en een valse hoedanigheid uitgegeven voor werknemers van diverse bedrijven in het Westland, waarvan zij wisten dat werknemers van deze bedrijven op rekening goederen en diensten konden kopen. De buit bestond voornamelijk uit gereedschap, wat na enige tijd door helers in 's-Gravenhage bij verdachte en zijn vriendin werd besteld.

Verdachte heeft door zo te handelen ernstig misbruik gemaakt van het soms in het handelsverkeer noodzakelijke vertrouwen tussen verkoper en koper, waarbij bovendien de goede naam van meerdere bedrijven is misbruikt. Tevens heeft verdachte de autobedrijven en de groothandelsbedrijven grote financiële schade en ongemak toegebracht.

De rechtbank heeft acht geslagen op een voorlichtingsrapport van het Leger des Heils, afdeling reclassering, d.d. 5 augustus 2003, opgesteld door E.H.C. Haan, reclasseringswerker. De rapporteur stelt dat verdachte een erg afhankelijke vrouw is. In de huidige situatie spelen vooral gebrek aan huisvesting en financiën een rol. Geadviseerd wordt om verdachte een verplicht reclasseringscontact op te leggen, met als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich onder behandeling van het Riagg stelt.

Tenslotte heeft de rechtbank rekening gehouden met een op naam van verdachte staand uittreksel van het algemeen documentatieregister d.d. 27 mei 2003, waaruit blijkt dat verdachte eenmaal eerder een strafbaar feit heeft gepleegd en daar ook voor is veroordeeld.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

Coöperatie Maasmond-Westland b.a., gevestigd te De Lier, heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 6.627,14.

Deze vordering is door de verdediging niet weersproken, en is door de bij het Voegingsformulier gevoegde bescheiden gestaafd, terwijl die vordering, die eenvoudig van aard is, rechtstreeks - naar uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken - haar grondslag vindt in de bij dagvaarding onder 4, 5 en 6 aan verdachte telastgelegde en bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank bepaalt derhalve dat de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering en zal deze vordering toewijzen voor zover het gaat om de bedragen exclusief BTW, te weten een bedrag van € 6.132,45. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 4, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 6.132,45,= ten behoeve van het slachtoffer genaamd Coöperatie Maasmond-Westland b.a..

De toepasselijke wetsartikelen.

De artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47, 57, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het haar bij dagvaarding onder 2 en 3 primair, telastgelegde heeft begaan en spreekt haar daarvan vrij;

verklaart in voege als overwogen wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1, 3 subsidiair, 4 primair, 5, 6 en 7 primair telastgelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van feit 1, 3 subsidiair en 7 primair:

MEDEPLEGEN VAN VERDUISTERING, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 4, primair, en 6:

MEDEPLEGEN VAN OPLICHTING, MEERMALEN GEPLEEGD;

ten aanzien van feit 5:

MEDEPLEGEN VAN POGING TOT OPLICHTING;

verklaart het bewezene en verdachte deswege strafbaar;

veroordeelt verdachte te dier zake tot:

gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 4 maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaar vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften haar te geven door of namens de Stichting Reclassering Nederland, arrondissement Den Haag, i.c. de Sector justitiële verslavingszorg van Psycho-medisch centrum Parnassia te 's-Gravenhage, zolang die instelling zulks nodig acht;

geeft hierbij opdracht aan bovengenoemde reclasseringsinstelling krachtens het bepaalde bij artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht;

bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

in verzekering gesteld op : 26 mei 2003,

in voorlopige hechtenis gesteld op : 28 mei 2003,

veroordeelt verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 240 uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 120 dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts:

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Coöperatie Maasmond-Westland b.a., gevestigd te De Lier, een bedrag van € 6.132,45, met veroordeling tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot deze uitspraak begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

met de bepaling dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door haar mededader aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot

€ 6.132,45 ten behoeve van het slachtoffer genaamd Coöperatie Maasmond-Westland b.a.;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 122 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is telastgelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mrs Poustochkine, voorzitter,

Sentrop en Lely, rechters,

in tegenwoordigheid van mr Gruppelaar, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 augustus 2003.