Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1547

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-08-2003
Datum publicatie
28-08-2003
Zaaknummer
KG 02/1168
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

(...) Eiser heeft nog gesteld dat recente ontwikkelingen in de weg staan aan uitlevering. Daarbij heeft hij erop gewezen dat justitie in de VS met medeverdachten van eiser een deal heeft gesloten die tot strafvermindering heeft geleid, en dat zulks wellicht voor eiser ook perspectief biedt. Gedaagde heeft hierover aangevoerd dat uit inlichtingen van de Amerikaanse autoriteiten is gebleken dat 'plea offers' vooralsnog bij medeverdachten van eiser niet hebben geleid tot 'plea agreements'. Wat hiervan zij: nu eiser zelf heeft aangegeven dat van de zijde van het Openbaar Ministerie in de VS. wordt gesteld dat een plea agreement vanuit Nederland niet mogelijk is, wordt in de door eiser geschetste recente ontwikkelingen geen aanleiding gezien de vordering van eiser toe te wijzen. (...)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 28 augustus 2003,

gewezen in de zaak met rolnummer KG 02/1168 van:

[eiser]

laatstelijk, tot 14 juni 2003, gedetineerd in het huis van bewaring te Breda,

mede in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger

van zijn minderjarige kinderen [dochter van eiser], [dochter van eiser], [zoon van eiser] en [zoon van eiser], ten tijde van de inleidende dagvaarding allen verblijvende te Best,

eiser,

procureur: voorheen mr. W. Taekema, thans mr. J.W. Zanoli,

advocaat mr. B.J. Tieman te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Het Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

procureur mr. W. Heemskerk.

1. Het verloop van de procedure

In de onderhavige zaak -die eerder is behandeld op 31 oktober 2002- is tussen partijen op 27 november 2002 een tussenvonnis gewezen. In dat vonnis (een kopie is aangehecht) is gedaagde -kort gezegd- in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen te verschaffen over de in de overwegingen van dat vonnis onder 3.5. vermelde punten.

Nadat gedaagde in hoger beroep was gekomen van het tussenvonnis heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 10 juli 2003 het tussenvonnis vernietigd en de zaak teruggewezen naar de voorzieningenrechter van deze rechtbank ter verdere behandeling en/of afdoening.

Bij brief van 15 juli 2003 heeft de raadsman van eiser verzocht om voortgezette behandeling van de zaak. Vervolgens hebben partijen ter zitting van 29 juli 2003 hun standpunten nader toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1. De vraag is of gedaagde in redelijkheid tot uitlevering van eiser heeft kunnen beslissen. De grenzen voor de beantwoording van die vraag zijn na de overwegingen van het gerechtshof in voormeld arrest nader bepaald. In rechtsoverweging 19 van het arrest is overwogen op welk deel van de vraag nog geen antwoord kon worden gegeven. In verband daarmee heeft het hof de zaak teruggewezen. Die nadere begrenzing wordt thans geëerbiedigd.

2.2. Eiser heeft allereerst betoogd dat er in deze zaak sprake is van disproportionele vervolgingsdrang door de Verenigde Staten (VS.). In dit verband heeft hij erop gewezen dat het slechts om diefstallen in winkels gaat. Gedaagde heeft als verweer daartegen aangevoerd dat vooropgesteld dient te worden dat Nederland verplicht is op grond van artikel 1 van het hier toepasselijke Nederlands-Amerikaanse Uitleveringsverdrag van 24 juni 1980 om aan een Amerikaans uitleveringsverzoek gevolg te geven, tenzij uit een verdrag of uit de Uitleveringswet dwingend het tegendeel volgt. Gesteld noch gebleken is dat de door eiser gestelde disproportionele vervolgingsdrang een weigeringsgrond in de zin van dit verdrag of deze wet oplevert.

2.3. Eiser heeft gesteld dat uitlevering in strijd is met artikel 3 EVRM omdat de straf die hem in de VS. te wachten staat onmenselijk hoog is. Gedaagde heeft daartegen aangevoerd dat een mogelijk hoge straf niet kan worden aangemerkt als foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Het bestaan van verschillende normen omtrent de strafmaat van bepaalde feiten tussen de bij een uitleveringsverdrag aangesloten staten staat in zijn algemeenheid niet aan uitlevering in de weg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zulks in zijn geval anders is.

2.4. Eiser heeft ter zitting van 31 oktober 2002 onder meer gesteld dat er in de VS. na oplegging van een gevangenisstraf de mogelijkheid van onbeperkte vreemdelingendetentie bestaat. Blijkens stukken, door gedaagde overgelegd na de zitting van 31 oktober 2002, kent het Amerikaanse vreemdelingenrecht de mogelijkheid van onbeperkte vreemdelingendetentie van (on)uitzetbare vreemdelingen niet. Eiser heeft ter zitting van 29 juli 2003 erkend dat gedaagde op dit punt het gelijk aan zijn zijde heeft omdat een regeling over vreemdelingendetentie van onbeperkte duur door het United States Supreme Court is vernietigd. Eiser heeft vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat zijn vrees voor toekomstige regelingen in de VS. die vreemdelingendetentie van onbeperkte duur wel mogelijk zouden kunnen maken, terecht is.

2.5. Eiser heeft gesteld dat zijn staatloosheid tot gevolg heeft dat hij bij uitlevering naar de VS. lange tijd van zijn kinderen gescheiden zal zijn. Gedaagde heeft wat dit betreft aangevoerd dat eiser van onbekende nationaliteit is en niet op voorhand staatloos. In dit verband heeft gedaagde gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, sector bestuursrecht, van 1 november 2001 waarbij het beroep van eiser op staatloosheid is verworpen. Daartoe werd onder meer overwogen dat niet is gebleken dat eiser enige poging heeft ondernomen om de Bulgaarse nationaliteit en een Bulgaars paspoort te (her)krijgen.

Thans is gesteld noch gebleken dat eiser voormelde poging nadien wel heeft ondernomen. Het is dus niet uitgesloten te achten dat eiser -zo hij al geen eigen nationaliteit heeft- al dan niet vanuit de VS. met succes die nationaliteit kan verkrijgen. De niettemin door eiser thans gestelde staatloosheid kan alleen al daarom niet in de weg staan aan uitlevering aan de VS.

2.6. Eiser heeft minderjarige kinderen. Vaststaat daarom dat uitlevering voor hem een inmenging in zijn recht op gezinsleven vormt. Gedaagde heeft evenwel aangevoerd dat er in dit geval feiten en omstandigheden zijn die deze inmenging kunnen rechtvaardigen. In dit verband heeft gedaagde er onweersproken op gewezen dat eiser in 1999 -om vervolging in de VS. te ontlopen- Nederland is ingereisd zonder verblijfstitel en zonder een concreet uitzicht daarop, en heeft hij zichzelf hierdoor in de situatie gebracht waarin hij nu verkeert. Daarbij heeft gedaagde er onder meer op gewezen dat inmenging gerechtvaardigd is gelet op het belang van Nederland om zijn verdragsverplichtingen na te komen.

Naar voorlopig oordeel zijn de door gedaagde aangegeven omstandigheden voldoende om de gestelde inmenging te kunnen rechtvaardigen. Voorop staat dat aan eisers uitlevering altijd bezwaren kunnen kleven van feitelijke scheiding van gezinsleven. Maar dat is niet ongerechtvaardigd te noemen. Van belang hierbij is dat opvang voor de minderjarige kinderen van eiser in Nederland gewaarborgd is.

2.7. Eiser heeft ter zitting van 29 juli 2003 opnieuw het vertrouwensbeginsel in het geding gebracht. Gelet op bovenvermelde uitspraak van het gerechtshof van 10 juli 2003 behoeft dit beginsel, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 2.1. is overwogen, in deze zaak thans geen bespreking meer.

2.8. De stelling van eiser dat de lange duur van zijn uitleveringsdetentie in de weg staat aan uitlevering naar de VS. slaagt niet. Het vertrouwensbeginsel staat nu eenmaal in de weg aan een beoordeling vooraf van de te verwachten straf, in dit geval van de aan eiser in de VS. ten laste gelegde feiten. Overigens, de omstandigheid dat de uitleveringsdetentie (bij beschikking van de rechtbank te 's-Hertogenbosch per 14 juni 2003 geschorst) omstreeks twee jaren heeft geduurd, hangt voor een niet onbelangrijk deel samen met het feit dat eiser zich in twee instanties heeft verzet tegen zijn uitlevering. De relatief lange duur van de uitleveringsdetentie kan daarom op zich in deze zaak geen reden zijn te oordelen dat gedaagde niet in redelijkheid tot uitlevering van eiser kan beslissen. Gedaagde heeft hierbij aangevoerd dat, hoewel er op dit punt geen verdragsrechtelijke verplichting bestaat, in het algemeen geldt dat bij een uiteindelijke straf aftrek van uitleveringsdetentie wordt toegepast.

2.9. Eiser heeft nog gesteld dat recente ontwikkelingen in de weg staan aan uitlevering. Daarbij heeft hij erop gewezen dat justitie in de VS met medeverdachten van eiser een deal heeft gesloten die tot strafvermindering heeft geleid, en dat zulks wellicht voor eiser ook perspectief biedt. Gedaagde heeft hierover aangevoerd dat uit inlichtingen van de Amerikaanse autoriteiten is gebleken dat 'plea offers' vooralsnog bij medeverdachten van eiser niet hebben geleid tot 'plea agreements'. Wat hiervan zij: nu eiser zelf heeft aangegeven dat van de zijde van het Openbaar Ministerie in de VS. wordt gesteld dat een plea agreement vanuit Nederland niet mogelijk is, wordt in de door eiser geschetste recente ontwikkelingen geen aanleiding gezien de vordering van eiser toe te wijzen.

2.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat gedaagde in redelijkheid tot uitlevering van eiser heeft kunnen beslissen en dat daarom de vordering moet worden afgewezen. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.259,50, waarvan € 205,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Holtrop en uitgesproken ter openbare zitting van 28 augustus 2003 in tegenwoordigheid van de griffier.

AB

KG 02/1168