Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1541

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2003
Datum publicatie
28-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/10035
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Sudan / taalanalyse.

Verweerder baseert de ongeloofwaardigheid van de door eiseres opgegeven identiteit en nationaliteit voorts, en met name, op de conclusies van de twee uitgevoerde taalanalyses. Blijkens het rapport van taalanalist A heeft deze aangegeven Engels en Swahili te spreken en is hij tot de conclusie gekomen dat het op basis van de hem verstrekte gegevens niet mogelijk is om tot een herleiding van eiseres tot een bepaalde spraak- of cultuurgemeenschap te komen. Gelet hierop kan verweerder de conclusie dat de Sudanese afkomst van eiseres niet geloofwaardig is naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid doen steunen op de uitkomst van deze taalanalyse.

Uit het rapport van de taalanalyse van taalanalist B - die Engels, Dinka en Arabisch spreekt - kan niet dan wel onvoldoende worden afgeleid dat deze de kwalificaties bezit om een deskundig oordeel te geven over de taalvaardigheid van eiseres in het Pajulu dan wel het Swahili en, in het verlengde daarvan, over de vraag uit welke spraak- of cultuurgemeenschap eiseres afkomstig is. De enkele mededeling van de taalanalist dat hij afkomstig is uit Sudan acht de rechtbank onvoldoende om de deskundigheid van de taalanalist voor de specifieke onderzoeksvragen waarvoor een taalanalist zich in de onderhavige zaak ziet gesteld, te onderschrijven. De rechtbank betrekt daarbij dat verweerder ter zitting desgevraagd geen nadere informatie heeft kunnen verschaffen over de achtergrond en kwalificaties van taalanalist B. Ook is van belang dat uit hoofdstuk C8 Vc 2000 blijkt dat in Zuid-Sudan ook andere (streek)voertalen worden gesproken dan het Juba-Arabisch.

Gelet op het voorgaande, bevat het rapport van de taalanalyse van taalanalist B naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten op grond waarvan verweerder de specifieke deskundigheid van de taalanalist en de juistheid van de uitkomst van de door hem uitgevoerde taalanalyse niet zonder meer had mogen aannemen.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder de conclusie dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet geloofwaardig is, (ook) niet in redelijkheid heeft kunnen baseren op de taalanalyse van taalanalist B. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/10035 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1980, van gestelde Soedanese nationaliteit, wonende te B, eiseres,

gemachtigde: mr. H.C. van Asperen, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.J.J. Stams, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 25 maart 2000 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 15 november 2001 heeft verweerder aan eiseres schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 28 december 2001 heeft eiseres haar zienswijze op dit voornemen naar voren gebracht. Bij besluit van 11 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 4 februari 2002 heeft eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 11 maart 2002. Op 23 september 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2003. Eiseres is aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde.

II. ASIELRELAAS

Eiseres is afkomstig uit Nimule, Soedan, en behoort tot de bevolkingsgroep van de Pajulu. Haar moedertaal is het Pajulu en zij spreekt verder Engels en een beetje Swahili. De vader van eiseres was betrokken bij de rebellengroepering SPLA. Hij had een vriendin, van wie eiseres vermoedt dat zij een spion was voor de Arabieren uit het noorden van Soedan. In november 1999 kwamen er mensen van de SPLA bij het huis van eiseres en haar familie. Eiseres had zich verstopt en haar zus was naar buiten gevlucht. Een man beval de vader van eiseres, zijn vriendin en de broer van eiseres op de grond te gaan liggen. Zij werden geslagen en haar vader werd in een arm geschoten en voor verrader uitgemaakt. Vervolgens werden zij meegenomen. De volgende dag kwamen de mensen van de SPLA terug, terwijl eiseres buiten bij het toilet was. De zus van eiseres werd gevraagd waar eiseres was. Toen zij dit niet vertelde, is zij door deze mensen vastgebonden en meegenomen. Eiseres is vervolgens naar haar oom gegaan, maar daar bleek hetzelfde te zijn gebeurd en zijn hele woning bleek te zijn vernield. Na een aantal dagen op straat te hebben verbleven, is eiseres door een haar onbekende man meegenomen naar het huis van C, voor wie de man werkte. Tezamen met C en zijn vrouw D is eiseres, in het gezelschap van een tweede (blank) echtpaar, via Kenia naar Nederland gereisd. Daar hebben zij eiseres op de trein naar Zevenaar gezet.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. Er wordt geen geloof gehecht aan de door eiseres opgegeven identiteit en nationaliteit en derhalve wordt evenmin geloof gehecht aan haar asielrelaas.

Eiseres heeft toerekenbaar geen reis- en identiteitsdocumenten overgelegd en is niet in staat gebleken gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent haar reisroute af te leggen, waardoor afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres.

Voorts is uit de twee uitgevoerde taalanalyses gebleken dat de door eiseres opgegeven afkomst niet aannemelijk is. De conclusies van de taalanalyses luiden dat eiseres geen lokale taal van Soedan spreekt en geen Juba-Arabisch. Zij spreekt in een onbekende taal een aantal Swahili woorden. Dit duidt erop dat ze een taal spreekt die binnen de invloedssfeer van het Swahili valt, hetgeen wijst op een gebied buiten Soedan. Volgens taalanalist B, die zelf uit Soedan afkomstig is, komt eiseres eenduidig niet uit Soedan, maar mogelijk uit Kenia.

Hetgeen door eiseres is aangevoerd is niet voldoende voor de conclusie dat taalanalist B onvoldoende deskundig is. Er is geen sprake van tegenstrijdigheden tussen de beide taalanalyses. Taalanalist B concludeert dat eiseres waarschijnlijk Swahili spreekt. Taalanalist A concludeert ook dat eiseres een aantal woorden Swahili spreekt wanneer zij zegt Pajulu te spreken.

Taalanalist A concludeert dat eiseres mogelijk uit Oeganda en niet uit Kenia of Tanzania komt en laat zich verder terecht niet uit over haar herkomst, nu hij geen verstand heeft van de stamtaal van eiseres. Taalanalist B kan, zoals eiseres terecht stelt, niet beoordelen of eiseres afkomstig is uit Kenia, omdat hij dit baseert op de aanname dat eiseres Swahili spreekt, terwijl hij zelf geen Swahili spreekt. Ook hier is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheden en de stelling van eiseres dat uit dient te worden gegaan van de conclusie van taalanalist A kan dan ook niet worden gevolgd.

Daarbij waarborgt de wetenschappelijke werkwijze van het Bureau Taalanalyse dat de taalanalyses van goede kwaliteit en betrouwbaar zijn.

Niet is gebleken dat de gemachtigde van eiseres voldoende expertise bezit om te kunnen oordelen dat het Engels dat eiseres spreekt met een Oegandees dialect, omdat de plaats waaruit zij afkomstig is op de grens van Soedan en Oeganda ligt, een bevestiging is van haar Soedanese afkomst.

De stelling van eiseres dat het meer voor de hand had gelegen om een Bari-deskundige te benoemen dan een Dinka-deskundige, nu zij een Bari-stamtaal spreekt, kan reeds daarom niet worden gevolgd, omdat eiseres in de gelegenheid is gesteld een contra-expertise in te stellen.

2. Eiseres legt aan het beroep ten grondslag dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. De opgegeven identiteit en nationaliteit van eiseres zijn wel geloofwaardig. Het bestreden besluit is uitsluitend gebaseerd op de taalanalyses en daarmee onvoldoende gemotiveerd. Verweerder erkent dat de conclusie van taalanalist B niet deugt, omdat deze geen Swahili spreekt doch wel concludeert dat eiseres uit Kenia afkomstig is. Dit toont aan dat verweerder ten onrechte uitgaat van de gewaarborgde kwaliteit en betrouwbaarheid van de taalanalyses van het Bureau Taalanalyse. Aan de analyse van taalanalist B kan dan ook geen waarde worden gehecht.

Taalanalist A kent kennelijk de stamtaal van eiseres niet, nu hij het heeft over de taal Bajulu in plaats van Pajulu. Hij kan dan ook niet bepalen of bepaalde woorden van het Pajulu lijken op woorden in het Swahili. De omstandigheid dat eiseres volgens taalanalist A Engels spreekt met een Oegandees accent is veeleer een bevestiging van haar Soedanese afkomst, nu de plaats waaruit zij afkomstig is op de grens van Soedan en Oeganda ligt. Door analist A wordt ook niet uitgesloten dat eiseres uit Soedan afkomstig is.

Ter zitting heeft eiseres nog naar voren gebracht dat taalanalist B geen Pajulu spreekt en dat hij zich derhalve uitlaat over zaken waar hij geen verstand van heeft.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel worden bij het onderzoek naar de aanvraag de omstandigheden betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitsdocumenten dan wel ander bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

4. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder in redelijkheid aan eiseres heeft kunnen tegenwerpen dat zij geen reis- en identiteitsdocumenten heeft overgelegd en dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiseres. De rechtbank acht hiertoe in het bijzonder van belang dat blijkens bijlage vijf bij het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 17 september 2002 het dragen van een legitimatiebewijs verplicht is voor elke Sudanees van 16 jaar en ouder en dat men zich bij een controle dient te kunnen legitimeren met behulp van een paspoort of identiteitskaart. Nu eiseres heeft verklaard dat het in Soedan niet verplicht was een identiteitsdocument te hebben of bij zich te dragen, is het niet onredelijk dat verweerder eiseres onder deze omstandigheden ook ten aanzien van haar gestelde herkomst aan een verzwaarde bewijslast heeft onderworpen. Overigens heeft eiseres voornoemd standpunt van verweerder in beroep ook niet gemotiveerd bestreden.

5. Verweerder baseert de ongeloofwaardigheid van de door eiseres opgegeven identiteit en nationaliteit voorts, en met name, op de conclusies van de twee uitgevoerde taalanalyses. Derhalve dient de vraag te worden beantwoord of verweerder in redelijkheid de uitgevoerde taalanalyses ten grondslag heeft gelegd aan de conclusie dat eiseres niet uit Soedan afkomstig is.

Op grond van vaste jurisprudentie kan het uitvoeren van een taalanalyse in beginsel als een goede en geoorloofde methode worden beschouwd in het kader van het onderzoek naar de nationaliteit c.q. het land van herkomst van een vreemdeling.

In het onderhavige geval zijn twee taalanalyses verricht, te weten op 25 april 2001 door taalanalist B en op 27 april 2001 door taalanalist A. Blijkens het rapport van taalanalist A heeft deze aangegeven Engels en Swahili te spreken en is hij tot de conclusie gekomen dat het op basis van de hem verstrekte gegevens niet mogelijk is om tot een herleiding van eiseres tot een bepaalde spraak- of cultuurgemeenschap te komen. Gelet hierop kan verweerder de conclusie dat de Soedanese afkomst van eiseres niet geloofwaardig is naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid doen steunen op de uitkomst van deze taalanalyse. Ter zitting heeft verweerder overigens ook bevestigd dat de taalanalyse van taalanalist A slechts een geringe rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de aanvraag van eiseres, en dat de ongeloofwaardigheid van de nationaliteit van eiseres met name is gebaseerd op de conclusie van taalanalist B.

6. Blijkens het rapport van taalanalist B spreekt deze Engels, Dinka en Arabisch en komt hij uit Soedan. Hij concludeert dat eiseres eenduidig niet uit Soedan komt. De rechtbank stelt vast dat taalanalist B deze conclusie met name op een drietal punten heeft gebaseerd. Ten eerste constateert hij dat de informatie die eiseres verstrekt over „de inwoners van Nimule, school, gerechten en plaatsen in Zuid-Soedan niet correct is“. In het rapport van de taalanalyse is niet aangegeven waarom de door eiseres verstrekte informatie niet juist zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan evenmin worden gezegd dat uit de door eiseres over genoemde onderwerpen afgelegde verklaringen zonder meer blijkt dat die verklaringen in zoverre onjuiste informatie bevatten.

Ten tweede merkt taalanalist B op dat het niet aannemelijk is dat eiseres geen Juba-Arabisch spreekt. De taalanalist geeft evenwel niet aan waarom eiseres geacht wordt deze taal te beheersen en waarop deze aanname wordt gebaseerd. Het ontbreken van een motivering voor deze aanname doet zich te meer gevoelen, nu verweerder niet heeft bestreden dat Nimule in het uiterste zuiden van Soedan is gelegen, vlak bij de grens met Oeganda. Daarbij is ook van belang dat uit deel C8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 blijkt dat in Zuid-Soedan ook andere (streek)voertalen worden gebruikt dan het Juba-Arabisch.

Ten derde constateert taalanalist B dat eiseres tijdens de opname geen Pajulu spreekt, „zoals zij beweert“, maar dat zij spreekt (en telt) in het Swahili. Uit het rapport van de taalanalyse blijkt echter niet dat taalanalist B zelf de Pajulu taal beheerst of waar de deskundigheid van de taalanalist ten aanzien van het Pajulu op is gebaseerd. Een en ander blijkt evenmin met betrekking tot het Swahili.

Gelet op het voorgaande kan uit het rapport van de taalanalyse niet dan wel onvoldoende worden afgeleid dat taalanalist B de kwalificaties bezit om een deskundig oordeel te geven over de taalvaardigheid van eiseres in het Pajulu dan wel het Swahili en, in het verlengde daarvan, over de vraag uit welke spraak- of cultuurgemeenschap eiseres afkomstig is. De enkele mededeling van de taalanalist dat hij afkomstig is uit Soedan acht de rechtbank onvoldoende om de deskundigheid van de taalanalist, voor de specifieke onderzoeksvragen waarvoor een taalanalist zich in de onderhavige zaak ziet gesteld, te onderschrijven. De rechtbank betrekt daarbij dat verweerder ter zitting desgevraagd geen nadere informatie heeft kunnen verschaffen over de achtergrond en kwalificaties van taalanalist B.

7. In het licht van het voorgaande bevat het rapport van de taalanalyse van taalanalist B naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanknopingspunten op grond waarvan verweerder de specifieke deskundigheid van de taalanalist en de juistheid van de uitkomst van de door hem uitgevoerde taalanalyse niet zonder meer had mogen aannemen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder de conclusie dat de identiteit en nationaliteit van eiseres niet geloofwaardig is, (ook) niet in redelijkheid heeft kunnen baseren op de taalanalyse van taalanalist B.

8. Het gegeven dat eiseres geen contra-expertise heeft laten verrichten, acht de rechtbank onvoldoende om te leiden tot een ander oordeel, nu het allereerst aan verweerder is om zorg te dragen voor een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit en verweerder er derhalve voor dient te zorgen dat een taalanalyse die ten grondslag wordt gelegd aan het bestreden besluit op een zorgvuldige en inzichtelijke wijze is verricht, en dat de uitkomst van de taalanalyse wordt gedragen door de in het rapport neergelegde bevindingen. Aan die voorwaarden is in het onderhavige geval nu juist niet voldaan.

9. Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat geen geloof wordt gehecht aan de door eiseres opgegeven identiteit en nationaliteit. Deze conclusie kan immers in redelijkheid niet enkel gedragen worden door het toerekenbaar ontbreken van reis- en identiteitsdocumenten. Dit geldt te meer nu verweerder bij de beoordeling in het bestreden besluit niet heeft betrokken dat eiseres blijkens de rapporten van eerste gehoor gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over specifieke onderwerpen die haar gestelde land van herkomst betreffen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

10. Het beroep dient dan ook gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw 2000.

11. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644 ,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,--, wegingsfactor 1).

V. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. W.J. van Bennekom, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.F. Koenis, griffier en openbaar gemaakt op: 14 juli 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 14 juli 2003

Conc: HK

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.