Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1509

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-07-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
AWB 03/8942
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM / meerderjarige.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van 'more than normal emotional ties'. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg die hij nodig heeft niet geleverd kan worden door een ander dan zijn moeder. Van belang hierbij is dat eiser zijn stelling dat de kennis, zijn zus en zijn twee ooms, die in Marokko wonen, niet voor hem kunnen zorgen, niet heeft onderbouwd. De verklaring van eiser ter zitting dat hij deze stelling niet kan onderbouwen, omdat de desbetreffende personen geen verklaring wensen af te leggen als gevolg van de schaamtecultuur die in Marokko heerst, is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

Door eiser zijn voorts geen andere factoren aan de orde gesteld die zouden moeten leiden tot bescherming van het familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft derhalve kunnen volstaan met nagaan of er sprake was van 'more than normal emotional ties'. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 03/8942 MVV

inzake: A, geboren op [...] 1982, van Marokkaanse nationaliteit, wonende in Marokko, eiser,

gemachtigde: mr. R.T.P. Jacobs, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. M.J. Kroeze, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. De heer B, verder te noemen referent, heeft op 27 juli 2001 bij de korpschef van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland verzocht om een ambtshalve advies omtrent de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) ten behoeve van eiser met als doel „verblijf bij vader B“. De korpschef heeft op 21 mei 2002 een negatief advies afgegeven aan de Visadienst. De Visadienst heeft dit advies op 19 juli 2002 overgenomen, waarmee ambtshalve een beslissing is genomen omtrent de afgifte van de gevraagde mvv. Tegen deze beslissing is namens eiser bij bezwaarschrift van 12 augustus 2002 bezwaar gemaakt. De gronden van het bezwaar zijn ingediend bij brief van 29 augustus 2002. Het bezwaar is bij besluit van 21 januari 2003 ongegrond verklaard.

2. Bij beroepschrift van 11 februari 2003 is namens eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft partijen meegedeeld het beroep versneld te zullen behandelen. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 11 maart 2003. Op 2 april 2003 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. Eiser heeft zijn standpunt nog nader onderbouwd bij brief van 4 juni 2003. In het verweerschrift van 5 juni 2003 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2003. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Voorts was referent ter zitting aanwezig, alsmede de moeder van eiser en de heer C, een broer van referent, die fungeerde als tolk.

II. FEITEN

In dit geding gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.

1. Bij besluit van 26 februari 2001 is het verzoek van referent om een ambtshalve advies omtrent de afgifte van een mvv ten behoeve van eiser met als doel „verblijf bij vader B“ afgewezen. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 9 juli 2001 ongegrond verkaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2. Uit de door eiser overgelegde medische verklaringen van 5 augustus 2002 en 11 september 2002 blijkt dat eiser van 30 januari 1999 tot 11 februari 1999 in het ziekenhuis heeft gelegen als gevolg van een verkeersongeval. Hij heeft in een coma gelegen en lijdt aan een hersenschudding. Er zijn een cerebrale kneuzing en een hersenbloeding waargenomen. Eiser heeft last van geheugenstoornis, gebrek aan concentratie, slaaploosheid, karakterstoornis en verschijnselen van evenwichtsstoornis. Hij is afhankelijk van de zorg van familie, met name die van zijn moeder.

Bij verklaring van 5 mei 2003 hebben achttien getuigen verklaard dat eiser lijdt aan een geestelijke stoornis en zinsverbijstering, hij is gestoord en niet in staat onderscheid te maken tussen wat schadelijk en wat nuttig is. Zijn geestelijke toestand vereist zorg voor hem te bieden en op hem te letten. Deze toestand duurt voort tot op heden.

3. Referent verblijft in ieder geval sedert maart 1996 in Nederland en is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit. Referent en de moeder van eiser hebben zeven kinderen. Drie van deze kinderen hebben een verblijfsvergunning met als doel „verblijf bij echtgenoot“. De moeder en twee andere kinderen verblijven sedert 4 oktober 2002 in Nederland en zijn in het bezit van een verblijfsvergunning met als doel „verblijf bij de heer B“. Een zus van eiser woont met haar gezin in Marokko.

III. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor verlening van de gevraagde mvv. Er is geen sprake van zeer bijzondere individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat achterlating van eiser in Marokko een schrijnende situatie zou opleveren. Nog afgezien van de vraag of de overgelegde stukken aantonen waaraan eiser lijdt, is de situatie dat eiser lijdt aan de gevolgen van een verkeersongeluk op zichzelf geen reden om aan hem verblijf hier te lande toe te staan. Hetzelfde geldt voor het feit dat een groot deel van zijn familie hier woont. Het is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de kennis van de familie, waar eiser momenteel verblijft, dan wel de zus van eiser of één van zijn ooms niet voor hem kan zorgen in Marokko.

Er is geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is niet gebleken van ‘more than normal emotional ties’. Er is in ieder geval geen sprake van inmenging in het gezinsleven en niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Marokko uit te oefenen.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte de gevraagde mvv heeft geweigerd. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd.

Het verblijf van eiser bij de buurman van de familie is van tijdelijke aard. De kinderen van de buurman accepteren de aanwezigheid van eiser niet. Ingevolge de opgelopen hersenschade kan eiser geen school volgen, niet zelfstandig functioneren en is hij afhankelijk van zijn familie.

Gelet op de omstandigheden in het onderhavige geval, is de eis van verweerder dat door middel van objectief bewijs dient te worden aangetoond dat eiser niet langere tijd bij de buurman, zijn zus of een van zijn ooms kan verblijven, onredelijk.

Eiser heeft door de medische verklaringen en de getuigenverklaringen aannemelijk gemaakt dat er sprake is van ‘more than normal emotional ties’. Het gegeven dat hij tijdelijk kon worden opgevangen door de buurman met financiële steun van referent, kan niet leiden tot het oordeel dat eiser kan voorzien in zijn eigen levensonderhoud dan wel dat er geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser naar voren gebracht dat de buurman inmiddels niet meer voor eiser zorgt en dat eiser her en der in het dorp woont. Het is vanwege de schaamtecultuur in Marokko niet mogelijk om verklaringen te krijgen dat de buurman, de zus of de ooms van eiser niet voor hem willen zorgen.

IV. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Een aanvraag tot het verlenen van een mvv wordt getoetst aan dezelfde criteria als een aanvraag om een vergunning tot verblijf. Blijkens artikel 13 van de Vw 2000 geldt daarbij als uitgangspunt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 14, tweede lid, onder a, van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning als bedoeld in dat artikel verleend onder beperkingen, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan. Aan de vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de beperkingen en voorschriften.

4. Ingevolge artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid van een Nederlander of van een vreemdeling met rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000, dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien de vreemdeling naar het oordeel van de Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven en de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van de Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

5. In hoofdstuk B2/8.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is neergelegd dat de verblijfsvergunning niet wordt verleend, indien de achterlating van het gezinslid in het land van herkomst geen onevenredige hardheid betekent. In het algemeen kan die onevenredigheid slechts aanwezig zijn, indien sprake is van een of meer bijzondere individuele omstandigheden, die bovendien tot gevolg hebben dat de achterlating van de vreemdeling in het land van herkomst een schrijnende situatie zou opleveren.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het achterlaten van hem een onevenredige hardheid zou betekenen. Niet is gebleken van zeer bijzondere individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat achterlating een schrijnende situatie zou opleveren. Uit het procesdossier inzake eiser blijkt dat er ten aanzien van hem sprake is van medische problematiek en dat hij als gevolg daarvan afhankelijk is van de zorg van anderen. Uit de overgelegde verklaringen kan echter niet worden afgeleid welke problemen eiser exact heeft en dat de benodigde verzorging niet kan worden geboden door iemand anders dan zijn moeder. Eiser heeft gesteld dat de kennis, die voor hem heeft gezorgd in Marokko, zijn zus en zijn twee ooms, die in Marokko wonen, niet voor hem kunnen zorgen. Deze stelling heeft eiser echter niet onderbouwd. De verklaring van eiser ter zitting dat hij deze stelling niet kan onderbouwen, omdat de desbetreffende personen geen verklaring wensen af te leggen als gevolg van de schaamtecultuur die in Marokko heerst, behoefde naar het oordeel van de rechtbank voor verweerder geen aanleiding te vormen om schrijnende omstandigheden aan te nemen.

7. De rechtbank is voorts met verweerder van oordeel dat er geen sprake is van schending van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat niet is gebleken van ‘more than normal emotional ties’. Hiertoe overweegt de rechtbank dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de zorg die hij nodig heeft niet geleverd kan worden door een ander dan zijn moeder. Door eiser zijn voorts geen andere factoren aan de orde gesteld die zouden moeten leiden tot bescherming van het familie- en gezinsleven op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft derhalve kunnen volstaan met nagaan of er sprake was van ‘more than normal emotional ties’.

8. Op grond van het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

9. Van omstandigheden op grond waarvan verweerder het griffierecht zou moeten vergoeden dan wel een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten, is de rechtbank niet gebleken.

V. BESLISSING

De rechtbank

verklaart het beroep ongegrond.

Gewezen door mr. F. Salomon, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.F. Koenis, griffier en openbaar gemaakt op: 15 juli 2003

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 15 juli 2003

Conc.: HK

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.