Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1505

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-06-2003
Datum publicatie
27-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/21405
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omvang geschil.

Eerst ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder ten aanzien van Ivoorkust een categoriaal beschermingsbeleid dient te voeren. In het verlengde daarvan had verweerder eiser een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d, Vw 2000 moeten verlenen. Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 8:69 Awb met zich dat de omvang van het geschil niet op deze wijze alsnog kan worden uitgebreid tot een geheel andere toelatingsgrond. Hetgeen dienaangaande namens eiser is aangevoerd wordt dan ook buiten beschouwing gelaten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

ZITTINGHOUDENDE TE 'S-HERTOGENBOSCH

sector bestuursrecht

enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

UITSPRAAK

Zaaknummer: AWB 02/21405

Datum uitspraak: 13 juni 2003

Uitspraak op het beroep in het geschil tussen:

A, hierna te noemen: eiser,

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Maastricht,

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te 's-Gravenhage, hierna te noemen: verweerder.

I. PROCESVERLOOP

Op 25 september 2001 heeft eiser, van Ivoriaanse nationaliteit, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Verweerder heeft op 29 januari 2002 eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Daarop heeft eiser zijn zienswijze schriftelijk naar voren gebracht.

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft verweerder, voor zover hier van belang, de asielaanvraag afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij schrijven van 12 maart 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 22 april 2003, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is ter zitting vertegenwoordigd door mr. D. Dekkers, ambtenaar ten departemente.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is de vraag of het besluit van 11 maart 2002, voor zover dit strekt tot afwijzing van de asielaanvraag, in rechte stand kan houden.

Ter onderbouwing van zijn aanvraag en beroep heeft eiser het volgende aangevoerd.

Eiser is afkomstig uit Abidjan gelegen in de Ivoorkust. Eiser woonde samen met zijn oom. Op 24 oktober 2000 bevond eiser zich in zijn slaapkamer en hoorde geluiden in de woonkamer. Eiser opende de slaapkamerdeur en zag vier mannen in burgerkleding in de woonkamer. Zijn oom lag in de woonkamer op de grond. Er lag bloed op de vloerbedekking. Eiser vluchtte via het raam in zijn slaapkamer en is door de mannen achtervolgd en uiteindelijk gepakt. Eiser werd door de mannen geblinddoekt en naar een cel in een kamp gebracht. Tijdens zijn detentie moest eiser onkruid wieden en vrachtwagens lossen. Op een onbekende dag in juli 2000 werd eiser door een voor hem onbekende chauffeur van een vrachtwagen geholpen om te ontsnappen. De chauffeur heeft hierover overleg gehad met een bewaker. Eiser is door de chauffeur naar een onbekende plaats met een kleine boot naar een schip gebracht. Eiser heeft hierop het land van herkomst verlaten.

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning vormen. Die afwijzing is gebaseerd op het bepaalde in het eerste lid in samenhang met het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder f, van artikel 31 van de Vw 2000.

De rechtbank overweegt als volgt.

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 kan worden verleend in de in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gevallen.

Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat eiser, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan eiser de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State behoort de vaststelling of en in hoeverre bij de beoordeling van de asielaanvraag wordt uitgegaan van de door de vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die vaststelling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De rechtbank dient zich dan ook bij haar oordeel over de geloofwaardigheid van het asielrelaas van een vreemdeling te beperken tot het oordeel of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas niet geloofwaardig is.

Uit voornoemde jurisprudentie kan voorts worden opgemaakt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de oprechtheid van een vreemdeling en de geloofwaardigheid van het asielrelaas op voorhand is aangetast indien een vreemdeling niet aannemelijk kan maken dat het ontbreken van reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, niet aan hem is toe te rekenen.

De rechtbank tekent hierbij aan dat het ontbreken van documenten op zichzelf geen grond vormt voor niet-inwilliging van de aanvraag op grond van artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000. De afwijzingsgrond genoemd in dit artikellid kan uitsluitend worden toegepast na een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag. Immers, blijkens hoofdstuk C1/5.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zal het toerekenbaar ontbreken van documenten steeds in de context van het totale feitencomplex moeten worden beschouwd.

Verweerder heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat eiser geen documenten heeft overgelegd om zijn identiteit en nationaliteit te kunnen vaststellen. Volgens verweerder moet de reden welke is aangevoerd voor het feit dat er geen documenten zijn overgelegd, namelijk dat eiser gewoon geen documenten in zijn bezit had, als volstrekt ontoereikend van de hand worden gewezen, nu immers uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 7 september 2001 blijkt dat de Ivoorkust een identificatieplicht kent vanaf de leeftijd van zestien jaar.

Verweerder heeft er voorts op gewezen dat eiser geen enkel formeel dan wel indicatief bewijs heeft overgelegd om de door hem gestelde reisroute te kunnen vaststellen. Evenmin is het reisverhaal aannemelijk gemaakt door het afleggen van gedetailleerde en verifieerbare verklaringen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten hem niet kan worden toegerekend. Evenzeer heeft verweerder eiser in redelijkheid kunnen tegenwerpen dat hij geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen heeft afgelegd over de gestelde reisroute. Derhalve is op voorhand twijfel ontstaan aan de oprechtheid van eiser en is afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van het asielrelaas.

Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat aan de oprechtheid van eiser en de geloofwaardigheid van het relaas in verdergaande mate afbreuk wordt gedaan omdat eiser op essentiële punten vage en summiere verklaringen heeft afgelegd terwijl, gelet op de aard van deze aspecten, niet geloofwaardig wordt geacht dat eiser hierover zo weinig weet. In dit verband heeft er verweerder op gewezen dat eiser uitermate vage en summiere verklaringen heeft afgelegd over zijn naaste familieleden en zijn adresgegevens in zijn land van herkomst. Zo weet eiser de geboorteplaatsen, geboortedata en zelfs de naam van zijn ouders niet te noemen. Eisers verklaring dat zijn oom niet over zijn ouders wilde praten bevreemd verweerder omdat niet valt in te zien dat de oom van eiser de identiteitsgegevens van diens ouders voor hem zou achterhouden. Voorts weet eiser niet of hij op het adres van zijn oom stond ingeschreven. Bovendien heeft verweerder er op gewezen dat eiser slechts vage en summiere verklaringen over zijn exacte adresgegevens en zijn woonomgeving in Abidjan kan geven. Zo kan eiser niet aangeven waar zijn woning ten opzichte van de apotheek en de winkel in levensmiddelen is gelegen. Evenmin kan eiser de namen van de buren noemen. In dit verband heeft verweerder eveneens meegewogen dat eiser is gewezen op het feit dat hij summiere verklaringen omtrent zijn woonomgeving heeft afgelegd. Ten aanzien hiervan heeft eiser aangevoerd dat hij getracht heeft zoveel mogelijk informatie omtrent zijn leefomgeving te verschaffen. Hij heeft zo goed mogelijk gepoogd uit te leggen waar zijn huis ten opzichte van de apotheek lag. Deze verklaring acht verweerder volstrekt ontoereikend voor de gestelde vage en summiere verklaringen nu eiser heeft verklaard dat hij vanaf zijn geboorte tot aan de dag van zijn gevangenneming in bovengenoemde wijk heeft gewoond en verbleven.

Voorts heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser omtrent zijn arrestatie en detentie eveneens vaag en summier zijn. Zo kan eiser niet vertellen door wie hij op 24 oktober 2000 werd meegenomen. Voorts weet eiser niet waar hij in detentie werd gehouden. Tevens heeft verweerder er op gewezen dat het bevreemding wekt dat eiser het kamp alwaar hij heeft moeten verblijven niet kan beschrijven en evenmin weet onder wiens leiding het kamp stond. Dit klemt te meer gezien de omstandigheid dat eiser heeft verklaard dat hij buiten zijn cel onkruid heeft moeten wieden en enkele malen vrachtwagens diende te lossen. Bovendien heeft eiser verklaard dat hij enkele maanden in het kamp heeft moeten verblijven zodat, in de visie van verweerder, in alle redelijkheid van eiser verwacht mag worden dat hij meer informatie kan verstrekken over het kamp. Eisers verklaring dat hij door gemaskerde mannen werd meegenomen zodat hij niet veel over de achtergrond van deze mensen kan verklaren en de verklaring dat het een en ander eiser pas duidelijk werd in het kamp, waarvan hij een tekening heeft gemaakt, acht verweerder volstrekt ontoereikend omdat niet valt in te zien waarom eiser zelfs niet middels de zienswijze meer informatie kan verschaffen over door wie, waarom en waar hij gevangen werd gehouden. Immers, nu eiser heeft verklaard dat een en ander hem duidelijk werd in het kamp alwaar hij van

24 oktober 2000 tot een voor hem onbekende datum in juli 2001 in het kamp heeft moeten verblijven mag in alle redelijkheid worden verwacht dat hij meer informatie kan verstrekken over het kamp. Door eiser kan in alle redelijkheid niet worden volgehouden dat de door hem gemaakte tekening meer duidelijkheid verschaft.

Tenslotte heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de wijze waarop eiser stelt te zijn ontsnapt niet geloofwaardig is. Hiertoe heeft verweerder er op gewezen dat niet valt in te zien dat een chauffeur, waarover hij totaal geen informatie kan geven en die hij slechts een maal eerder heeft gezien, hem - na overleg met een bewaker - helpt te ontsnappen. Bovendien acht verweerder het bevreemdend dat eiser, die stelt dat hij in het kamp veel mannen in militaire kleding zag rondlopen, zonder noemenswaardige problemen door de chauffeur op de grond in een zeil wordt gerold, in de vrachtwagen wordt getild en kan ontsnappen.

Marginaal toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder met het voorgaande - in onderlinge samenhang bezien - voldoende steekhoudende argumenten heeft aangedragen om het asielrelaas van eiser niet aannemelijk te achten.

Hetgeen overigens is aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.

Gezien het voorgaande komt eiser niet in aanmerking voor toelating op de in artikel 29, eerste lid, onder a. of b. van de Vw 2000 genoemde gronden.

Namens eiser is in de zienswijze, waarnaar in het beroepschrift is verwezen, tevens aanspraak gemaakt op toelating op humanitaire gronden, derhalve op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder c. van de Vw 2000. Ter zitting is in dit verband gewezen op verweerders traumatabeleid.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de aannemelijkheid van eisers asielrelaas behoefde verweerder evenmin aanleiding te zien om eiser op deze grond in aanmerking te brengen voor toelating.

Ter zitting is namens eiser gesteld dat verweerder een categoriaal beschermingsbeleid dient te voeren ten aanzien van Ivoorkust en dat verweerder in het verlengde daarvan eiser in een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder d. van de Vw 2000 had moeten verlenen.

De rechtbank stelt vast, dat noch in het beroepschrift, noch in de procedure voorafgaand aan het bestreden besluit aanspraak is gemaakt op toelating op de zojuist vermelde grond. Naar het oordeel van de rechtbank brengt artikel 8:69 van de Awb met zich dat de omvang van het geschil niet op deze wijze alsnog kan worden uitgebreid tot een geheel andere toelatingsgrond. Hetgeen dienaangaande namens eiser is aangevoerd wordt dan ook buiten beschouwing gelaten.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat het beroep ongegrond is.

Voor een veroordeling van één der partijen in de door de andere partij gemaakte kosten bestaat geen aanleiding.

Mitsdien wordt beslist als volgt.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. E.H.B.M. Potters als rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van B.C.T. Rabou-Coort als griffier op13 juni 2003.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

Postbus 16113

2500 BC 's-Gravenhage

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 Vw bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.

Afschriften verzonden: 18 juni 2003