Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1499

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-06-2003
Datum publicatie
26-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/25541 e.v.
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Traumatabeleid / limitatieve opsomming.

Verweerder had dienen te toetsen aan het traumatabeleid zoals neergelegd in werkinstructie 31. In hoofdstuk C1/4.2.1 Vc 2000 is vermeld dat het om een limitatieve lijst van gebeurtenissen gaat. Uit de formulering van werkinstructie 31 kan niet worden afgeleid dat daarin een limitatieve opsomming van traumatische ervaringen wordt gegeven, gezien de passage "Traumatische ervaringen die aanleiding kunnen geven tot verlening van een vtv". Verweerder heeft niet gesteld, noch is het de rechtbank ambtshalve bekend, dat verweerder het beleid heeft gevoerd dat bij de beoordeling van de toepasselijkheid van het traumatabeleid van werkinstructie 31 is uitgegaan van een limitatieve opsomming. Eerst in TBV 2001/2 is sprake van een limitatieve opsomming. Derhalve zijn de bestreden besluiten onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank 's-Gravenhage

nevenzittingsplaats Alkmaar

enkelvoudige kamer

voorzieningenrechter

U I T S P R A A K

artikelen 8:70 en 8:84 Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg.nrs.: AWB 02/25541 OVERIO en AWB 02/25548 OVERIO (beroep)

AWB 01/6749 OVERIO en AWB 01/6750 OVERIO (voorlopige voorziening)

inzake: A, geboren op [...] 1972, van Armeense nationaliteit, en B, geboren op [...] 1979, van Armeense nationaliteit, mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen, eisers/verzoekers, hierna te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder, gemachtigde: drs. P.E.G. Heijdanus Meershoek, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

I. Procesverloop

1. Op 2 mei 2000 hebben eisers aanvragen om toelating als vluchteling ingediend. Bij besluiten van 2 oktober 2000 (uitgereikt op 7 december 2000) heeft verweerder de aanvragen om toelating als vluchteling niet ingewilligd vanwege kennelijke ongegrondheid en heeft verweerder ambtshalve beslist geen aanleiding te zien om vergunningen tot verblijf vanwege klemmende redenen van humanitaire aard te verlenen. Bij bezwaarschrift van 14 december 2000 hebben eisers tegen deze besluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is niet achterwege zal blijven. Namens eisers is bij verzoekschrift van 25 januari 2001 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het bezwaar.

2. De aanvragen zijn op grond van artikel 117 Vw 2000 aangemerkt als aanvragen tot verlening van verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Verweerder heeft bij besluiten van 2 april 2002 het bezwaar ongegrond verklaard.

3. Bij beroepschrift van 4 april 2002 hebben eisers tegen laatstgenoemde besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 8 april 2002 is het petitum van het verzoekschrift gewijzigd. Thans wordt verzocht een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brieven van 1 mei 2002, 17 juni 2002, 13 december 2002 en 24 april 2003. Op 16 mei 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 mei 2003. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig M. Abrahamian, tolk Armeens en S. Coban, gezinsvoogd. Het onderzoek ter zitting is geschorst en het vooronderzoek is hervat teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verschaffen. Verweerder heeft hiervan gebruik gemaakt bij faxbericht van 11 juni 2003. De gemachtigde van eisers heeft zijn reactie gegeven. Vervolgens is het onderzoek, met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, Awb, gesloten.

II. Feiten

1. De aanvragen hebben mede betrekking op de kinderen C, geboren op [...] 1997 en D, geboren op [...] 1998. Deze kinderen zijn door de rechtbank Rotterdam onder toezicht gesteld van Stichting Nidos, onder aanwijzing van S. Coban tot gezinsvoogd.

2. Eisers hebben eerder, op 5 augustus 1997, aanvragen om toelating als vluchteling gedaan en verzocht om vergunningen tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. De afwijzende beschikkingen hierop van 29 september 1997 zijn met de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 20 augustus 1998 met de nummers AWB 98/518 VRWET en AWB 98/158 VRWET in rechte onaantastbaar geworden.

3. Eisers hebben verweerder bij brief van 15 oktober 1998 verzocht om, met toepassing van artikel 25 Vw 1965, de uitzetting achterwege te laten wegens de medische toestand van eiseres. Verweerder heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) bij brief van 26 februari 1999 verzocht om advies terzake. Het BMA heeft zijn advies uitgebracht bij nota van 6 december 1999. Op het verzoek om toepassing van artikel 25 Vw 1965 is tot op heden niet beslist.

4. De evenvermelde nota van het BMA bevindt zich onder de gedingstukken. In de nota melden R.M. Mohanlal en R.J. van den Oever, artsen, - zakelijk weergegeven - het volgende. Medisch gezien lijdt eiseres aan angst- en spanningsklachten met psychotische overschrijdingen, passend bij een posttraumatische stress-stoornis (ptss), type chronisch. Eiseres staat voor genoemde klachten onder behandeling. Deze klachten kunnen niet behandeld worden in het land van herkomst. Het uitblijven van de behandeling zal op korte termijn leiden tot een acute medische noodsituatie. Eiseres is, medisch gezien, in staat om te reizen.

III. Standpunten partijen

1. Eisers hebben aan het beroep ten grondslag gelegd dat zij in aanmerking komen voor verblijfsvergunningen voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000. Daarnaast hebben zij naar voren gebracht dat verweerder eisers had moeten horen, alvorens op het bezwaar te beslissen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers niet in aanmerking komen voor de gevraagde verblijfsvergunningen. Daartoe heeft verweerder het volgende redengevend geacht. De aanvragen om toelating als vluchteling zijn niet ingewilligd omdat de gezondheidstoestand van eiseres niet is te herleiden tot een der gronden van het Vluchtelingenverdrag. Nu eisers in bezwaar geen gronden hebben aangevoerd met betrekking tot vluchtelingschap, wordt volstaan met verwijzing naar hetgeen hieromtrent is overwogen in de besluiten in primo. In deze besluiten is volstaan met een verwijzing naar de eerdere beslissingen van 29 september 1997. Voorts hebben eisers geen concrete redenen aangetoond, gelegen in hen persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat voor hen bij terugkeer een reëel gevaar bestaat op een zodanige behandeling dat verwijdering naar het land van herkomst in strijd zou zijn met artikel 3 EVRM. Eisers hebben zich in bezwaar niet beroepen op artikel 3 EVRM, zodat verweerder volstaat met verwijzing naar hetgeen hieromtrent is gesteld in de besluiten in primo waarin is verwezen naar de in de eerdere procedure genomen beslissingen van 29 september 1997.

Met betrekking tot het traumatabeleid is er weliswaar sprake van nieuw gebleken feiten of omstandigheden, doch niet is gebleken van feiten en omstandigheden die behoren te leiden tot toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000. Eisers worden gevolgd in hun stelling dat niet onaannemelijk is dat eiseres wegens de gestelde gebeurtenissen in Armenië getraumatiseerd is geraakt. Zowel in de - inmiddels niet meer van kracht zijnde - Werkinstructie 31 als in hoofdstuk C1/4.4.2 Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is een limitatieve lijst opgenomen van gebeurtenissen die aanleiding kunnen zijn tot toelating op grond van het traumatabeleid. De door eisers gestelde problemen zijn niet te herleiden tot een dezer gebeurtenissen. Voor wat betreft de medische stukken die zijn ingediend na de tweede aanvraag geldt dat uit het onderzoek van het BMA niet is gebleken van een verband tussen de medische klachten en het asielrelaas.

Verweerder heeft van het horen van eisers afgezien op grond van artikel 32, tweede lid, Vw 1965, terwijl het horen evenmin wordt gevorderd door de zorgvuldigheid.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat hetgeen eisers hebben aangevoerd niet als nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb kunnen worden beschouwd.

IV. Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Ingevolge artikel 13 Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

2. Op grond van artikel 29, eerste lid, Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

3. Artikel 31, eerste lid, Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

4. Ingevolge artikel 1, onder l, Vw 2000 wordt onder verdragsvluchteling verstaan: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (het Vluchtelingenverdrag). Ingevolge artikel 1(A)-2 Vluchtelingenverdrag worden als vluchteling aangemerkt vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waar zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging wegens ras, godsdienstige of levensbeschouwelijke overtuiging, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep.

5. Indien de vreemdeling concrete redenen, gelegen in zijn persoonlijke feiten of omstandigheden, heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst het reële risico loopt te worden onderworpen aan een behandeling bedoeld in artikel 3 EVRM, te weten foltering dan wel een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, dient verweerder hiertegen ingevolge vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de rechten van de mens bescherming te bieden.

6. Het onderhavige beroep betreft de afwijzing van een tweede asielaanvraag. Aan de orde is derhalve de vraag of de aan de aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden als nieuw gebleken feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 Awb moeten worden beschouwd. De rechtbank ziet aanleiding om hierbij verweerders beslissingen inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, Vw 2000 afzonderlijk te toetsen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft beslist dat eisers geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden hebben aangevoerd met betrekking tot de eerdere beslissingen omtrent toelating als vluchteling. Verweerder heeft derhalve naar het oordeel van rechtbank met betrekking tot de beslissingen inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 kunnen volstaan met een verwijzing naar hetgeen hieromtrent is beslist in deze eerdere besluiten van 29 september 1997.

8. Met betrekking tot artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte gesteld dat eisers zich in bezwaar niet hebben beroepen op artikel 3 EVRM.

Weliswaar hebben eisers zich niet expliciet beroepen op artikel 3 EVRM, doch hun gemachtigde heeft in zijn brief van 4 januari 2001, die de gronden van het bezwaar bevat, het BMA-rapport aangevoerd. Uit dit rapport komt naar voren dat sprake zal zijn van een acute medische noodsituatie bij terugzending naar het land van herkomst, alwaar geen behandeling voor de medische problemen van eiseres voorhanden is. Verweerder diende de naar voren gebrachte omstandigheden te beoordelen in het kader van artikel 3 EVRM nu het BMA-rapport dateert van 6 december 1999 en derhalve niet kan worden gezegd dat het rapport in de eerdere procedure had kunnen worden ingebracht en de in dit rapport neergelegde bevindingen nieuw gebleken feiten en omstandigheden in de zin van artikel 4:6, eerste lid, Awb bevat. Verweerder heeft derhalve ten onrechte verwezen naar zijn beslissingen in primo inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 waarin is volstaan met een verwijzing naar de eerder besluiten van 29 september 1997 en is ten onrechte niet ingegaan op hetgeen eisers in bezwaar naar voren hebben gebracht. De bestreden besluiten zijn derhalve onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd. Verweerder zal, in het kader van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000 een inhoudelijk oordeel dienen te geven over de eventuele acute medische noodsituatie waarin eiseres in Armenië kan komen te verkeren als gevolg van de omstandigheid dat daar geen mogelijkheid van behandeling van eiseres bestaat.

9. Voor zijn beslissingen inzake artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw 2000 heeft verweerder in de bestreden besluiten naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd. Deze betreffen de in het BMA-rapport (dat dateert van na de eerste procedure) neergelegde bevindingen, waaronder de vaststelling dat eiseres lijdt aan ptss. Nu verweerder is gekomen tot een inhoudelijke beoordeling met betrekking tot het traumatabeleid zal de rechtbank de bestreden besluiten, gelet op de nieuw gebleken feiten en omstandigheden, inhoudelijk beoordelen.

10. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij zijn toetsing aan het traumatabeleid in de bestreden besluiten ten onrechte verwezen naar de Vc 2000. Blijkens het Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire (TBV) 2001/2 is Werkinstructie 31 van kracht geweest tot de dag van inwerkingtreding van TBV 2001/2, zijnde 6 februari 2001. Gelet op de datum van de aanvragen (2 mei 2000) had verweerder naar het oordeel van de rechtbank de aanvragen dienen te toetsen aan het beleid zoals neergelegd in Werkinstructie 31. Nu verweerder dit heeft nagelaten, zijn de bestreden besluiten ondeugdelijk gemotiveerd. Gelet hierop is het beroep gegrond.

11. Verweerder heeft gesteld dat het traumatabeleid in Werkinstructie 31 en het traumatabeleid in hoofdstuk C1/4.2.2 Vc 2000 identiek zijn. In de visie van verweerder zou het geen verschil uitmaken of het ene, dan wel het andere traumatabeleid is toegepast. Naar het oordeel van de rechtbank is dit standpunt ondeugdelijk gemotiveerd. In C1/4.2.1 Vc 2000 is vermeld dat het om een limitatieve lijst van gebeurtenissen gaat. Uit de formulering van Werkinstructie 31 kan niet worden afgeleid dat daarin een limitatieve opsomming van traumatische ervaringen wordt gegeven, gezien de aanduiding "Traumatische ervaringen die aanleiding kunnen geven tot verlening van een vtv". Verweerder heeft niet gesteld, noch is het de rechtbank ambtshalve bekend, dat verweerder het beleid heeft gevoerd dat bij de beoordeling van de toepasselijkheid van het traumatabeleid van Werkinstructie 31 is uitgegaan van een limitatieve opsomming. Eerst in TBV 2001/2 is sprake van een limitatieve opsomming. Het standpunt van verweerder dat Werkinstructie 31 een limitatieve opsomming van traumatische ervaringen bevat is derhalve ondeugdelijk gemotiveerd. Nu de bestreden besluiten verwijzen naar Werkinstructie 31 zijn daarmee ook de bestreden besluiten op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Ook hierom is het beroep gegrond.

12. Gelet op het hiervoor overwogene heeft verweerder, gelet op artikel 32 Vw 1965, ten onrechte geen schorsende werking verleend aan het bezwaar en is er ten onrechte van afgezien eisers te horen. Overigens is de omstandigheid dat eisers niet zijn gehoord, gelet op de met een BMA-rapport onderbouwde medische omstandigheden en het aanzienlijke tijdsverloop sinds de aanvraag, tevens in strijd met de zorgvuldigheid.

13. Het voorgaande brengt mee dat de bestreden besluiten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen en ondeugdelijk zijn gemotiveerd. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Het beroep zal gegrond worden verklaard en de bestreden besluiten zullen worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2, 7:3 en 7:12 Awb.

14. Nu verweerder geen schorsende werking aan het bezwaar heeft verleend, en bij de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar op grond van artikel 118, tweede lid, Vw 2000 het procedurele recht moet worden toegepast zoals dat gold voor 1 april 2001, ziet de rechtbank aanleiding om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, Awb, zoals per 1 april 2002 gewijzigd bij de Eerste Evaluatiewet Awb (Stb. 2002, 53), een voorziening te treffen als in het dictum vermeld.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening

15. De gevraagde voorziening strekt er toe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep beslist.

Ten aanzien van de voorlopige voorziening en het beroep

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het beroep en het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten zijn begroot op € 966,- als kosten van verleende rechtsbijstand.

17. Op grond van het bepaalde in artikel 8:74 Awb en artikel 8:82, vierde lid, Awb wijst de voorzieningenrechter de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon ter vergoeding van het door verzoeker A betaalde griffierecht.

V. Beslissing

De rechtbank:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt de bestreden besluiten;

3. bepaalt dat verweerder binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. bepaalt dat verweerder wordt verboden eisers uit Nederland te (doen) verwijderen zolang niet opnieuw is beslist op het bezwaar;

5. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644 ,- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

De voorzieningenrechter:

7. wijst het verzoek af;

8. veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 322,- (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier;

9. bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan verzoeker A het griffierecht ad € 22,69 (zegge: tweeëntwintig euro en negenenzestig cent) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2003, door mr. M. Lolkema, lid van de enkelvoudige kamer, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Huisman als griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Afschrift verzonden op: 02 juli 2003