Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-07-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/43518
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid asielrelaas / ontbreken documenten / reisroute.

Nu de aanvraag van eiser onder toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw 2000 is afgewezen omdat eiser ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de reisroute en zijn relaas dient de rechtbank zich daaromtrent -in het licht van het in de ABRS-uitspraak van 27 januari 2003 gegeven toetsingskader- een oordeel te vormen.

Allereerst merkt de rechtbank op dat de Afdeling in haar uitspraak waarin zij is gekomen tot dit toetsingskader, is uitgegaan van de situatie waarin verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van één asielzoeker heeft beoordeeld. Onderhavige zaak is in die zin anders dat niet het relaas van één eiser door verweerder is beoordeeld op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid maar dat verweerder het relaas van eiser heeft vergeleken met en beoordeeld aan de hand van de relazen en de verklaringen van eisers moeder en zijn broer, welke verklaringen deels op verschillende momenten en door verschillende contactambtenaren zijn afgenomen waarbij bovendien niet steeds exact dezelfde vragen zijn gesteld. De rechtbank acht van belang om vast te stellen dat bij een dergelijke vergelijking van drie relazen van drie verschillende asielzoekers onderlinge tegenstrijdigheden, onduidelijkheden, ongerijmdheden en het op sommige punten onvermeld laten van feiten en gebeurtenissen die door een ander wel worden vermeld, eerder zullen voorkomen en eerder verklaarbaar zijn dan bij de beoordeling van het relaas van slechts één asielzoeker op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid. De rechtbank tekent hierbij aan dat nu een deel van de verklaringen gaat over gebeurtenissen die geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden (mei 1994), het niet onaannemelijk is dat op het niveau van bepaalde bijzonderheden tegenstrijdigheden (zijn gaan) bestaan tussen de relazen van eiser, zijn moeder en zijn broer.

Gelet op de omstandigheid dat de relazen van eiser en die van zijn moeder en broer niet alleen op hoofdlijnen maar ook op het niveau van de relevante bijzonderheden onderling een grote mate van consistentie vertonen, de relazen evenmin kunnen worden aangemerkt als innerlijk tegenstrijdig en de relazen voorts passen in het algemene beeld van Somalië, heeft verweerder op grond van de in het voornemen genoemde punten niet in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/419

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

zittinghoudende te Utrecht

Reg.nr.: AWB 02/43518 BEPTDN

UITSPRAAK van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van vreemdelingenzaken, inzake het beroep van:

A, geboren op [...] 1969, van Somalische nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. J.M. Langenberg, advocaat te Utrecht,

tegen een besluit van

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.T. Bregman, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te Den Haag.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij beslissing van 13 mei 2002 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 19 januari 2002 tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel niet ingewilligd. Eiser heeft hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 8 juli 2003. Eiser is ter zitting niet verschenen en heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde nader uiteengezet.

2. OVERWEGINGEN

In dit geding dient te worden beoordeeld of de bestreden beslissing in rechte stand kan houden. Daartoe moet worden bezien of deze beslissing de toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

Eiser legt aan zijn aanvraag het navolgende ten grondslag.

Eiser is van Somalische nationaliteit en behoort tot de bevolkingsgroep der Galadi. Op 6 mei 1994 is de bioscoop die eigendom was van de familie van eiser aangevallen door leden van de Moryan. De Moryan is een verzamelnaam van leden van verschillende gewapende groeperingen waaronder de Habar Gidir, Abgal, Murusade, Gal Jael. De aanvallers wilden geld zien en hebben de vader van eiser mishandeld en bedreigd en vervolgens doodgeschoten. Tevens is het ouderlijk huis van eiser, dat zich naast de bioscoop bevond, door de aanvallers geplunderd. De volgende dag kwamen de aanvallers weer terug en hebben de rest van de bezittingen meegenomen. De dag daarop zijn eisers moeder en drie broers gevlucht naar de stad Baidoa. Eiser, die achterbleef om op de eigendommen te passen, is toen bedreigd door leden van deze gewapende groeperingen. Zij hebben hem twee dagen en drie nachten in de ouderlijke woning vastgehouden en hem mishandeld. Steeds vroegen zij naar geld. Eiser is vervolgens overgebracht naar een dorp tussen Dafed en Afgoye en familie van de aanvallers heeft het huis van eisers familie betrokken. Eiser is ongeveer anderhalve week vastgehouden in het dorp. Eiser is vervolgens naar de boerderij gebracht die tevens eigendom was van zijn familie omdat men dacht dat eisers vader daar zijn geld verborgen had. Eiser heeft aldaar één week opgesloten gezeten in een schuur. Daarna moest hij als dwangarbeider werken op zijn eigen land. Het land was omheind met prikkeldraad en werd bewaakt. De boerderij was een soort opslagplaats voor goederen. Ongeveer eind 1994 keerde eisers moeder terug met twee broers. Zij hebben tot augustus 2001 onder dwang gewerkt op hun eigen land. Toen heeft eiser samen met zijn moeder weten te ontsnappen.

Verweerder heeft de bestreden beslissing, voor zover hier van belang en samengevat, doen steunen op de volgende overwegingen.

Eiser heeft geen documenten overgelegd om zijn reisroute vast te stellen. Nu eiser op het moment van inreis in Nederland in gezelschap van zijn reisagent de paspoortcontrole heeft gepasseerd is het aan eiser toe te rekenen dat hij geen documenten heeft. Bovendien zijn de door eiser afgelegde verklaringen omtrent de reisroute niet geloofwaardig nu op dit punt sprake is van tegenstrijdigheden in de relazen van eiser en zijn moeder. Nu eiser toerekenbaar niet in het bezit is van documenten is de oprechtheid van zijn asielrelaas op voorhand aangetast.

Onverminderd het vorenstaande bestaat ook overigens aanleiding om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Eiser heeft tegenstrijdige verklaringen afgelegd met betrekking tot de periode dat de Moryan hem gevangen hielden. Voorts bestaan er op verschillende punten tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser enerzijds en de verklaringen van zijn moeder en zijn broer -die eind juni 1995 in Nederland arriveerde- anderzijds. Nu eiser tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd wordt dermate ernstig afbreuk gedaan aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen dat hieraan in het geheel geen waarde meer wordt gehecht.

In het verweerschrift stelt verweerder ten aanzien van de brief van eiser van 5 juli 2002 waarin hij een verklaring tracht te geven voor de tegenstrijdigheden tussen zijn eigen verklaringen en die van zijn moeder en broer, dat niet valt in te zien waarom eiser zou dienen te worden gevolgd in zijn verklaring dat alle tegenstrijdigheden het gevolg zijn van onjuiste verklaringen van zijn moeder en broer. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt waarom juist hij op zijn woord zou moeten worden geloofd.

Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat eiser in zijn land van herkomst gegronde reden heeft te vrezen voor vervolging. Evenmin komt eiser op een van de overige gronden van artikel 29, eerste lid, Vw, in aanmerking voor een verblijfsvergunning.

Eiser bestrijdt dit besluit en voert daartegen het volgende aan.

Eiser stelt zich op het standpunt dat de door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden voor een deel slechts minieme tegenstrijdigheden zijn die voor een deel zijn terug te voeren op het feit dat de gebeurtenissen zich in een ver verleden hebben afgespeeld. Om een duidelijke verklaring te geven voor deze tegenstrijdigheden is bijna onmogelijk. Met betrekking tot de tegenstrijdigheden van eisers relaas met dat van zijn broertje stelt eiser dat zijn broer bij binnenkomst in Nederland minderjarig was en voorts dat deze zijn terug te voeren op de vreselijke ervaringen van zijn broertje.

Eiser heeft een gedetailleerde verklaring afgelegd over de gebeurtenissen in zijn land van herkomst. Dit neemt niet weg dat hij daarbij op een aantal punten anders heeft verklaard dan zijn moeder en zijn broer. De gebeurtenissen als geheel staan in zijn geheugen gegrift maar dit neemt niet weg dat hij daarbij op een aantal onderdelen de zaken anders heeft weergegeven.

Bij schrijven van 5 juli 2002 geeft eiser een verklaring voor een aantal tegenstrijdigheden tussen zijn verklaringen en die van zijn moeder en broer.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 13 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd, indien –voor zover hier van belang– internationale verplichtingen dan wel klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend. Van vluchtelingschap in de zin van artikel 1(A) van het Verdrag van Genève is sprake in geval de vreemdeling afkomstig is uit een land waar hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging wegens zijn godsdienstige of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of tot een bepaalde sociale groep.

Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, worden verleend aan de vreemdeling die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling, van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst

Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, Vw kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Nu blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting de (on)geloofwaardigheid van het relaas kernpunt vormt van het onderliggende geschil, dient de rechtbank zich daaromtrent een oordeel te vormen. In dat kader wordt allereerst opgemerkt dat, zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) onder meer in haar uitspraak van 27 januari 2003, (nr. 200206297/1, JV 2003/103) heeft overwogen, het bij de beoordeling door de minister van het asielrelaas meestal niet gaat om de vraag, of en in hoeverre de verklaringen over de feiten die de asielzoeker aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd als vaststaand moeten worden aangenomen. De asielzoeker is immers veelal niet in staat en van hem kan ook redelijkerwijs niet worden gevergd zijn relaas overtuigend met bewijsmateriaal te staven. Om de asielzoeker, waar dat probleem zich voordoet, tegemoet te komen en toch een adequate beoordeling van de aanvraag in het licht van de toepasselijke wettelijke voorschriften te kunnen verrichten, pleegt de minister blijkens het gestelde in paragraaf C1/1 sub 2 en paragraaf C1/3 sub 2.2. en 3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 het relaas en de daarin gestelde feiten voor waar aan te nemen, indien de asielzoeker alle hem gestelde vragen zo volledig mogelijk heeft beantwoord en het relaas op hoofdlijnen innerlijk consistent en niet-onaannemelijk is en strookt met wat over de algemene situatie in het land van herkomst bekend is. Bovendien geldt daarvoor als vereiste dat zich geen van de in artikel 31, tweede lid, onder a tot en met f, van de Vw 2000 opgesomde omstandigheden die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van de asielzoeker voordoet.

Wordt aan dat laatste vereiste niet voldaan, dan mogen ingevolge artikel 31 Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling (MvT, p. 40/41) en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas ook geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Bij de toepassing van dit beleid in een concreet geval komt de minister beoordelingsruimte toe. Hij beoordeelt de geloofwaardigheid van het asielrelaas op basis van uitvoerige gehoren en van vergelijking van het relaas met al datgene, wat hij over de situatie in het land van herkomst weet uit ambtsberichten en andere objectieve bronnen en wat hij eerder heeft onderzocht en overwogen naar aanleiding van de gehoren van andere asielzoekers in een vergelijkbare situatie. Dit overzicht stelt hem in staat die beoordeling vergelijkenderwijs en aldus geobjectiveerd te verrichten. De rechter is niet in staat de geloofwaardigheid op vergelijkbare wijze te beoordelen.

Dat betekent niet dat geen toetsing in rechte plaatsvindt van de beoordeling door de minister. De maatstaf bij de te verrichten toetsing is evenwel niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat de minister, gelet op de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, niet in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

Aldus het door de Afdeling uiteengezette toetsingskader.

Verweerder heeft de aanvraag van eiser -onder toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw- afgewezen omdat eiser ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de reisroute en zijn asielrelaas. Verweerder baseert zich hierbij op een vergelijking van de gehoren van eiser met de gehoren van eisers moeder en zijn in 1995 naar Nederland gevluchte broer, B. Nu de afwijzing van eisers aanvraag volledig stoelt op de ongeloofwaardigheid van zijn relaas dient de rechtbank zich daaromtrent -in het licht van voormeld door de Afdeling gegeven toetsingskader- een oordeel te vormen. De rechtbank ziet zich dan ook geplaatst voor de vraag of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is, met andere woorden of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat aan hetgeen eiser heeft verklaard in het geheel geen waarde meer wordt gehecht.

Allereerst merkt de rechtbank met betrekking tot voormeld door de Afdeling gehanteerd toetsingskader op dat de Afdeling in haar uitspraak waarin zij is gekomen tot dit toetsingskader, is uitgegaan van de situatie waarin verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van één asielzoeker heeft beoordeeld en de wijze waarop de rechter deze beoordeling dient te toetsen. Onderhavige zaak is in die zin anders dat niet het relaas van één eiser door verweerder is beoordeeld op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid maar dat verweerder het relaas van eiser heeft vergeleken met en beoordeeld aan de hand van de relazen en de verklaringen van eisers moeder en zijn broer, welke verklaringen deels op verschillende momenten en door verschillende contactambtenaren zijn afgenomen waarbij bovendien niet steeds exact dezelfde vragen zijn gesteld. De rechtbank acht van belang om vast te stellen dat bij een dergelijke vergelijking van drie relazen van drie verschillende asielzoekers onderlinge tegenstrijdigheden, onduidelijkheden, ongerijmdheden en het op sommige punten onvermeld laten van feiten en gebeurtenissen die door een ander wel worden vermeld, eerder zullen voorkomen en eerder verklaarbaar zijn dan bij de beoordeling van het relaas van slechts één asielzoeker op zijn innerlijke consistentie en geloofwaardigheid.

De rechtbank tekent hierbij nog aan dat nu een deel van de verklaringen gaan over gebeurtenissen die geruime tijd geleden hebben plaatsgevonden -mei 1994- het niet onaannemelijk is dat op het niveau van bepaalde bijzonderheden tegenstrijdigheden - zijn gaan- bestaan tussen de relazen van eiser, zijn moeder en zijn broer. Bovendien was eisers broer minderjarig op het moment dat hij in 1995 in Nederland arriveerde.

De rechtbank is van oordeel dat het relaas van eiser innerlijk consistent moet worden geacht, althans dat in het relaas van eiser op zichzelf geen tegenstrijdigheden, vaagheden, hiaten, of ongerijmde wendingen voorkomen, zowel niet wat betreft de hoofdlijnen van zijn relaas als ook niet op het niveau van de relevante bijzonderheden ervan. Naar het oordeel van de rechtbank gaat derhalve van het relaas van eiser een positieve overtuigingskracht uit. Ditzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de relazen van eisers moeder en broer. Dat verweerder in het voornemen slechts één tegenstrijdigheid noemt in het relaas van eiser is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende voor de conclusie dat het relaas van eiser in redelijkheid als geheel ongeloofwaardig kan worden aangemerkt.

De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder ter zitting met betrekking tot twee in het voornemen genoemde punten heeft aangegeven deze niet langer te handhaven. Het gaat hierbij om de in alinea 4 op p. 2 van het voornemen geconstateerde tegenstrijdigheid, te weten de verklaringen van eiser en zijn moeder met betrekking tot het tonen van documenten door de reisagent, alsmede om de in alinea 4 op p. 4 van het voornemen geconstateerde tegenstrijdigheid.

Verweerder heeft voorts verscheidene malen de omstandigheid dat eiser dan wel zijn moeder of broer van een bepaalde gebeurtenis, feit of omstandigheid geen melding maakt terwijl de ander daar wel een verklaring over aflegt, betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze omissies in redelijkheid niet de conclusie dat de verklaringen van eiser op dit punt tegenstrijdig zijn met de verklaringen van zijn moeder, dan wel dat eisers verklaringen niet geloofwaardig zijn. Enkel kan worden vastgesteld dat de verklaringen van eiser en zijn moeder op dit punt niet even gedetailleerd zijn, dan wel niet even gedetailleerd zijn weergegeven in de verslagen die van de gehoren zijn opgemaakt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder op verschillende punten tegenstrijdigheden constateert tussen de relazen van eiser enerzijds en die van zijn moeder dan wel broer anderzijds maar dat deze tegenstrijdigheden dusdanige details betreffen dat verweerder onder verwijzing naar deze tegenstrijdigheden in redelijkheid niet kan stellen dat het relaas van eiser derhalve ongeloofwaardig is.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat van een aantal door verweerder geconstateerde tegenstrijdigheden in redelijkheid niet kan worden gesteld dat deze verklaringen daadwerkelijk tegenstrijdig zijn nu voor de -schijnbare- inconsistenties een aannemelijke verklaring is te geven dan wel reeds door eiser is gegeven. De rechtbank wijst in dit verband op de op 22 augustus 2002 aan de rechtbank toegezonden persoonlijke verklaring van eiser.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de argumenten in het voornemen op p. 5, eerste, en tweede alinea, tamelijk speculatieve veronderstellingen c.q gevolgtrekkingen van verweerder betreffen die naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer tot het oordeel kunnen leiden dat de verklaringen van eiser in redelijkheid als ongeloofwaardig kunnen worden aangemerkt.

Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat, gelet op de omstandigheid dat de relazen van eiser en die van zijn moeder en broer -niet alleen op hoofdlijnen maar ook op het niveau van de relevante bijzonderheden- onderling een grote mate van consistentie vertonen, de relazen evenmin kunnen worden aangemerkt als innerlijk tegenstrijdig en de relazen voorts passen in het algemene beeld van Somalië, verweerder op grond van de in het voornemen door verweerder genoemde punten, niet in redelijkheid tot de conclusie heeft kunnen komen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is.

Het bestreden besluit komt mitsdien voor vernietiging in aanmerking wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 322,--). Aangezien ten behoeve van eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier.

3. BESLISSING

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

draagt verweerder op opnieuw te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,-- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M.E. Bernini, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2003, in tegenwoordigheid van mr. N.R. Hoogenberk als griffier.

afschrift verzonden op: 18 juli 2003

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.