Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1416

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 02/13290
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Guinee / geloofwaardigheid asielrelaas / ontbreken documenten.

Nu naast het toerekenbaar ontbreken van documenten niets anders aan de ongeloofwaardigheid dan wel de onaannemelijkheid van eisers relaas ten grondslag is gelegd, wordt van dit relaas uitgegaan bij de beoordeling van het beroep.

De rechtbank constateert dat het ambtsbericht van februari 2000 vermeldt dat van september 2000 tot de zomer van 2001 inwoners van Guinee die Sierra Leoonse vluchtelingen huisvesting boden in incidentele gevallen werden lastiggevallen door leger, politie en veiligheidsdiensten. Het ambtsbericht bevestigt hiermee de problemen waarvoor eiser stelt te vrezen. In het bestreden besluit wordt echter niet gemotiveerd waarom verweerder van oordeel is dat eiser dergelijke problemen desalniettemin niet hoeft te verwachten. De enkele overweging van verweerder in het bestreden besluit dat de intenties van de militairen die bij de plantage kwamen niet aannemelijk zijn gemaakt, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarbij speelt met name een rol dat, nu van deze feiten wel wordt uitgegaan, niet valt in te zien wat de militairen wel kwamen doen, gezien ook het in het hiervoor genoemde ambtsbericht gestelde. Voorzover verweerder bij verweerschrift nog heeft aangevoerd dat de situatie thans verbeterd is, is de rechtbank van oordeel dat deze motivering geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit zodat de rechtbank zich niet vrij ziet deze motivering inhoudelijk te toetsen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank te 's-Gravenhage

zittinghoudende te Amsterdam

enkelvoudige kamer vreemdelingenzaken

Uitspraak

artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

jo artikel 71 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)

reg. nr.: AWB 02/13290 BEPTDN

inzake: A, geboren op [...] 1978, van Guinese nationaliteit, wonende te B, eiser,

gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs, advocaat te Amsterdam,

tegen: de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, verweerder,

gemachtigde: mr.T.F.E. Tjong Tjin Tai, advocaat te 's-Gravenhage.

I. PROCESVERLOOP

1. Op 8 november 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Op 13 december 2001 heeft verweerder aan eiser schriftelijk mededeling gedaan van het voornemen de aanvraag af te wijzen. Bij brief van 10 januari 2002 heeft eiser zien zienswijze hierover aan verweerder kenbaar gemaakt. Bij besluit van 21 januari 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

2. Bij beroepschrift van 14 februari 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. De gronden van het beroep zijn ingediend bij brief van 18 maart 2002. Op 20 juni 2002 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken van verweerder ter griffie ontvangen. In het verweerschrift van 12 november 2002 heeft verweerder geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2003. Eiser is aldaar verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn voornoemde gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig A. Doumbouya, tolk Pular.

II. STANDPUNTEN PARTIJEN

1. Eiser meent dat hij in aanmerking komt voor toelating als vluchteling en heeft daartoe het volgende asielrelaas naar voren gebracht. Eiser is afkomstig uit Guinee. Eisers vader betaalde de militairen die in C werkten en had daarnaast een plantage samen met Malik Condé, broer van de leider van de oppositiepartij Rassemblement du Peuple Guinée (RPG), Alpha Condé. Eisers vader werd verdacht van lidmaatschap van de RPG waarna hij uit zijn publieke functie werd gezet. Hierop meldde eisers vader zich aan als lid van de RPG en ging campagne voeren. Eiser nam het werk van zijn vader over op de plantage en werkte samen met Malik Condé. In 1998 werd eisers vader samen met Alpha Condé opgepakt en veroordeeld tot vijf jaar gevangenisstraf. In september 2000 ontstonden problemen in Guinee met rebellen waarbij Guinese militairen werden vermoord. De Guinese regering was van mening dat rebellen uit Sierra Leone deze moorden hadden gepleegd en stuurde militairen naar Forekariah om mensen uit Sierra Leone op te sporen en degenen die hun onderdak boden.

Op 18 september 2000 kwamen de militairen naar de plantage van eisers vader omdat zij eiser, vanwege de arrestatie van zijn vader, in verband brachten met de rebellen. Op dat moment werkten er twee mensen uit Sierra Leone op de plantage. De chauffeur van Malik Condé, die op dat moment aanwezig was, waarschuwde eiser en de Sierra Leoners te vluchten. Twee dagen hebben zij bij een vriend van Malik Condé doorgebracht, waarna de vriend hen naar een schip bracht in Conakry. Eiser heeft drie weken opgesloten onder in het schip doorgebracht en kwam op 11 oktober 2000 Nederland binnen.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning. De oprechtheid van eisers asielrelaas wordt op voorhand aangetast nu eiser geen documenten ter staving van zijn reisroute of asielrelaas heeft overgelegd. Eiser heeft de reis van Guinee naar Nederland niet aannemelijk kunnen maken. Eiser heeft drie weken aan boord van het schip doorgebracht maar kan geen beschrijving geven van het schip, kan niet de naam noemen en weet niet onder welke vlag het schip voer. Eiser heeft bovendien verklaard dat het al licht was toen hij het schip verliet waardoor een betere beschrijving van het schip mogelijk was.

Het verlies van zijn identiteitskaart is eiser voorts aan te rekenen. Of eiser zijn identiteitskaart al dan niet ‘opzettelijk’ heeft verloren is in dit verband niet van belang.

Eiser kan voorts niet worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingverdrag. Eiser heeft verklaard nooit lid te zijn geweest van een politieke partij in zijn land, nooit activiteiten te hebben verricht die tegen de autoriteiten waren gericht of problemen te hebben gehad vanwege zijn etnische afkomst of politieke overtuiging. Verweerder merkt op dat de veroordeling van zijn vader voor eiser geen reden voor zijn vertrek is geweest. Tevens is niet gebleken uit zijn verklaringen dat de militairen daadwerkelijk op zoek waren naar eiser of dat er reeds mensen waren opgepakt die Sierra Leoners aan het werk hadden geholpen. Eiser heeft zich nimmer als tegenstander van het regime geprofileerd. Niet valt in te zien waarom de Guinese autoriteiten serieus belang zouden stellen in eiser. Ook het feit dat Malik Condé, die de broer van Alpha Condé zou zijn, geen problemen van militaire zijde heeft ondervonden maakt het niet aannemelijk dat eiser degene was op wie de militairen het gemunt hadden. Malik Condé was immers degene die eiser naar de haven heeft gebracht.

III. OVERWEGINGEN

1. Aan de orde is de vraag of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

2. Ingevolge artikel 13 van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts ingewilligd indien met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, dan wel indien internationale verplichtingen of klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.

3. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan -voor zover hier van belang- een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

4. Artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. De rechtbank stelt voorop dat de algemene en mensenrechtensituatie in Guinee niet zodanig is dat een vreemdeling afkomstig uit dat land zonder meer als vluchteling kan worden aangemerkt. Eiser dient derhalve aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan die de vrees voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag rechtvaardigen.

6. Verweerder heeft eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen en op grond daarvan geconcludeerd dat op voorhand afbreuk is gedaan aan het asielrelaas van eiser. Verweerder heeft ter zitting daarnaast gesteld dat dit niet de enige afwijzingsgrond kan zijn en daarbij verwezen naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Nu verweerder noch in het voornemen noch in het bestreden besluit op overige tegenstrijdigheden of onvolledigheden heeft gewezen, kan op grond van enkel documentloos zijn niet geoordeeld worden dat eisers relaas ongeloofwaardig is. Namens verweerder is ter zitting dan ook aangegeven dat bij het bestreden besluit is uitgegaan van de feiten zoals die in eisers relaas gesteld zijn.

7. Derhalve ligt thans ter beoordeling de vraag voor of het relaas van eiser, uitgaande van de door hem gestelde feiten en omstandigheden, door verweerder terecht onvoldoende zwaarwegend is geacht voor een geslaagd beroep op vluchtelingenschap.

8. In het bestreden besluit wordt met name overwogen dat eiser niet politiek actief was en dat de negatieve aandacht voor eiser vanwege de activiteiten van zijn vader niet aannemelijk is geworden. De rechtbank stelt vast dat eiser zulks ook niet heeft gesteld. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij is gevlucht voor militairen die naar de plantage kwamen omdat zij op zoek waren naar mensen die Sierra Leoners te werk hadden gesteld. Eiser vreesde daarbij dat de militairen hem vanwege zijn achtergrond zouden verdenken van betrokkenheid bij de RPG.

9. De rechtbank constateert dat het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van februari 2000 vermeldt dat van september 2000 tot de zomer van 2001 inwoners van Guinee die Sierra Leoonse vluchtelingen huisvesting boden, in incidentele gevallen werden lastig gevallen door leger, politie en veiligheidsdiensten. Het ambtsbericht bevestigt hiermee de problemen waarvoor eiser stelt te vrezen. In het bestreden besluit wordt echter niet gemotiveerd waarom verweerder van oordeel is dat eiser dergelijke problemen desalniettemin niet hoeft te verwachten.

De enkele overweging van verweerder in het bestreden besluit dat de intenties van de militairen die bij de plantage kwamen niet aannemelijk zijn gemaakt, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarbij speelt met name een rol dat, nu van deze feiten wel wordt uitgegaan, niet valt in te zien wat de militairen wel kwamen doen, gezien ook het in het hiervoor genoemde ambtsbericht gestelde. Tevens is van belang dat door de arrestatie van eisers vader en de betrokkenheid van de broer van Alpha Condé bij eisers plantage, de plantage van eiser eerder de aandacht van de autoriteiten zal trekken dan willekeurige andere plantages. Voor zover verweerder bij verweerschrift nog heeft aangevoerd dat de situatie thans verbeterd is, is de rechtbank van oordeel dat deze motivering geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit zodat de rechtbank zich niet vrij ziet deze motivering inhoudelijk te toetsen.

10. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Het bestreden besluit is aldus tot stand gekomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb en kan niet in stand worden gelaten.

11. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard, onder vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Verweerder zal met inachtneming van het voorgaande opnieuw op eisers aanvraag moeten beslissen.

12. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van zijn beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 644,-- als kosten van verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 322,-, wegingsfactor 1).

IV. BESLISSING

De rechtbank

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten, begroot op € 644,-- (zegge: zeshonderd en vierenveertig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan de griffier.

Gewezen door mr. C.H. Rombouts, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.C. Hoogcarspel, griffier, en openbaar gemaakt op 8 juli 2003.

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op: 8 juli 2003

Conc: PH

Coll:

Bp: -

D: B

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Ingevolge artikel 69, eerste lid, van de Vw 2000 bedraagt de termijn voor het instellen van hoger beroep vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.