Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1412

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-07-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
AWB 03/1188
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Angola / amv / adequate opvang.

De rechtbank is van oordeel dat de gehoren geen aanknopingspunten bevatten voor de conclusie dat eiser een onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst heeft gefrustreerd. Eiser heeft op adequate wijze de vragen over zijn woonomgeving en adressen beantwoord. Hij heeft aangegeven onder welke naam zijn straat bekend staat en heeft de omgeving van de straat beschreven. Niet is gebleken dat de contactambtenaar heeft doorgevraagd over eisers adres. Eiser heeft geen tegenstrijdige verklaringen afgelegd over het adres van zijn helper en er kunnen vraagtekens geplaatst worden bij verweerders stelling dat het ongeloofwaardig is dat eiser het adres van zijn helper niet kent. Verweerder heeft bovendien niet in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat eiser niet meer heeft willen of kunnen vertellen over zijn familie, vrienden en bekenden en over zijn dagelijkse bezigheden, nu hem dienaangaande geen nadere vragen zijn gesteld. Verweerder heeft derhalve onvoldoende gemotiveerd waarom eiser geen aanspraak kan maken op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK TE 's-GRAVENHAGE

Zitting houdende te Leeuwarden

Vreemdelingenkamer

Regnr.: AWB 03/1188 BEPTDN GR

uitspraak: 8 juli 2003

U I T S P R A A K

inzake: A,

geboren op [...] 1984,

verblijvende te B,

van Angolese nationaliteit,

IND dossiernummer 0011.08.2063,

eiser,

gemachtigde: mr. S.R. Nohar, advocaat te Lemmer,

tegen: DE MINISTER VOOR VREEMDELINGENZAKEN EN INTEGRATIE,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. drs. A.R. Roose, werkzaam bij de IND.

1. PROCESVERLOOP

1.1 Op 9 november 2000 heeft eiser een aanvraag om verlening van een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd gedaan. Bij beschikking van 1 oktober 2002 heeft verweerder de aanvraag afgewezen en ambtshalve beslist dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’.

1.2 Eiser heeft tegen de weigering hem op grond van zijn minderjarigheid een verblijfsvergunning te verlenen bij brief van 29 oktober 2002 bezwaar gemaakt. Bij beschikking van 9 december 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3 Bij beroepschrift van 3 januari 2003 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze beschikking. De griffier heeft de van verweerder ontvangen stukken aan eiser gezonden en hem in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken. Bij brief van 24 juni 2003 heeft eiser zijn beroep, voor zover dit betrekking heeft op de aanvraag, hem een asielvergunning te verlenen, ingetrokken. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 Openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 25 juni 2003. Eiser is daarbij verschenen, bijgestaan door mr. R. Kakes, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. MOTIVERING

Standpunten van partijen

2.1 Verweerder heeft de aanvraag in de beslissing op bezwaar afgewezen, omdat eiser een onderzoek naar adequate opvang in zijn land van herkomst heeft gefrustreerd door onvoldoende mee te werken aan het verstrekken van informatie. Van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerd kan vertellen over zijn directe woonomgeving, de verschillende complete adressen van zijn ouderlijk huis, het adres van de buren en adressen van vrienden. Voorts mag verwacht worden dat hij gedetailleerde verklaringen aflegt over directe familieleden, vrienden en andere bekenden van de familie. Verweerder acht het ongeloofwaardig dat eiser buiten de door hem genoemde personen niemand kent. Bovendien mag verwacht worden dat eiser verklaringen aflegt aangaande zijn dagelijks leven.

2.2 Eiser stelt zich op het standpunt dat hij in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’, omdat voor hem geen adequate opvang in Angola bestaat. De bewegings- en belevingswereld van een minderjarige is kleiner dan die van een volwassene, zodat het aannemelijk is dat eiser slechts de namen van de personen in zijn omgeving kan noemen. Daarnaast valt niet in te zien dat eiser een onderzoek naar adequate opvang heeft gefrustreerd, nu hij op alle vragen een antwoord heeft gegeven. Bovendien is de beslistermijn overschreden door omstandigheden die niet aan eiser te wijten zijn. Verweerder heeft het nodig gevonden een taalanalyse en een leeftijdsonderzoek te verrichten, terwijl deze beide in het voordeel van eiser zijn uitgevallen. Eiser heeft derhalve geloofwaardige verklaringen afgelegd, op grond waarvan het in strijd met het vertrouwensbeginsel is eiser na de overschrijding van de beslistermijn geen verblijfsvergunning als alleenstaande minderjarige vreemdeling te verstrekken. Voorts heeft verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden door alvorens een beslissing te nemen geen onderzoek te doen naar adequate opvang in het land van herkomst. Gelet op de lange beslistermijn is het mogelijk dat personen die eventueel opvang hadden kunnen verzorgen thans niet meer traceerbaar zijn. Op deze stelling van eiser is verweerder in strijd met het motiveringsbeginsel in de bestreden beschikking niet ingegaan.

2.3 Verweerder heeft aan de hand van een verweerschrift gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het beroep

2.4 In deze procedure dient te worden beoordeeld of de bestreden beschikking toetsing aan geschreven en ongeschreven rechtsregels kan doorstaan.

2.5 De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), kan blijkens het eerste lid van artikel 3.56 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) onder een beperking verband houdend met verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling:

a. wiens aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Wet is afgewezen, anders dan met toepassing van artikel 30 van de Wet;

b. die zich naar het oordeel van Onze Minister niet zelfstandig kan handhaven in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan, en

c. voor wie naar het oordeel van Onze Minister, naar plaatselijke maatstaven gemeten, adequate opvang ontbreekt in het land van herkomst of een ander land waar hij redelijkerwijs naar toe kan gaan.

2.6 De bijzondere voorwaarden waaronder een verblijfsvergunning onder de beperking, verband houdend met het verblijfsdoel „verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling“, wordt verleend zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk C2/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

2.7 Volgens het beleid van verweerder, zoals vastgelegd in hoofdstuk C2/7.4.1 van de Vc 2000, frustreert een alleenstaande minderjarige vreemdeling onderzoek naar de opvangmogelijkheden in het land van herkomst, voor zover hier van belang, als hij ongeloofwaardige en tegenstrijdige verklaringen aflegt of indien hij vage, summiere verklaringen aflegt en zaken verzwijgt omtrent identiteit, nationaliteit of opvang.

2.8 Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser zich op het standpunt gesteld dat het te laat is om in de bestreden beslissing op bezwaar het standpunt in te nemen dat eiser een onderzoek naar adequate opvang in het land van herkomst heeft gefrustreerd, nu in het voornemen en in de beschikking dienaangaande niets is overwogen. De rechtbank overweegt hieromtrent dat verweerder op grond van de bezwaarschriftprocedure zijn primaire besluit op de grondslag van het bezwaarschrift volledig moet heroverwegen. Het staat hem in dat kader in beginsel vrij om een besluit op bezwaar te nemen, waarbij hij zijn afwijzing van een vergunning alsnog op een andere grond handhaaft.

2.9 Verweerder komt in de beslissing op bezwaar tot de conclusie dat eiser een onderzoek naar adequate opvang in Angola heeft gefrustreerd, omdat eiser onvoldoende heeft meegewerkt aan het verstrekken van informatie. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.10 Blijkens het verhandelde ter zitting komt verweerder met name gezien de omstandigheid dat eiser niet gedetailleerd heeft verteld over zijn directe woonomgeving en de adressen van zijn ouderlijk huis, de buren en vrienden tot de conclusie dat eiser een onderzoek naar opvangmogelijkheden in Angola heeft gefrustreerd. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat eiser op adequate wijze de vragen heeft beantwoord die in de gehoren zijn gesteld over woonomgeving en adressen. Eiser heeft aangegeven dat de straat waaraan zijn ouderlijk huis is gelegen bekend staat als de straat van [...]. Nu uit het rapport van gehoor niet blijkt dat er is doorgevraagd over zijn adres, kan uit de omstandigheid dat eiser geen nader adres heeft opgegeven in redelijkheid niet worden afgeleid dat eiser zijn eigen adres niet weet. Bovendien heeft hij de omgeving van de straat omschreven: de woning staat in de buurt van een katholieke kerk en een kleine markt. Niet valt uit te sluiten dat het adres van eisers woning geen nadere aanduiding kent.

Over het adres van de buren heeft eiser verklaard dat zij tegenover hem in de wijk [...] in C wonen.

Ten aanzien van het adres van eisers helper D heeft verweerder gesteld dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft verklaard dat hij van zijn vader had gehoord dat D zou komen. Eiser heeft D echter niet zelf kunnen afhalen en heeft een vriend gestuurd. Volgens verweerder is het moeilijk om instructies te geven over de plaats waar D opgehaald kan worden, als je het adres van D niet weet. De rechtbank is echter met eiser van oordeel dat uit het nader gehoor blijkt dat D bij een bepaalde afzetplaats afgehaald moest worden en niet op zijn eigen adres. Naar het oordeel van de rechtbank is derhalve geen sprake van een tegenstrijdigheid aangaande het adres van D. Voorts overweegt de rechtbank dat uit het gehoor blijkt dat eiser slechts drie dagen bij D in Luanda heeft verbleven en gedurende die tijd binnen is gebleven, zodat vraagtekens geplaatst kunnen worden bij de stelling van verweerder dat het ongeloofwaardig is dat eiser het adres van D niet kent.

Verweerder betrekt bij zijn conclusie dat eiser een onderzoek naar adequate opvang heeft gefrustreerd voorts de omstandigheid dat eiser onvoldoende gedetailleerde verklaringen heeft afgelegd over directe familieleden, vrienden en andere bekenden van de familie. Verweerder acht het eveneens ongeloofwaardig dat eiser buiten de door hem genoemde personen niemand kent. Daarnaast verwacht verweerder dat eiser meer verklaart over zijn dagelijks leven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de rapporten van de gehoren echter niet in redelijkheid de conclusie kunnen trekken dat eiser niet meer heeft willen of kunnen vertellen over zijn familie, vrienden en bekenden en over zijn dagelijkse bezigheden, nu eiser dienaangaande geen nadere vragen zijn gesteld.

2.11 Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom eiser een onderzoek naar adequate opvang in Angola heeft gefrustreerd. Daarmee heeft verweerder in strijd gehandeld met het in artikel 7:12 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginsel dat een besluit op bezwaar moet berusten op een deugdelijke motivering.

Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal wegens strijd met genoemd voorschrift worden vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

2.12 Voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, bestaat aanleiding.

3. BESLISSING

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;

- wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon om het betaalde griffierecht ad € 109,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van eiser ten bedrage van € 644,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan eiser dient te voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Severein en in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2003 in tegenwoordigheid van mr. M.J.C. ten Hoopen als griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van „hoger beroep vreemdelingenzaken“, postbus 16113, 2500 BC te ‘s-Gravenhage. Ingevolge artikel 85 Vw 2000 dient het beroepschrift één of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 Awb is niet van toepassing.

Afschrift verzonden: 9 juli 2003