Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2003:AI1407

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-07-2003
Datum publicatie
25-08-2003
Zaaknummer
02/17771
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1F VSV / uitzetting / artikel 3 EVRM.

Eisers asielaanvraag is afgewezen op grond van artikel 1F Vluchtelingenverdrag (VSV). Verweerder heeft aangegeven dat hij voorlopig geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheid om eiser uit te zetten. Daarbij heeft verweerder gesteld dat de bescherming van artikel 3 EVRM niet zover strekt dat daaruit de verplichting voortvloeit aan eiser een verblijfsvergunning te verstrekken.

De rechtbank oordeelt dat de tekst en wording van het Vluchtelingenverdrag de praktijk van verweerder toelaten om in voorkomende gevallen artikel 1F aan de vreemdeling tegen te werpen alvorens is vastgesteld of de vreemdeling vluchteling is in de zin van artikel 1A. Gelet op de ernst van de in artikel 1F genoemde gedragingen valt deze handelwijze van verweerder naar het oordeel van de rechtbank te billijken. Dit neemt niet weg dat de zorgvuldigheid welke verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 Awb in acht dient te nemen meebrengt dat verweerder zich een beeld dient te vormen van de vluchtmotieven van de asielzoeker, alvorens te beslissen of op grond van het bepaalde in artikel 1F de bescherming van het Verdrag aan de vreemdeling moet worden onthouden.

Ten aanzien van eisers klacht dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het bepaalde in artikel 3 EVRM overweegt de rechtbank het volgende. In het in de Vw 2000 neergelegde wettelijke stelsel ter zake van de toelating en uitzetting van vreemdelingen is de bevoegdheid tot uitzetting het rechtsgevolg van de illegaliteit van het verblijf van de vreemdeling hier te lande, dan wel van de afwijzing van een verzoek om toelating. Deze bevoegdheid is niet discretionair van aard. De rechtbank verwijst naar uitspraak 200101994/1 van de ABRS van 29 mei 2001. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat uitzetting van eiser, niettegenstaande de afwijzing van zijn aanvraag, niet aan de orde is, niet kan worden gevolgd. Aan verweerder komt niet de vrijheid toe te beslissen de uitzetting van eiser achterwege te laten. Dit betekent dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen alvorens te bepalen of uitzetting van de vreemdeling niet tot schending van artikel 3 EVRM zal leiden. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd. Beroep gegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 29
Vreemdelingenwet 2000 45
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.107
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2003/461 met annotatie van BPV
Ars Aequi RV20030018 met annotatie van B.P. Vermeulen

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

sector bestuursrecht

vreemdelingenkamer, meervoudig

nevenzittingsplaats Rotterdam

__________________________________________________

UITSPRAAK

__________________________________________________

Reg.nr. : 02/17771.

Inzake : A, eiser,

gemachtigde mr. A.K.J. Plaisier, advocaat te Rotterdam,

tegen : de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

voorheen de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,

gemachtigde mr. A. van Blankenstein, advocaat te

Den Haag.

I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

1. Eiser, geboren op [...] 1953, bezit de Afghaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert 12 november 1996 als vreemdeling in de zin van de vreemdelingenwetgeving in Nederland. Op 12 november 1996 heeft eiser aanvragen ingediend om toelating als vluchteling en verlening van een vergunning tot verblijf. Bij beschikking van 16 november 1998 heeft verweerder afwijzend op deze aanvragen beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 18 oktober 2001 is eiser op zijn bezwaar gehoord door een ambtelijke commissie. Bij beschikking van 20 februari 2002 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2. Bij faxbericht 8 maart 2002 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij brief van 15 april 2002 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld. Bij faxbericht van 7 februari 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

3. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 februari 2003. Ter zitting is eiser in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens was de heer Rahimali ter zitting aanwezig als tolk Dari.

II. OVERWEGINGEN

1. Op 1 april 2001 is in werking getreden de Wet van 23 november 2000 tot algehele herziening van de Vreemdelingenwet, Stb 2000, 495 (Vreemdelingenwet 2000, hierna te noemen: Vw 2000). De Vreemdelingenwet Stb 1965, 40 is per deze datum ingetrokken. Het toepasselijke overgangsrecht brengt met zich mee dat op de beoordeling van het bestreden besluit het bepaalde in de Vw 2000 van toepassing is.

2.1 Ter onderbouwing van zijn aanvraag heeft eiser in het nader gehoor - kort samengevat - naar voren gebracht dat hij zijn land is ontvlucht uit vrees voor vervolging door de Taliban. Sedert de komst van de Mudjahedin in 1992 leidde eiser in Kabul een teruggetrokken bestaan. Begin 1995 is hij verhuisd naar een dorp in de provincie Kafisa. Toen bleek dat hij daar werd gezocht is eiser in juli 1996 verhuisd naar Jalalabad. Op 30 september 1996 werd bij eiser een huiszoeking gedaan door de Taliban. Eiser kon zich verstoppen, maar de Taliban hebben zijn zoon meegenomen, als borg voor eiser zelf. Eiser is de volgende dag gevlucht naar Pakistan. Omdat hij zich in Pakistan ook niet veilig voelde is eiser op 10 november 1996 per vliegtuig gevlucht naar Nederland. In het nader gehoor, het aanvullend gehoor en het gehoor voor de ambtelijke commissie heeft eiser verklaringen afgelegd omtrent zijn arbeidsverleden in de periode 1971 tot 1992, in het bijzonder met betrekking tot zijn carrière binnen de Afghaanse veiligheidsdienst, de KhAD.

2.2 In beroep heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerders oordeel dat hij niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van het bepaalde in artikel 1 (F) van het Vluchtelingenverdrag onzorgvuldig tot stand is gekomen. Naar de mening van eiser heeft verweerder ten onrechte niet beslist of hij vluchteling is in de zin van artikel 1 (A) van het Vluchtelingenverdrag alvorens te beslissen over de toepasselijkheid van artikel 1(F) van dit verdrag. Eiser wijst erop dat de UNHCR herhaaldelijk heeft benadrukt dat de beoordeling van een asielrelaas aan toepassing van artikel 1 (F) vooraf dient te gaan. Ook de verdragstekst wijst hier volgens eiser op. Tevens heeft verweerder zich ten onrechte niet uitgelaten over de vraag of eiser bij terugkeer naar Afghanistan een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Naar de mening van eiser loopt hij een dergelijk risico en dient hem gelet daarop een verblijfsvergunning te worden verstrekt. Eiser wijst erop dat uit artikel 3 van het EVRM alsook uit artikel 3 van het Anti-folterverdrag een absoluut refoulementverbod voortvloeit. Naar de mening van eiser dient verweerder aan te geven of deze verboden al dan niet op hem van toepassing zijn.

3. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Naar de mening van verweerder zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a en c van het Vluchtelingenverdrag. Gelet hierop komt eiser naar de mening van verweerder niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw 2000. Gelet op het bepaalde in artikel 3.107 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) komt eiser evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op één van de andere gronden van artikel 29 van de Vw 2000. Evenmin komt eiser, gelet op het bepaalde in artikel 3.77 van het Vb in aanmerking voor een reguliere verblijfsvergunning. Voor zover eiser stelt dat ten onrechte niet is vastgesteld of hij vluchteling is in de zin van artikel 1 (A), lid 2 van het Verdrag, verwijst verweerder naar zijn brief van 28 november 1997 aan de Tweede Kamer, aangaande de werkwijze in zaken waarin wordt vermoed dat artikel 1 (F) van toepassing is. Voor zover eiser stelt dat ten onrechte niet is getoetst aan artikel 3 van het EVRM stelt verweerder dat de bescherming van artikel 3 van het EVRM niet zover strekt dat daaruit de verplichting voortvloeit om eiser een verblijfsvergunning te verlenen. Op eiser rust de wettelijk verplichting Nederland zelfstandig te verlaten. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder nog opgemerkt dat uit het bestreden besluit weliswaar van rechtswege voor verweerder de bevoegdheid voortvloeit eiser uit te zetten, maar dat van deze bevoegdheid vooralsnog geen gebruik zal worden gemaakt. Indien eiser dreigt te worden uitgezet en hij van mening is dat deze uitzetting op dat moment in strijd is met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, kan hij hiertegen een rechtsmiddel aanwenden.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning asiel worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

4.2 Op grond van artikel 1 (A) van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (hierna: het Verdrag) worden vreemdelingen die afkomstig zijn uit een land waarin zij gegronde redenen hebben te vrezen voor vervolging wegens hun godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging of hun nationaliteit dan wel wegens het behoren tot een bepaald ras of een bepaalde sociale groep, als vluchteling beschouwd.

4.3 In artikel 1 (F) van het Verdrag is bepaald dat de in het Verdrag neergelegde bepalingen niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

4.4 In artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. In het tweede lid, aanhef en onder k van dit artikel is bepaald dat bij het onderzoek naar de aanvraag mede wordt betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid.

4.5 Ingevolge het bepaalde in hoofdstuk C1/5.13.3 juncto B1/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt de aanvraag afgewezen op grond van het gegeven dat de vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde, indien ten aanzien van de vreemdeling ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan gedragingen als bedoeld in artikel 1 (F) van het Verdrag.

4.6 In artikel 3.107, eerste lid, van het Vb 2000 is bepaald dat indien artikel 1 (F) van het Verdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning wordt verleend op één van de andere gronden bedoeld in artikel 29 van de Vw 2000.

4.7 Ten aanzien van de verhouding tussen het bepaalde in artikel 1 (A) en artikel 1 (F) van het Verdrag overweegt de rechtbank het volgende. Uit de tekst van het Verdrag kan niet zonder meer worden opgemaakt in welke volgorde aan genoemde artikelen dient te worden getoetst. Een aanwijzing voor de opvatting dat eerst dient te worden getoetst aan artikel 1 (A) alvorens te toetsen aan artikel 1 (F), is dat in artikel 1 (F) van het Verdrag is bepaald dat indien de asielzoeker aan één van de daar genoemde voorwaarden voldoet, de voorzieningen ("provisions") van het Verdrag niet van toepassing zijn. Dit suggereert dat artikel 1 (F) pas aan de orde komt wanneer reeds is vastgesteld dat de "provisions" van het Verdrag (in het bijzonder artikel 33) in beginsel wél op de asielzoeker van toepassing zijn. Daar staat tegenover dat artikel 1 (F) van het Verdrag iedere persoon ("any person") van de "provisions" van het Verdrag uitsluit en niet 'de vluchteling'. Uit de Travaux Preparatoires bij het Verdrag blijkt niet dat artikel 1 (F), zoals artikel 1 (D) en artikel 1 (E) van het Verdrag, als 'voorvraag' geldt. De UNHCR stelt zich op het standpunt dat toetsing aan het bepaalde in artikel 1 (F) pas aan de orde dient te komen wanneer is vastgesteld dat de asielzoeker vluchteling is in de zin van artikel 1 (A) van het Verdrag (zie het "UNHCR Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status", par. 176 en "The Exclusion Clauses, Guidelines on their Application", par. 9). De UNHCR acht inclusion before exclusion aanbevelenswaardig omdat op die manier is gegarandeerd dat de verschillende aspecten van de casus tegen elkaar kunnen worden afgewogen (de zogenaamde proportionaliteitstoets). Met name wanneer artikel 1 (F) aanhef en onder b, aan de asielzoeker kan worden tegengeworpen wordt dit van belang geacht, omdat in die gevallen een balans moet worden gevonden tussen aard van het veronderstelde misdrijf en de mate van vervolging die de asielzoeker vreest ("Handbook", par. 156). Maar ook wanneer direct duidelijk is dat de asielzoeker wellicht zal worden uitgesloten wordt een volledig statusbepalingsinterview uit een oogpunt van rechtvaardigheid, ter verkrijging van vollediger informatie en ter vereenvoudiging van de beoordeling, van belang geacht ("UNHCR's View on the Application of Article 1 F of the 1951 Refugee Convention: Comments on the letter of the State Secretary of Justice to the Second Chamber of the Parliament, dated 28 november 1997", par. 7-9).

4.8 Naar het oordeel van de rechtbank kan aan het standpunt van de UNHCR geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Tekst en wording van het Verdrag laten toe de praktijk van verweerder om in voorkomende gevallen artikel 1 (F) aan de vreemdeling tegen te werpen alvorens is vastgesteld of de vreemdeling vluchteling is in de zin van artikel 1 (A). Gelet op de ernst van de in artikel 1 (F) genoemde gedragingen valt deze handelwijze van verweerder naar het oordeel van de rechtbank te billijken. De rechtbank verwijst naar het standpunt van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State zoals verwoord in de uitspraken van 8 april 1991 (RV 1991, nr. 5), 17 december 1992 (RV 1992, nr. 12). Dit neemt niet weg dat de zorgvuldigheid welke verweerder ingevolge het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in acht dient te nemen meebrengt dat verweerder zich een beeld dient te vormen van de vluchtmotieven van de asielzoeker, alvorens te beslissen of op grond van het bepaalde in artikel 1 (F) de bescherming van het Verdrag aan de vreemdeling moet worden onthouden. Naar het oordeel van de rechtbank is dit met name van belang in de gevallen waarin het bepaalde in artikel 1 (F) aanhef en onder b aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen en een belangenafweging dient plaats te vinden tussen de aard van het delict en de zwaarte van de vervolging waarvoor wordt gevreesd. Maar ook in de - naar hun aard over het algemeen zwaarwegender - gevallen dat het bepaalde in artikel 1 (F), aanhef en onder a of c aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen kan het vluchtrelaas voor de beoordeling van de aanvraag relevante gegevens bevatten en dient verweerder zich hiervan rekenschap te geven.

4.9 Eisers stelling dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte niet expliciet aan het bepaalde in artikel 1 (A) heeft getoetst alvorens te toetsen aan het bepaalde in artikel 1 (F) kan gelet op het voorgaande niet worden gevolgd. Voor zover eiser bedoelt te stellen dat verweerder bij de toepassing van artikel 1 (F) heeft gehandeld in strijd met de vereiste zorgvuldigheid oordeelt de rechtbank dat ook deze stelling niet kan worden gevolgd, nu gesteld noch gebleken is dat juist eisers vluchtmotieven, welke hij in het nader gehoor van 11 december 1996 naar voren heeft kunnen brengen, voor verweerder aanleiding hadden dienen te zijn om het bepaalde in artikel 1 (F) aanhef en onder a en c van het Verdrag niet aan eiser tegen te werpen.

4.10 Verweerders conclusie dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen als bedoeld in artikel 1 (F), aanhef en onder a en c van het Verdrag is in beroep overigens niet langer betwist, zodat hiervan dient te worden uitgegaan.

4.11 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser op grond van het bepaalde in artikel 1 (F), aanhef en onder a dan wel c geen bescherming van het Verdrag toekomt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht geen verblijfsvergunning aan eiser heeft verleend op de grond van artikel 29, eerste lid, onder a van de Vw 2000.

4.12 Ten aanzien van eisers klacht dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst aan het bepaalde in artikel 3 van het EVRM overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van het EVRM is het de Nederlandse staat niet toegestaan een vreemdeling uit te zetten naar zijn land van herkomst, indien hij in dat land een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijk of vernederende behandelingen of bestraffingen. In het in de Vw 2000 neergelegde wettelijke stelsel ter zake van de toelating en uitzetting van vreemdelingen, in het bijzonder in de artikelen 27, eerste lid, aanhef en onder b, 45, eerste lid, aanhef en onder b, 62, 63, en 64 van deze wet, is de bevoegdheid tot uitzetting het rechtsgevolg van de illegaliteit van het verblijf van de vreemdeling hier te lande, dan wel van de afwijzing van een verzoek om toelating. Deze bevoegdheid is niet discretionair van aard. Dit vindt bevestiging in de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000, waarin is bepaald dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten, bij gebreke waarvan hij kan worden uitgezet. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 29 mei 2001 (JV 2001/166), waarin is aangegeven dat uit de toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 1998-1999, 26 732, nr. 3, p. 35 en 65) valt op te maken dat met de woorden "(...) kan worden uitgezet" niet is beoogd naast de toepassing in de meeromvattende beschikking van de wettelijke toelatingscriteria en nadat is geconstateerd dat daaraan niet is voldaan, ruimte te scheppen voor discretie wat betreft een mogelijke uitzetting ter invulling waarvan afzonderlijke besluitvorming zou moeten plaatsvinden. De ABRS overweegt

"Het uitzetten wordt aangemerkt als het gevolg van het niet toelaten en het niet mogen uitzetten wordt opgevat als gebrek aan de toelatingsbeslissing. Zo wordt vermeld dat de rechter kan oordelen dat de afwijzing van de aanvraag redelijkerwijs niet in stand kan blijven indien de uitzetting van de vreemdeling tot schending van een verdragsverplichting zou leiden en dat de rechter in het oordeel over de afwijzing van de aanvraag zal betrekken dat de afwijzing uitzetting betekent. Met de woorden "kan worden uitgezet" is kennelijk slechts beoogd een voorbehoud te maken ter zake van de noodzaak tot uitzetting en de feitelijke uitvoerbaarheid van een voorgenomen uitzetting. Zo kan de vreemdeling eigener beweging vertrekken, zich aan de macht van het bestuur onttrekken of noodzakelijke medewerking alsnog weigeren. Voorts kan zich een tijdelijke verhindering voordoen, als bedoeld in artikel 64 Vw 2000. Dergelijke feitelijke belemmeringen doen niet af aan het voornemen van het bestuur om zodra ze zijn opgeheven tot uitzetting over te gaan. De beslissing om tot uitzetting over te gaan is derhalve geen zelfstandig deelbesluit binnen de meeromvattende beschikking en de bevoegdheid tot uitzetting is het rechtsgevolg van rechtswege van een afwijzende meeromvattende beschikking. Naar uit de naar de artikelen 27 en 45 van de Vw 2000 verwijzende tussenzin in artikel 63 van de Vw 2000 valt af te leiden, vindt ook de daadwerkelijke uitzetting plaats krachtens zo'n beschikking" (r.o. 2.7 en 2.8).

4.13 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het standpunt van verweerder dat uitzetting van eiser, niettegenstaande de afwijzing van zijn aanvraag, niet aan de orde is, niet kan worden gevolgd. Het bepaalde in artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 brengt mee dat de vreemdeling na afwijzing van zijn asielaanvraag, daargelaten feitelijke belemmeringen, wordt uitgezet. Aan verweerder komt niet de vrijheid toe te beslissen de uitzetting van eiser achterwege te laten. Dit betekent dat verweerder ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen alvorens te bepalen of uitzetting van de vreemdeling niet tot schending van artikel 3 van het EVRM zal leiden. Het bestreden besluit is derhalve onvoldoende gemotiveerd.

5. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3 van het EVRM juncto artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw 2000. Het beroep is derhalve gegrond.

6. Nu het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op 644,00 euro (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van 322,00 euro en wegingsfactor 1).

III. BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1. verklaart het beroep gegrond;

2. vernietigt het bestreden besluit;

3. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit op het bezwaar neemt;

4. veroordeelt verweerder in de proceskosten van 644 euro, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen.

IV. RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Aldus gedaan door mr. A. van 't Laar als voorzitter en mr. E.R. Houweling en mr. B.J. Duinhof als leden van de meervoudige kamer en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2003, in tegenwoordigheid van drs. M. Wiersma, griffier.

afschrift verzonden op: 17 juli 2003